Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2021:197
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2021:197 → ECLI:NL:PHR:2020:1165
Inhoudsindicatie
Oplichting, art. 326 Sr, nalaten tijdig gegevens te verstrekken, art. 227b Sr. Overschrijding redelijke termijn in feitelijke instanties. Hof heeft geoordeeld dat sprake is van “een relatief geringe overschrijding” van “de redelijke termijn van de procedure als geheel” zodat kan worden volstaan met het constateren van die overschrijding. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2008:BD2578 m.b.t. beoordelingskader overschrijding redelijke termijn in e.a. en h.b. en de vraag welk rechtsgevolg daaraan dient te worden verbonden. Hof heeft dit beoordelingskader miskend, omdat hof weliswaar tijdsverloop van behandeling van zaak in e.a. en in h.b. afzonderlijk heeft onderzocht, maar bij beoordeling of sprake is van overschrijding van redelijke termijn duur van de “procedure als geheel” en dus totale duur van berechting in feitelijke aanleg beslissend heeft laten zijn. Ook doet zich hier, gelet op door hof in aanmerking genomen overschrijding van “de redelijke termijn van de procedure als geheel” met vijf maanden, niet het geval voor waarin kan worden volstaan met oordeel dat redelijke termijn a.b.i. in art. 6.1 EVRM is overschreden. HR doet zaak zelf af door opgelegde gevangenisstraf te verminderen.
Citeert (2)
- ECLI:NL:HR:2008:BD2578 Hoge Raad 17-06-2008
- ECLI:NL:HR:2008:BD2578 Hoge Raad 17-06-2008
Geciteerd door (74)
- ECLI:NL:PHR:2025:1160 Parket bij de Hoge Raad 04-11-2025
- ECLI:NL:HR:2025:1252 Hoge Raad 30-09-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:1001 Parket bij de Hoge Raad 16-09-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:811 Parket bij de Hoge Raad 09-09-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:877 Parket bij de Hoge Raad 26-08-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:861 Parket bij de Hoge Raad 26-08-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:862 Parket bij de Hoge Raad 26-08-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:803 Parket bij de Hoge Raad 24-06-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:689 Parket bij de Hoge Raad 17-06-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:690 Parket bij de Hoge Raad 17-06-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:57 Parket bij de Hoge Raad 14-01-2025
- ECLI:NL:RBNHO:2024:12777 Rechtbank Noord-Holland 08-07-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:574 Parket bij de Hoge Raad 28-05-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:523 Parket bij de Hoge Raad 14-05-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:523 Parket bij de Hoge Raad 14-05-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:376 Parket bij de Hoge Raad 09-04-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:83 Parket bij de Hoge Raad 23-01-2024
- ECLI:NL:HR:2024:50 Hoge Raad 19-01-2024
- ECLI:NL:PHR:2023:1066 Parket bij de Hoge Raad 19-12-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:4111 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 08-12-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:4104 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 08-12-2023
- ECLI:NL:HR:2023:1370 Hoge Raad 17-11-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:994 Parket bij de Hoge Raad 07-11-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:6369 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 28-07-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:2487 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 28-07-2023
- ECLI:NL:HR:2023:983 Hoge Raad 27-06-2023
- ECLI:NL:HR:2023:984 Hoge Raad 27-06-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:604 Parket bij de Hoge Raad 20-06-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:604 Parket bij de Hoge Raad 20-06-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:537 Parket bij de Hoge Raad 30-05-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:524 Parket bij de Hoge Raad 23-05-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:524 Parket bij de Hoge Raad 23-05-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:524 Parket bij de Hoge Raad 23-05-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:437 Parket bij de Hoge Raad 18-04-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:435 Parket bij de Hoge Raad 18-04-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:344 Parket bij de Hoge Raad 28-03-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:350 Parket bij de Hoge Raad 28-03-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:231 Parket bij de Hoge Raad 21-02-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:214 Parket bij de Hoge Raad 21-02-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:246 Parket bij de Hoge Raad 21-02-2023
- ECLI:NL:GHAMS:2023:316 Gerechtshof Amsterdam 09-02-2023
- ECLI:NL:PHR:2022:1168 Parket bij de Hoge Raad 20-12-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:886 Parket bij de Hoge Raad 04-10-2022
- ECLI:NL:RBROT:2022:5017 Rechtbank Rotterdam 22-06-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:571 Parket bij de Hoge Raad 21-06-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:414 Parket bij de Hoge Raad 10-05-2022
- ECLI:NL:HR:2022:363 Hoge Raad 22-03-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2022:931 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 22-03-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2022:930 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 22-03-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2022:928 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 22-03-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2022:932 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 22-03-2022
- ECLI:NL:HR:2022:409 Hoge Raad 22-03-2022
- ECLI:NL:HR:2022:88 Hoge Raad 15-02-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:84 Parket bij de Hoge Raad 01-02-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:84 Parket bij de Hoge Raad 01-02-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:85 Parket bij de Hoge Raad 01-02-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:86 Parket bij de Hoge Raad 01-02-2022
- ECLI:NL:HR:2021:1875 Hoge Raad 14-12-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:985 Parket bij de Hoge Raad 02-11-2021
- ECLI:NL:HR:2021:1562 Hoge Raad 19-10-2021
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (7.780 tekens)
STRAFKAMER
Nummer 20/00828
Datum 9 februari 2021
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 2 maart 2020, nummer 23-001894-17, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,
hierna: de verdachte.
1Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft C.W. Noorduyn, advocaat te ’s-Gravenhage, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat de opgelegde straf betreft, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat volstaan kan worden met de enkele constatering dat een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) heeft plaatsgevonden.
2.2
In de bestreden uitspraak heeft het hof met betrekking tot de berechting binnen een redelijke termijn het volgende overwogen:
“Het hof constateert dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden. De redelijke termijn is aangevangen op 7 oktober 2014, de dag waarop een brief is uitgegaan van de officier naar de raadsman van de verdachte. De rechtbank heeft vonnis gewezen op 16 mei 2017.
Namens de verdachte is op 24 mei 2017 hoger beroep ingesteld. Vervolgens hebben er vier terechtzittingen plaatsgevonden. Tweemaal is de inhoudelijke behandeling op verzoek van de verdediging aangehouden, te weten op 9 maart 2018 en 10 juli 2018. Op de derde zitting - 8 februari 2019 - constateerde het hof dat het niet beschikte over een volledig dossier. De zaak is toen aangehouden om het dossier te laten aanvullen. De inhoudelijke behandeling van de strafzaak heeft uiteindelijk plaatsgevonden op 17 februari 2020. De zaak is in hoger beroep afgerond met een eindbeslissing op 2 maart 2020.
Het hof is van oordeel dat de vertraging in hoger beroep die is veroorzaakt door aanhoudingsverzoeken van de verdediging niet bij de berekening van de duur van de procedure in aanmerking behoeft te worden genomen. Deze termijn bedraagt elf maanden (9 maart 2018 tot 8 februari 2019). De totale duur van de procedure bedraagt dan vier jaren en vijf maanden (7 oktober 2014 - 2 maart 2020 minus elf maanden). Uitgaande van een redelijke termijn van twee jaren per instantie is de redelijke termijn van de procedure als geheel overschreden met vijf maanden. Gelet op de relatief geringe overschrijding ziet het hof geen aanleiding hieraan gevolgen te verbinden en wordt volstaan met louter het constateren van de overschrijding.”
2.3
Het hof heeft geoordeeld dat sprake is van “een relatief geringe overschrijding” van “de redelijke termijn van de procedure als geheel” zodat kan worden volstaan met het constateren van die overschrijding. De gronden waarop het hof dit oordeel heeft doen berusten, houden het volgende in:
- (i) de redelijke termijn in eerste aanleg is overschreden omdat de rechtbank ruim 31 maanden na de aanvang van de redelijke termijn vonnis heeft gewezen;
- (ii) de behandeling van de zaak in hoger beroep heeft ruim 33 maanden geduurd, waarbij die behandeling als gevolg van verzoeken van de verdediging met 11 maanden is vertraagd;
- (iii) de totale duur van de procedure in eerste aanleg en hoger beroep bedraagt 5 jaar en 4 maanden;
- (iv) rekening houdend met de vertraging als gevolg van verzoeken van de verdediging met 11 maanden en uitgaande van een redelijke termijn van twee jaren per instantie, is “de redelijke termijn van de procedure als geheel overschreden met vijf maanden”.
2.4.1
Bij de beoordeling van de vraag of de behandeling van de zaak binnen de redelijke termijn heeft plaatsgevonden, moet het tijdsverloop tijdens de eerste aanleg en dat tijdens het hoger beroep afzonderlijk worden beoordeeld. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de behandeling van de zaak op de zitting dient te zijn afgerond met in eerste aanleg een einduitspraak binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, en dat in de fase van het hoger beroep een einduitspraak wordt gedaan binnen twee jaar nadat het rechtsmiddel is ingesteld, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. In gevallen waarin de verdachte in verband met de zaak in voorlopige hechtenis verkeert, en/of het strafrecht voor jeugdigen is toegepast, moet de zaak in eerste aanleg en in hoger beroep telkens binnen 16 maanden worden afgedaan, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. (Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, rechtsoverwegingen 3.13 tot en met 3.16.)
2.4.2
Indien wordt geoordeeld dat de redelijke termijn in eerste aanleg of in hoger beroep is overschreden, wordt die overschrijding in de regel gecompenseerd door strafvermindering. Maar het staat de rechter vrij – na afweging van alle daartoe in aanmerking te nemen belangen en omstandigheden, waaronder de mate van overschrijding van de redelijke termijn – te volstaan met het oordeel dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden (vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, rechtsoverwegingen 3.21 en 3.23). Voor het volstaan met dat oordeel kan onder meer aanleiding bestaan als sprake is van een beperkte overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg of in hoger beroep, en de berechting in feitelijke aanleg – dat wil zeggen: in eerste aanleg én in hoger beroep – is afgerond binnen het totaal van de voor elk van die procesfasen geldende termijnen.
2.4.3
Het hof heeft dit beoordelingskader miskend, omdat het hof weliswaar het tijdsverloop van de behandeling van de zaak in eerste aanleg en in hoger beroep afzonderlijk heeft onderzocht, maar bij de beoordeling of sprake is van overschrijding van de redelijke termijn de duur van de “procedure als geheel” en dus de totale duur van de berechting in feitelijke aanleg beslissend heeft laten zijn. Ook doet zich hier, gelet op de door het hof in aanmerking genomen overschrijding van “de redelijke termijn van de procedure als geheel” met vijf maanden, niet het hierboven omschreven geval voor waarin kan worden volstaan met het oordeel dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden.
2.5
Voor zover het cassatiemiddel hierover klaagt, slaagt het. Dat betekent dat het cassatiemiddel voor het overige geen bespreking behoeft. De Hoge Raad zal de zaak zelf afdoen.
3Beslissing
De Hoge Raad
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf van 24 maanden;
- vermindert deze in die zin dat deze 22 maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 februari 2021.