Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2017:442
2017-03-17
Bestuursrecht; Belastingrecht
15/04164
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2017:442 → ECLI:NL:GHDHA:2015:2119 (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
- conclusie ECLI:NL:HR:2017:442 → ECLI:NL:PHR:2016:1036 gevolgd
Inhoudsindicatie
Art. 1 en art. 3 Wet KSB; art. 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. Invoering van kansspelbelasting voor kansspelautomaten per 1 juli 2008. Van een individuele en buitensporige last is sprake wanneer een maatregel zich in een concreet geval sterker laat voelen dan in het algemeen.
Citeert (4)
- ECLI:NL:HR:2014:1523 Hoge Raad 27-06-2014
- ECLI:NL:PHR:2016:1036 Parket bij de Hoge Raad 30-09-2016
- ECLI:NL:HR:2010:BK3103 Hoge Raad 10-09-2010
- ECLI:NL:HR:2001:AD5493 Hoge Raad 16-11-2001
Geciteerd door (134)
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2438 Gerechtshof Amsterdam 25-08-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2232 Gerechtshof Den Haag 18-06-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2233 Gerechtshof Den Haag 18-06-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2231 Gerechtshof Den Haag 18-06-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2234 Gerechtshof Den Haag 18-06-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2232 Gerechtshof Den Haag 18-06-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2233 Gerechtshof Den Haag 18-06-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2231 Gerechtshof Den Haag 18-06-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2234 Gerechtshof Den Haag 18-06-2026
- ECLI:NL:RBNHO:2026:7338 Rechtbank Noord-Holland 12-06-2026
- ECLI:NL:RBNHO:2026:7336 Rechtbank Noord-Holland 12-06-2026
- ECLI:NL:RBNHO:2026:7337 Rechtbank Noord-Holland 12-06-2026
- ECLI:NL:GHSHE:2026:1452 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 03-06-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:4832 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 01-06-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:186 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 15-01-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:183 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 15-01-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:187 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 15-01-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:185 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 15-01-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:182 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 15-01-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:184 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 15-01-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2025:13210 Rechtbank Den Haag 01-07-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:1497 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 28-05-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:1498 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 28-05-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1680 Gerechtshof Den Haag 03-04-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:303 Parket bij de Hoge Raad 07-03-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:303 Parket bij de Hoge Raad 07-03-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:264 Parket bij de Hoge Raad 28-02-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:264 Parket bij de Hoge Raad 28-02-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2024:4070 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 18-12-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2378 Gerechtshof Den Haag 10-12-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:2378 Gerechtshof Den Haag 10-12-2024
- ECLI:NL:RBGEL:2024:6508 Rechtbank Gelderland 25-09-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2023:20831 Rechtbank Den Haag 21-12-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:3289 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 11-10-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:2303 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 12-07-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:5918 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 11-07-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:3695 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 26-05-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:3696 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 26-05-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:2818 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 24-04-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:2817 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 24-04-2023
- ECLI:NL:GHAMS:2023:674 Gerechtshof Amsterdam 09-03-2023
- ECLI:NL:GHAMS:2023:674 Gerechtshof Amsterdam 09-03-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:247 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 25-01-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:70 Parket bij de Hoge Raad 16-01-2023
- ECLI:NL:PHR:2022:1127 Parket bij de Hoge Raad 29-11-2022
- ECLI:NL:GHDHA:2022:2253 Gerechtshof Den Haag 03-11-2022
- ECLI:NL:GHDHA:2022:2254 Gerechtshof Den Haag 03-11-2022
- ECLI:NL:GHDHA:2022:1283 Gerechtshof Den Haag 05-07-2022
- ECLI:NL:GHDHA:2022:906 Gerechtshof Den Haag 25-05-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:1814 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 07-04-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:1814 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 07-04-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:1814 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 07-04-2022
- ECLI:NL:GHAMS:2022:918 Gerechtshof Amsterdam 10-03-2022
- ECLI:NL:GHAMS:2022:597 Gerechtshof Amsterdam 01-03-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:6586 Rechtbank Den Haag 01-03-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:6587 Rechtbank Den Haag 01-03-2022
- ECLI:NL:RBNHO:2021:12079 Rechtbank Noord-Holland 24-12-2021
- ECLI:NL:RBNHO:2021:12079 Rechtbank Noord-Holland 24-12-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:10464 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 09-11-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:10465 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 09-11-2021
Volledige tekst
Volledige tekst (5.371 tekens)
17 maart 2017
Nr. 15/04164
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 29 juli 2015, nr. BK‑14/00768, betreffende het door [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) op aangifte voldane bedrag aan kansspelbelasting. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Het eerste geding in cassatie
De uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam is op het beroep van de Staatssecretaris bij arrest van de Hoge Raad van 27 juni 2014, nr. 12/04122, ECLI:NL:HR:2014:1523, BNB 2014/219, vernietigd, met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof Den Haag (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest.
2Het tweede geding in cassatie
De Staatssecretaris heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. Zij heeft tevens incidenteel beroep in cassatie ingesteld.
Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
De Staatssecretaris heeft schriftelijk zijn zienswijze omtrent het incidentele beroep naar voren gebracht.
Partijen hebben de zaak mondeling doen toelichten, belanghebbende door D.G. Barmentlo, advocaat te Amsterdam en B. Jongmans, advocaat te Halfweg, de Staatssecretaris door C.M. Bergman en R.T. Wiegerink, advocaten te Den Haag.
De Advocaat-Generaal C.M. Ettema heeft op 30 september 2016 geconcludeerd tot gegrondverklaring van zowel het principale beroep in cassatie als het incidentele beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2016:1036).
Zowel de Staatssecretaris als belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
3Beoordeling van de in het principale beroep voorgestelde middelen
3.1.
Het eerste middel komt op tegen het oordeel van het Hof dat de keuze van de wetgever om kansspelautomaten met ingang van 1 juli 2008 naar dezelfde grondslag in de heffing van kansspelbelasting te betrekken als tafelspelen in een casino, in het geval van belanghebbende heeft geleid tot een individuele en buitensporige last.
3.2.
Voormelde keuze van de wetgever kan voor een belastingplichtige alleen dan leiden tot een individuele en buitensporige last indien en voor zover deze last zich in diens geval sterker laat voelen dan in het algemeen (vgl. HR 10 september 2010, nr. 08/04653, ECLI:NL:HR:2010:BK3103, BNB 2011/65). Dat kan zich bij belanghebbende alleen voordoen als bijzondere, niet voor alle exploitanten van kansspelautomaten geldende, feiten en omstandigheden een buitensporige last voor haar teweegbrengen (vgl. HR 16 november 2001, nr. C00/142, ECLI:NL:HR:2001:AD5493, NJ 2002/469).
3.3.
In de onderdelen 8.3 tot en met 8.7 van de bestreden uitspraak is niet meer vastgesteld dan een achteruitgang van het bedrijfsresultaat van belanghebbende gedurende een reeks van jaren. ’s Hofs oordeel dat om deze reden kan worden gesproken van een individuele en buitensporige last geeft ofwel blijk van miskenning van hetgeen hiervoor in onderdeel 3.2 is overwogen, of is – mede gelet op hetgeen is vermeld in onderdeel 6.37 van de conclusie van de Advocaat‑Generaal ontoereikend gemotiveerd. Het middel slaagt derhalve in zoverre.
3.4.
Het middel slaagt ook voor zover het erover klaagt dat het Hof is uitgegaan van de geconsolideerde jaarstukken van belanghebbende en haar dochtervennootschappen. In deze procedure kan uitsluitend een vergoeding worden vastgesteld voor schade die belanghebbende heeft geleden doordat zij zelf in de heffing van kansspelbelasting wordt betrokken.
3.5.
In verband met de hierna te geven beslissing behoeven de middelen voor het overige geen bespreking.
4Beoordeling van het in het incidentele beroep voorgestelde middel
Het middel slaagt op de gronden die zijn uiteengezet in onderdeel 8 van de conclusie van de Advocaat-Generaal.
5Slotsom
’s Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.
6Proceskosten
Wat betreft het principale cassatieberoep acht de Hoge Raad geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
Wat betreft het incidentele cassatieberoep zal de Staatssecretaris worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
7Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het principale en het incidentele beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof,
verwijst het geding naar het Gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 3342 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren J.W. van den Berge, M.A. Fierstra, Th. Groeneveld en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2017.
Nr. 15/04164
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 29 juli 2015, nr. BK‑14/00768, betreffende het door [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) op aangifte voldane bedrag aan kansspelbelasting. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Het eerste geding in cassatie
De uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam is op het beroep van de Staatssecretaris bij arrest van de Hoge Raad van 27 juni 2014, nr. 12/04122, ECLI:NL:HR:2014:1523, BNB 2014/219, vernietigd, met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof Den Haag (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest.
2Het tweede geding in cassatie
De Staatssecretaris heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. Zij heeft tevens incidenteel beroep in cassatie ingesteld.
Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
De Staatssecretaris heeft schriftelijk zijn zienswijze omtrent het incidentele beroep naar voren gebracht.
Partijen hebben de zaak mondeling doen toelichten, belanghebbende door D.G. Barmentlo, advocaat te Amsterdam en B. Jongmans, advocaat te Halfweg, de Staatssecretaris door C.M. Bergman en R.T. Wiegerink, advocaten te Den Haag.
De Advocaat-Generaal C.M. Ettema heeft op 30 september 2016 geconcludeerd tot gegrondverklaring van zowel het principale beroep in cassatie als het incidentele beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2016:1036).
Zowel de Staatssecretaris als belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
3Beoordeling van de in het principale beroep voorgestelde middelen
3.1.
Het eerste middel komt op tegen het oordeel van het Hof dat de keuze van de wetgever om kansspelautomaten met ingang van 1 juli 2008 naar dezelfde grondslag in de heffing van kansspelbelasting te betrekken als tafelspelen in een casino, in het geval van belanghebbende heeft geleid tot een individuele en buitensporige last.
3.2.
Voormelde keuze van de wetgever kan voor een belastingplichtige alleen dan leiden tot een individuele en buitensporige last indien en voor zover deze last zich in diens geval sterker laat voelen dan in het algemeen (vgl. HR 10 september 2010, nr. 08/04653, ECLI:NL:HR:2010:BK3103, BNB 2011/65). Dat kan zich bij belanghebbende alleen voordoen als bijzondere, niet voor alle exploitanten van kansspelautomaten geldende, feiten en omstandigheden een buitensporige last voor haar teweegbrengen (vgl. HR 16 november 2001, nr. C00/142, ECLI:NL:HR:2001:AD5493, NJ 2002/469).
3.3.
In de onderdelen 8.3 tot en met 8.7 van de bestreden uitspraak is niet meer vastgesteld dan een achteruitgang van het bedrijfsresultaat van belanghebbende gedurende een reeks van jaren. ’s Hofs oordeel dat om deze reden kan worden gesproken van een individuele en buitensporige last geeft ofwel blijk van miskenning van hetgeen hiervoor in onderdeel 3.2 is overwogen, of is – mede gelet op hetgeen is vermeld in onderdeel 6.37 van de conclusie van de Advocaat‑Generaal ontoereikend gemotiveerd. Het middel slaagt derhalve in zoverre.
3.4.
Het middel slaagt ook voor zover het erover klaagt dat het Hof is uitgegaan van de geconsolideerde jaarstukken van belanghebbende en haar dochtervennootschappen. In deze procedure kan uitsluitend een vergoeding worden vastgesteld voor schade die belanghebbende heeft geleden doordat zij zelf in de heffing van kansspelbelasting wordt betrokken.
3.5.
In verband met de hierna te geven beslissing behoeven de middelen voor het overige geen bespreking.
4Beoordeling van het in het incidentele beroep voorgestelde middel
Het middel slaagt op de gronden die zijn uiteengezet in onderdeel 8 van de conclusie van de Advocaat-Generaal.
5Slotsom
’s Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.
6Proceskosten
Wat betreft het principale cassatieberoep acht de Hoge Raad geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
Wat betreft het incidentele cassatieberoep zal de Staatssecretaris worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
7Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het principale en het incidentele beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof,
verwijst het geding naar het Gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 3342 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren J.W. van den Berge, M.A. Fierstra, Th. Groeneveld en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2017.