Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2021:1644
2021-11-05
Bestuursrecht; Belastingrecht
20/00131
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2021:1644 → ECLI:NL:GHARL:2019:10474
Inhoudsindicatie
Art. 1 en art. 3 Wet KSB, art. 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM, invoering van kansspelbelasting voor kansspelautomaten per 1 juli 2008, individuele en buitensporige last, rechtsherstel.
Citeert (7)
- ECLI:NL:GHARL:2019:10474 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 03-12-2019
- ECLI:NL:HR:2014:1523 Hoge Raad 27-06-2014
- ECLI:NL:GHAMS:2012:BX1893 Gerechtshof Amsterdam 19-07-2012
- ECLI:NL:HR:2017:442 Hoge Raad 17-03-2017
- ECLI:NL:GHDHA:2015:2119 Gerechtshof Den Haag 29-07-2015
- ECLI:NL:HR:2018:511 Hoge Raad 06-04-2018
- ECLI:NL:HR:2019:816 Hoge Raad 14-06-2019
Geciteerd door (7)
- ECLI:NL:RBZWB:2025:664 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 10-02-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:463 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 31-01-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:448 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 31-01-2025
- ECLI:NL:GHAMS:2024:1457 Gerechtshof Amsterdam 30-04-2024
- ECLI:NL:GHAMS:2024:1454 Gerechtshof Amsterdam 30-04-2024
- ECLI:NL:GHARL:2023:5918 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 11-07-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:137 Parket bij de Hoge Raad 16-01-2023
Volledige tekst
Volledige tekst (6.591 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 20/00131
Datum 5 november 2021
ARREST
in de zaak van
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
tegen
[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 3 december 2019, nr. 17/00391, betreffende het door belanghebbende op aangifte voldane bedrag aan kansspelbelasting over het tijdvak juli 2008.
1Het eerste en tweede geding in cassatie
Bij arrest van de Hoge Raad van 27 juni 2014 is vernietigd de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam, met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest. Bij arrest van de Hoge Raad van 17 maart 2017 is vernietigd de uitspraak van het laatstgenoemde Hof, met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.
2Het derde geding in cassatie
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal middelen voorgesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende, vertegenwoordigd door B. Jongmans en D.G. Barmentlo, heeft een verweerschrift ingediend.
Namens partijen is de zaak toegelicht, voor belanghebbende door B. Jongmans, advocaat te Halfweg, en D.G. Barmentlo, advocaat te Amsterdam, voor de Staatssecretaris door C.M. Bergman, advocaat te Den Haag.
3Uitgangspunten in cassatie
Belanghebbende is exploitant van kansspelautomaten. Zij heeft over het tijdvak juli 2008 een bedrag aan kansspelbelasting op aangifte voldaan. Tegen de voldoening op aangifte heeft zij bezwaar gemaakt.Tot 1 juli 2008 was belanghebbende over het bruto spelresultaat omzetbelasting verschuldigd (op dat moment 19 procent), waarbij als bruto spelresultaat werd aangemerkt de omzet inclusief omzetbelasting. Ten gevolge van een wetswijziging wordt vanaf die datum over het bruto spelresultaat geen omzetbelasting meer geheven, maar kansspelbelasting naar een tarief van 29 procent.
4Procedure bij het Hof
4.1
Na verwijzing diende het Hof de vraag te beantwoorden of belanghebbende door de hiervoor genoemde wetswijziging is geconfronteerd met een individuele en buitensporige last in de zin van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (hierna: artikel 1 EP).
4.2
Het Hof heeft die vraag bevestigend beantwoord en geoordeeld dat het belanghebbende daarom rechtsherstel moet bieden. De omvang van het rechtsherstel heeft het Hof schattenderwijs bepaald op € 1.364.740.
5Beoordeling van de middelen
5.1.1 Het eerste middel bestrijdt het oordeel van het Hof dat belanghebbende door de bovengenoemde wetswijziging is geconfronteerd met een individuele en buitensporige last in de zin van artikel 1 EP.
5.1.2 Het middel faalt. De Hoge Raad behoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van het middel is het namelijk niet nodig antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
5.2.1 Het tweede middel bestrijdt de wijze waarop het Hof het aan belanghebbende als schadevergoeding te betalen bedrag heeft bepaald.
5.2.2 In de toelichting op het middel wordt erop gewezen dat het bedrag van € 1.364.740 kennelijk de optelsom vormt van het nadeel dat belanghebbende door de wetswijziging heeft ondervonden in de jaren 2008 tot en met 2011.In deze procedure gaat het om de uitspraak op bezwaar inzake één maand, zodat alleen voor in die maand geleden schade een vergoeding kan worden toegekend, aldus het middel.
5.2.3 Kennelijk heeft het Hof redengevend geacht dat als vaststaand feit moet worden beschouwd dat belanghebbende niet alleen in de maand juli 2008 maar ook in daarop volgende tijdvakken een aan de wetswijziging toe te schrijven verlies zal leiden, terwijl zijn in deze zaak gegeven oordeel dat dit verlies voor belanghebbende een individuele en buitensporige last in de zin van artikel 1 EP vormt, in procedures over andere tijdvakken niet anders zal kunnen luiden. In aanmerking genomen dat de rechter bij het ontstaan van een individuele en buitensporige last steeds gehouden is effectief rechtsherstel te bieden, kon het Hof als uitgangspunt nemen dat van belanghebbende niet gevergd kan worden dat zij over elk tijdvak procedeert teneinde de individuele en buitensporige last te laten wegnemen. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
5.2.4 In zoverre faalt het middel. Ook voor het overige kan het middel niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van het middel voor het overige is het namelijk niet nodig antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
6Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
7Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie ongegrond, en
- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 2.992 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer J. Wortel als voorzitter, en de raadsheren A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 5 november 2021.
Van de Staatssecretaris van Financiën wordt een griffierecht geheven van € 532.
ECLI:NL:GHARL:2019:10474.
Nr. 12/04122, ECLI:NL:HR:2014:1523.
Nr. 10/00475, ECLI:NL:GHAMS:2012:BX1893.
Nr. 15/04164, ECLI:NL:HR:2017:442.
Nr. 14/00768, ECLI:NL:GHDHA:2015:2119.
Met verwijzing naar HR 6 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:511 en HR 14 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:816.
BELASTINGKAMER
Nummer 20/00131
Datum 5 november 2021
ARREST
in de zaak van
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
tegen
[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 3 december 2019, nr. 17/00391, betreffende het door belanghebbende op aangifte voldane bedrag aan kansspelbelasting over het tijdvak juli 2008.
1Het eerste en tweede geding in cassatie
Bij arrest van de Hoge Raad van 27 juni 2014 is vernietigd de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam, met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest. Bij arrest van de Hoge Raad van 17 maart 2017 is vernietigd de uitspraak van het laatstgenoemde Hof, met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.
2Het derde geding in cassatie
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal middelen voorgesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende, vertegenwoordigd door B. Jongmans en D.G. Barmentlo, heeft een verweerschrift ingediend.
Namens partijen is de zaak toegelicht, voor belanghebbende door B. Jongmans, advocaat te Halfweg, en D.G. Barmentlo, advocaat te Amsterdam, voor de Staatssecretaris door C.M. Bergman, advocaat te Den Haag.
3Uitgangspunten in cassatie
Belanghebbende is exploitant van kansspelautomaten. Zij heeft over het tijdvak juli 2008 een bedrag aan kansspelbelasting op aangifte voldaan. Tegen de voldoening op aangifte heeft zij bezwaar gemaakt.Tot 1 juli 2008 was belanghebbende over het bruto spelresultaat omzetbelasting verschuldigd (op dat moment 19 procent), waarbij als bruto spelresultaat werd aangemerkt de omzet inclusief omzetbelasting. Ten gevolge van een wetswijziging wordt vanaf die datum over het bruto spelresultaat geen omzetbelasting meer geheven, maar kansspelbelasting naar een tarief van 29 procent.
4Procedure bij het Hof
4.1
Na verwijzing diende het Hof de vraag te beantwoorden of belanghebbende door de hiervoor genoemde wetswijziging is geconfronteerd met een individuele en buitensporige last in de zin van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (hierna: artikel 1 EP).
4.2
Het Hof heeft die vraag bevestigend beantwoord en geoordeeld dat het belanghebbende daarom rechtsherstel moet bieden. De omvang van het rechtsherstel heeft het Hof schattenderwijs bepaald op € 1.364.740.
5Beoordeling van de middelen
5.1.1 Het eerste middel bestrijdt het oordeel van het Hof dat belanghebbende door de bovengenoemde wetswijziging is geconfronteerd met een individuele en buitensporige last in de zin van artikel 1 EP.
5.1.2 Het middel faalt. De Hoge Raad behoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van het middel is het namelijk niet nodig antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
5.2.1 Het tweede middel bestrijdt de wijze waarop het Hof het aan belanghebbende als schadevergoeding te betalen bedrag heeft bepaald.
5.2.2 In de toelichting op het middel wordt erop gewezen dat het bedrag van € 1.364.740 kennelijk de optelsom vormt van het nadeel dat belanghebbende door de wetswijziging heeft ondervonden in de jaren 2008 tot en met 2011.In deze procedure gaat het om de uitspraak op bezwaar inzake één maand, zodat alleen voor in die maand geleden schade een vergoeding kan worden toegekend, aldus het middel.
5.2.3 Kennelijk heeft het Hof redengevend geacht dat als vaststaand feit moet worden beschouwd dat belanghebbende niet alleen in de maand juli 2008 maar ook in daarop volgende tijdvakken een aan de wetswijziging toe te schrijven verlies zal leiden, terwijl zijn in deze zaak gegeven oordeel dat dit verlies voor belanghebbende een individuele en buitensporige last in de zin van artikel 1 EP vormt, in procedures over andere tijdvakken niet anders zal kunnen luiden. In aanmerking genomen dat de rechter bij het ontstaan van een individuele en buitensporige last steeds gehouden is effectief rechtsherstel te bieden, kon het Hof als uitgangspunt nemen dat van belanghebbende niet gevergd kan worden dat zij over elk tijdvak procedeert teneinde de individuele en buitensporige last te laten wegnemen. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
5.2.4 In zoverre faalt het middel. Ook voor het overige kan het middel niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van het middel voor het overige is het namelijk niet nodig antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
6Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
7Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie ongegrond, en
- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 2.992 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer J. Wortel als voorzitter, en de raadsheren A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 5 november 2021.
Van de Staatssecretaris van Financiën wordt een griffierecht geheven van € 532.
ECLI:NL:GHARL:2019:10474.
Nr. 12/04122, ECLI:NL:HR:2014:1523.
Nr. 10/00475, ECLI:NL:GHAMS:2012:BX1893.
Nr. 15/04164, ECLI:NL:HR:2017:442.
Nr. 14/00768, ECLI:NL:GHDHA:2015:2119.
Met verwijzing naar HR 6 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:511 en HR 14 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:816.