Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2023:1422
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2023:1422 → ECLI:NL:GHSHE:2021:3597
- conclusie ECLI:NL:HR:2023:1422 → ECLI:NL:PHR:2023:712
Inhoudsindicatie
Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd (art. 285.1 Sr) en weigeren medewerking te verlenen aan ademonderzoek (art. 163.2 WVW 1994). 1. Is ’s hofs beslissing in het openbaar uitgesproken, nu uitspraak p-v ontbreekt? Art. 362.1 Sv. 2. Onvolkomenheid bij beëdiging van één of meer raadsheren van hof ’s-Hertogenbosch die uitspraak hebben gewezen, art. 5.2 en 6.2 Wet RO. Ad 1. Uit stukken blijkt niet dat ‘s hofs beslissing overeenkomstig art. 362.1 Sv in het openbaar is uitgesproken. Daarom moet het ervoor worden gehouden dat dit niet is gebeurd. HR zal doen wat hof had moeten doen en zelf ‘s hofs beslissing op openbare tz. uitspreken. Ad 2. Gelet op HR:2022:1438 behoeft dat geen verdere bespreking. Volgt verwerping.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2022:1438 Hoge Raad 21-10-2022
Geciteerd door (6)
- ECLI:NL:PHR:2026:447 Parket bij de Hoge Raad 12-05-2026
- ECLI:NL:PHR:2025:1264 Parket bij de Hoge Raad 18-11-2025
- ECLI:NL:PHR:2024:1372 Parket bij de Hoge Raad 17-12-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:1252 Parket bij de Hoge Raad 17-09-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:951 Parket bij de Hoge Raad 17-09-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:798 Parket bij de Hoge Raad 03-09-2024
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (3.404 tekens)
STRAFKAMER
Nummer 21/02801
Datum 17 oktober 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 23 juni 2021, nummer 20-002892-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,
hierna: de verdachte.
1Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft Th.J. Kelder, advocaat te 's–Gravenhage, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De raadsman heeft – na het verstrijken van de in artikel 437 lid 2 Sv bedoelde termijn – bij aanvullende schriftuur nog aan de orde gesteld dat bij de beëdiging van meerdere van de raadsheren die de bestreden uitspraak hebben gewezen, zich een onvolkomenheid heeft voorgedaan. Gelet op het arrest dat de Hoge Raad op 21 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1438, heeft gewezen, behoeft dat geen verdere bespreking.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat de bestreden beslissing niet in het openbaar is uitgesproken.
2.2
Uit de stukken blijkt niet dat de beslissing van het hof overeenkomstig artikel 362 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering in het openbaar is uitgesproken. Daarom moet het ervoor worden gehouden dat dit niet is gebeurd. Het cassatiemiddel klaagt daarover terecht.
2.3
De Hoge Raad zal doen wat het hof had moeten doen en zelf de beslissing van het hof op de openbare terechtzitting uitspreken.
3Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van vier weken volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
5Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 oktober 2023.