Gerechtshof Amsterdam
ECLI:NL:GHAMS:2026:2438
2026-08-25
Bestuursrecht; Belastingrecht
25/244
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
IB/PVV. Uitkeringen op lijfrente verzekeringen terecht belast in box 1. Geen strijd met artikel 1 EP.
Citeert (8)
- ECLI:NL:HR:2021:1963 Hoge Raad 24-12-2021
- ECLI:NL:GHAMS:2013:CA3285 Gerechtshof Amsterdam 13-06-2013
- ECLI:NL:GHAMS:2018:4916 Gerechtshof Amsterdam 01-11-2018
- ECLI:NL:HR:2006:AY6002 Hoge Raad 11-08-2006
- ECLI:NL:GHSGR:2003:AO2809 Gerechtshof 's-Gravenhage 26-11-2003
- ECLI:NL:RBZWB:2016:5786 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 20-09-2016
- ECLI:NL:HR:2021:1963 Hoge Raad 24-12-2021
- ECLI:NL:HR:2017:442 Hoge Raad 17-03-2017
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (36.663 tekens)
GERECHTSHOF AMSTERDAM
kenmerk 25/244
25 augustus 2026
uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X]
, wonende te [Z] , belanghebbende,
tegen de uitspraak van 26 november 2024 in de zaak met kenmerk HAA 23/7026 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2019 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: ib/pvv) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 90.769 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 75 (hierna: de aanslag). Gelijktijdig heeft de inspecteur een beschikking revisierente van € 15.621 en een beschikking belastingrente van € 3.469 vastgesteld.
1.2.
Bij uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur de aanslag ib/pvv gehandhaafd en de beschikking revisierente verminderd tot € 5.789 en de beschikking belastingrente verminderd tot € 2.563.
1.3.
Belanghebbende heeft beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een nader stuk ingediend.
1.5.
Desgevraagd hebben beide partijen kenbaar gemaakt geen zitting te wensen. Het onderzoek is op 29 april 2026 gesloten.
2Feiten
Het Hof zal uitgaan van de volgende door de rechtbank vastgestelde feiten (belanghebbende en de inspecteur worden in de uitspraak van de rechtbank aangeduid als ‘eiser’ respectievelijk ‘verweerder’):
“Verzekering [bedrijf 1] ( [bedrijf 2] )
1. Tot de stukken van het geding behoort een mantelovereenkomst, waaruit blijkt dat eiser een zogenoemde “Hoogrentende Spaarpot Polis” heeft afgesloten bij [bedrijf 3] . Deze verzekeringspolis (hierna: de [bedrijf 2] -verzekering) is uiteindelijk overgenomen door verzekeraar [bedrijf 1] ( [bedrijf 2] ). In het polisspecificatieblad staat, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:
“Ingangsdatum : 24-12-1990
Keuze-einddatum : 24-07-2017
Absolute eindatum : 01-07-2027
(…)
Voorwaarden van verzekering : V.V. 90/12
Naam verzekeringnemer : Drs [X]
(…)
Naam verzekerde : [X]
(…)
BEGUNSTIGING
Eerste begunstigde : De verzekeringnemer
(…)
Verzekerde uitkeringen :
ECU 49.119,- bij het in leven zijn van de verzekerde op de keuze-einddatum. Indien, op verzoek van 1) de verzekeringnemer of, na diens overlijden 2) de begunstigde, niet wordt uitbetaald op de keuze-einddatum dan wordt de waarde van de polis bij in leven zijn van de verzekerde uitbetaald op elk verkozen later tijdstip doch uiterlijk op de dag waarop de verzekerde 75 jaar wordt (= absolute einddatum).
(…)
Bijzondere bepalingen :
Bij deze polis behoort aanhangsel 1
Premie/Koopsom ECU : 7.378,-”
Aanhangsel 1 behorende bij de [bedrijf 2] -verzekering heeft eiser niet overgelegd en behoort dus niet tot de gedingstukken.
2. [bedrijf 1] ( [bedrijf 2] ) heeft voor het belastingjaar 2017 aan de Belastingdienst gerenseigneerd dat in 2017 de wettelijke termijn na expiratie van een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule of een artikel 19-/44f-stamrecht is overschreden.
3. Bij brief van 25 april 2019 heeft verweerder aan eiser kenbaar gemaakt dat in verband met de expiratie van de [bedrijf 2] -verzekering het lijfrentekapitaal wordt betrokken in de belastingheffing omdat eiser niet tijdig is overgegaan tot vaststelling van lijfrentetermijnen of omzetting in een toegestane lijfrente. Verweerder heeft in deze brief de mogelijkheid aan eiser gegeven om aannemelijk te maken dat sprake is geweest van een verschoonbare termijnoverschrijding.
4. Bij brief van 2 mei 2019 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat sprake is geweest van verschoonbare termijnoverschrijding. Verweerder heeft toestemming aan eiser gegeven om ten aanzien van de [bedrijf 2] -verzekering vóór 1 juli 2019 de lijfrentetermijnen vast te stellen of om te zetten in een toegestane lijfrente. Verweerder heeft eiser verzocht de nieuwe lijfrentepolis dan wel het bewijs van verlenging aan hem te doen toekomen en medegedeeld dat als hij die stukken niet vóór 1 augustus 2019 heeft ontvangen, de [bedrijf 2] -verzekering dan alsnog geacht wordt te zijn afgekocht. Verweerder heeft geen bericht ontvangen van eiser.
5. Op 2 oktober 2019 heeft eiser een uitkering uit de [bedrijf 2] -verzekering ontvangen van € 49.119. Dit bedrag stond niet vermeld in de vooraf ingevulde aangifte IB/PVV 2019 en eiser heeft het bedrag niet opgenomen in zijn aangifte.
Verzekeringen [bedrijf 4]
6. Tot de stukken van het geding behoort een polisblad van [bedrijf 4] (polisnummer [# 1] ) waaruit blijkt dat eiser op 1 juli 1994 een verzekering bij [bedrijf 5] heeft afgesloten, welke verzekering is voortgezet bij [bedrijf 4] (hierna: [bedrijf 4] ). Uit het polisblad blijkt dat het gaat om een verzekering met lijfrenteclausule. Eiser heeft de betaalde premie in aftrek gebracht.
7. Tot de stukken van het geding behoort een polisblad van [bedrijf 4] (polisnummer [# 2] ) waaruit blijkt dat eiser op 1 juli 1998 een verzekering bij [bedrijf 5] heeft afgesloten, welke verzekering is voortgezet bij [bedrijf 4] . Uit het polisblad blijkt dat het gaat om een verzekering met lijfrenteclausule. Eiser heeft de betaalde premie in aftrek gebracht.
8. Eiser heeft beide verzekeringen bij [bedrijf 4] in 2019 laten uitbetalen. Vanuit de verzekeringspolis met nummer [# 1] heeft eiser op 24 juli 2019 een bedrag van € 21.968,35 ontvangen. Vanuit de verzekeringspolis met nummer [# 2] heeft eiser een bedrag van € 7.025,48 ontvangen.
9. [bedrijf 4] heeft over het belastingjaar 2019 aan de Belastingdienst gerenseigneerd dat in 2019 door eiser twee lijfrentepolissen zijn afgekocht voor een bedrag van € 21.968 respectievelijk € 7.025. Beide bedragen stonden opgenomen in box 1 in de vooraf ingevulde aangifte IB/PVV 2019 en zijn door eiser in box 1 overgenomen in zijn aangifte.
Aanslag IB/PVV 2019
10. Verweerder heeft met dagtekening 9 december 2022 de aanslag IB/PVV 2019 opgelegd aan eiser. Daarbij zijn de verzekeringsuitkeringen vanuit de drie hiervoor genoemde polissen in verband met de (fictieve) afkoop in box 1 in de heffing betrokken en hierover is revisierente in rekening gebracht. De revisierente die was berekend over de afkoopwaarde van de [bedrijf 2] -verzekering is in bezwaarfase verminderd tot nihil. De belastingrente is dienovereenkomstig verminderd.”
3Geschil in hoger beroep
In hoger beroep is in geschil of de aanslag, alsmede de beschikkingen revisierente en belastingrente terecht en naar de juiste bedragen zijn vastgesteld.
4Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft het volgende overwogen:
“Verzekeringspolissen en saldomethode
14. Eiser stelt dat de verzekeringsuitkeringen niet in box 1 maar in box 3 belast moeten worden. Er is sprake geweest van een eenmalige storting van een bedrag op de datum waarop de verzekeringen zijn afgesloten. Omdat sprake is van eenmalige stortingen zijn de uitkeringen het resultaat van eenmalige beleggingen en die zouden volgens eiser moeten worden belast in box 3. Volgens eiser is pas sprake van een lijfrente als gedurende de looptijd van de verzekering jaarlijks premie wordt betaald en de uitkering na de einddatum daadwerkelijk wordt omgezet in een lijfrente. Eiser betoogt dat omdat er bij het aangaan van de verzekeringen geen overeenkomst of verplichting bestond dat de uitkeringen moesten worden aangewend als lijfrente, maar er op de einddatum een keuzemogelijkheid is een lijfrente aan te gaan of de verzekering tot uitkering te laten komen, deze verzekeringen niet kunnen worden aangemerkt als lijfrenten. Daarnaast stelt eiser dat als de uitkeringen wel in box 1 moeten worden belast, deze moeten worden gecorrigeerd met de bij aanvang ingelegde gelden omdat anders sprake is van dubbele belastingheffing.
15. Ter zitting heeft eiser aangevuld dat hij de uitkeringsbedragen niet in box 3 in de aangifte IB/PVV heeft opgenomen omdat hij de vooraf ingevulde aangifte heeft gevolgd. Verder heeft eiser ter zitting gesteld dat de belastingheffing over de verzekeringsuitkeringen in strijd is met artikel 14 van het EVRM en artikel 1 van het EP EVRM. Eiser verwijst daarbij naar het arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963 (hierna: het Kerstarrest). Volgens eiser houdt het recht op ongestoord eigendom van artikel 1 van het EP EVRM in dat een eigenaar vrij is om te besluiten of sprake is van een lijfrente (door ervoor te kiezen om de uitkering van de verzekering aan te wenden als lijfrente) of een beleggingsproduct (door ervoor te kiezen om de verzekering te laten uitkeren) en dus om het uitkeringsbedrag op te nemen in box 1 dan wel box 3. Die keuze wordt gemaakt op de einddatum. Dat bij het afsluiten van de verzekering een lijfrenteclausule overeen is gekomen is niet relevant omdat pas op de einddatum duidelijk wordt of sprake is van een lijfrente of niet, aldus eiser. Eiser betoogt dat de Belastingdienst niet mag voorschrijven welke keuze de eigenaar moet maken omdat dat in strijd is met artikel 1 van het EP EVRM.
16. Verweerder stelt dat de verzekeringsuitkeringen terecht zijn opgenomen in box 1. Ten aanzien van de [bedrijf 2] -verzekering is verweerder afgegaan op het renseignement. Bovendien gaat het om een pre-Brede Herwaarderingspolis, wat het vermoeden geeft dat sprake is van een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule. Vervolgens is het aan eiser om aannemelijk te maken dat geen sprake is van een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule en daarin is eiser niet geslaagd. Ter zitting heeft verweerder aangevuld te vermoeden dat de lijfrenteclausule staat opgenomen in “Aanhangsel 1” bij de polis van de [bedrijf 2] -verzekering en dat eiser dit stuk niet heeft overgelegd. Ten aanzien van de [bedrijf 4] -polissen heeft verweerder aan de hand van de ter zitting overgelegde verzekeringspolissen geconstateerd dat sprake is van een verzekering met lijfrenteclausule. Dit ondersteunt het standpunt van verweerder dat de uitgekeerde bedragen terecht in box 1 zijn belast. Het standpunt van eiser dat de verzekeringen ongeacht of sprake is van een lijfrenteclausule moeten worden belast in box 3 vindt geen steun in het recht, aldus verweerder. Met betrekking tot de saldomethode stelt verweerder dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de premie met betrekking tot de [bedrijf 2] -verzekering in het verleden niet in aftrek heeft gebracht. Daarnaast heeft eiser ter zitting verklaard dat hij de premies voor de [bedrijf 4] -verzekeringen in het verleden in aftrek heeft gebracht voor de jaren dat deze betaald zijn. Om die reden kan de saldomethode niet worden toegepast.
17. De rechtbank oordeelt dat de verzekeringsuitkeringen terecht in box 1 zijn belast en overweegt daartoe als volgt.
18. Voor de [bedrijf 2] -verzekering geldt het volgende. Op grond van artikel I, onderdeel O, eerste lid, van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001(hierna: IW IB 2001) blijven bij het bepalen van het inkomen uit op 31 december 2000 bestaande aanspraken op periodieke uitkeringen of verstrekkingen (waaronder kapitaalverzekeringen met lijfrenteclausule) de regels van toepassing die op 31 december 2000 golden op grond van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: Wet IB 1964). Artikel 75 van de Wet IB 1964 behoort tot die geldende regels. Op grond van artikel 75 van de Wet IB 1964 blijft het regime dat gold direct voorafgaande aan de inwerkingtreding op 1 januari 1992 van de Wet van 12 december 1991, Stb. 697 (hierna: het pre-Brede Herwaarderingsregime) – onder voorwaarden – van toepassing met betrekking tot op 31 december 1991 bestaande aanspraken op periodieke uitkeringen of verstrekkingen. Afkoop van een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule was onder het pre-Brede Herwaarderingsregime belast op grond van artikel 31, eerste lid, van de Wet IB 1964. Overigens voorziet ook artikel I, onderdeel O, vierde lid, van de IW IB 2001 in belastingheffing over afkoop van kapitaalverzekeringen met lijfrenteclausule die zijn afgesloten onder het pre-Brede Herwaarderingsregime.
19. De rechtbank stelt aan de hand van het renseignement van [bedrijf 1] ( [bedrijf 2] ) vast dat de [bedrijf 2] -verzekering een onder het pre-Brede Herwaarderingsregime afgesloten kapitaalverzekering met lijfrenteclausule is. Verweerder mocht op de juistheid van dit renseignement afgaan en eiser heeft geen feiten gesteld of stukken overgelegd waaruit blijkt dat geen sprake is van een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule. De rechtbank stelt vervolgens vast dat blijkens het polisblad de keuze-einddatum van de [bedrijf 2] -verzekering 24 juli 2017 was en dat eiser de omvang van de lijfrentetermijnen nog niet had vastgesteld of omgezet in een kwalificerende lijfrente. Met deze vaststellingen komt het oordeel dat op basis van artikel I, onderdeel O, eerste lid, van de IW IB 2001 jo. artikel 75 jo. artikel 31 van de Wet IB 1964 de (fictieve) afkoopsom belast is in box 1.
20. Tussen partijen is niet in geschil dat als de uitkering vanuit de [bedrijf 2] -verzekering is onderworpen aan belastingheffing, die heffing in 2019 dient plaats te vinden. De rechtbank overweegt daarover nog dat naar haar oordeel belastingheffing in het jaar 2019 volgt uit de verlenging van de termijn tot vaststelling van de lijfrentetermijnen/omzetting in een kwalificerende lijfrente tot 1 juli 2019. Hoewel op basis van artikel 3.133, derde lid, van de Wet IB 2001 de uiterste afkoopdatum van de [bedrijf 2] -verzekering 31 december 2018 wordt geacht te zijn, maakt de verlenging van deze termijn door verweerder dat redelijk is dat de termijn voor vaststelling/omzetting is verschoven naar het jaar 2019 en met het verstrijken van die redelijke termijn in 2019 de belastingheffing in dat jaar plaatsvindt (vgl. gerechtshof Amsterdam, 13 juni 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:CA3285).
21. Van de [bedrijf 4] -verzekeringen is uit de ter zitting overgelegde polisbladen gebleken dat het verzekeringen met lijfrenteclausule betreft. Het betreffen Brede Herwaardering-verzekeringspolissen aangezien de verzekeringen zijn afgesloten op 1 juli 1994 en 1 juli 1998. Op basis van artikel I, onderdeel T, van de IW IB 2001 jo. afdeling 3.8 van de Wet IB 2001 zijn de uitkeringen belast in box 1.
22. Vervolgens moet de rechtbank beoordelen of de zogenoemde saldomethode kan worden toegepast. De saldomethode houdt in dat de uitkeringen worden belast voor zover deze de betaalde premies overtreffen. Betaalde premies die in aftrek konden worden gebracht, ongeacht of deze in aftrek zijn gebracht, komen niet in mindering op de ontvangen uitkeringen (vgl. gerechtshof Amsterdam 1 november 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:4916). In dit laatste geval kan eventueel worden toegekomen aan de verruimde saldomethode op basis van goedkeurend beleid zoals opgenomen in de resolutie van 29 juni 1990, DB 90/3579, BNB 1990/341.
23. Voor de [bedrijf 2] -verzekering geldt dat op basis van artikel I, onderdeel O, eerste lid, van de IW IB 2001 jo. artikel 25, eerste en zevende lid, van de Wet IB 1964 (wettekst 1991) in beginsel plaats is voor toepassing van de saldomethode. Voor de [bedrijf 4] -verzekeringen geldt op basis van artikel I, onderdeel O, eerste lid, van de IW IB 2001 jo. artikel 25, eerste lid, onderdeel g, van de Wet IB 1964 (wettekst 2000) hetzelfde. Ten aanzien van de [bedrijf 2] -verzekering overweegt de rechtbank dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de premie niet in aftrek heeft gebracht. Daarbij komt dat gelet op het karakter van de verzekering (een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule) de rechtbank het veeleer aannemelijk acht dat eiser de premie wel in aftrek heeft gebracht. Toepassing van de saldomethode is daarmee niet aan de orde. Voor de [bedrijf 4] -verzekeringen geldt dat eiser heeft bevestigd de premies in aftrek te hebben gebracht, zodat deze in het onderhavige jaar niet meer in mindering kunnen worden gebracht op basis van de saldomethode. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat verweerder terecht het gehele bedrag van de verzekeringsuitkeringen heeft belast, zonder daarop de betaalde premies in mindering te brengen.
24. De stelling van eiser dat de verzekeringsuitkeringen in box 3 moeten worden belast omdat in feite sprake is van een beleggingsproduct en niet van een lijfrente omdat bij expiratie van de verzekeringen niet is gekozen voor het vaststellen van lijfrentetermijnen maar voor uitkering ineens vindt geen steun in de wet.
25. Ten aanzien van de stelling van eiser dat belastingheffing over de verzekeringsuitkeringen in strijd komt met artikel 1 van het EP EVRM en het discriminatieverbod van artikel 14 van het EVRM overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank stelt voorop dat belastingheffing een inmenging is in het door artikel 1 van het EP EVRM gewaarborgde recht op ongestoord genot van eigendom. Deze inmenging is in het algemeen gerechtvaardigd. Wel moet die inmenging volgens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (i) ‘lawful’ zijn, oftewel een nationale wettelijke basis hebben, (ii) een ‘legitimate aim’ dienen, oftewel een legitiem doel in het algemeen belang dienen en (iii) een ‘fair balance’ tussen de belangen van het betrokken individu en het algemene belang respecteren. Vereist is dat het toepasselijke nationale recht voldoende toegankelijk, precies en voorzienbaar in de uitwerking is. Bij de beoordeling of de belastingheffing die ‘fair balance’ respecteert, gaat het erom of er een redelijke, proportionele verhouding is tussen de gehanteerde middelen en het met de heffing beoogde doel. Van deze ‘fair balance’ is geen sprake als de betrokken persoon wordt getroffen door een individuele en buitensporige last. Zowel met betrekking tot die middelen als met betrekking tot hun geschiktheid om dat doel te bereiken heeft de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid. Uit de parlementaire geschiedenis van de belastingherziening 2001 volgt dat de wetgever een uitvoerige belangenafweging heeft gemaakt, vgl. Hoge Raad 11 augustus 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY6002 en de daaraan voorafgaande uitspraak van gerechtshof ’s-Gravenhage, 26 november 2003, ECLI:NL:GHSGR:2003:AO2809, r.o. 6.16 e.v. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de wetgever daarbij de grenzen van de hem toekomende ruime beoordelingsvrijheid niet overschreden en kan niet worden gezegd dat de belastingheffing over (kapitaal)verzekeringen met lijfrenteclausule evident van elke redelijke grond is ontbloot. Uit hetgeen eiser heeft aangevoerd kan niet worden afgeleid dat de belastingheffing voor hem leidt tot een individuele en buitensporige last, wat overigens ook niet door eiser is gesteld. Ten aanzien van artikel 14 van het EVRM oordeelt de rechtbank dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat andere belastingplichtigen die feitelijk en juridisch in dezelfde omstandigheden verkeren gunstiger worden behandeld waardoor sprake zou zijn van discriminatie. Dit alles leidt tot het oordeel dat de artikelen 1 van het EP EVRM en 14 van het EVRM niet zijn geschonden.
Revisierente
26. Ten aanzien van de revisierente stelt eiser dat het in rekening brengen daarvan onrechtvaardig, onredelijk en onevenredig is en in strijd met artikel 1 van het EP EVRM. Eiser verwijst daarbij naar het Kerstarrest. Ter onderbouwing van dit standpunt betoogt eiser dat het percentage van 20% niet overeenkomt met het reële verlies aan gederfde rente-inkomsten. Bovendien stelt eiser dat de revisierente arbitrair is, aangezien de Belastingdienst uitzonderingsregels hanteert. Verweerder heeft de standpunten van eiser gemotiveerd weersproken.
27. De rechtbank oordeelt als volgt. Verweerder heeft de revisierente berekend in overeenstemming met artikel 30i van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr). Het standpunt van eiser dat de in rekening gebrachte revisierente onredelijk en onevenredig uitpakt en hij de revisierente als onrechtvaardig ervaart, kan eiser niet helpen. Het in rekening brengen van revisierente en het door verweerder gehanteerde rentepercentage vloeien rechtstreeks voort uit de wet. De rechter is, gelet op artikel 11 van de Wet van 15 mei 1829, houdende algemeene bepalingen der wetgeving van het Koninkrijk, niet bevoegd de innerlijke waarde of billijkheid van de wet te toetsen.
28. Ook het beroep op artikel 1 van het EP EVRM en de verwijzing naar het Kerstarrest kunnen eiser niet baten. Uit de wetsgeschiedenis van de revisierente volgt dat wetgever met de regeling van de revisierente beoogt het onderhoudskarakter van de lijfrentevoorziening te bewaren (vgl. Kamerstukken II 1999-2000, 26728, nr. 6, p. 42-34). Daarnaast volgt uit de wetgeschiedenis dat de revisierente naar de bedoeling van de wetgever een (rente)vergoeding is voor het feit dat de belasting over de premies én het behaalde rendement pas op een (veel) later tijdstip is verschuldigd dan ingeval de lijfrente vanaf het begin als een niet fiscaal gefaciliteerd spaarproduct zou zijn behandeld. Met het geheel van negatieve uitgaven en revisierente wordt voorkomen dat een belastingplichtige die een lijfrente waarvoor premieaftrek is genoten in een later stadium afkoopt, per saldo beter af zou zijn dan een belastingplichtige die van begin af aan zijn geld zou hebben belegd in een regulier spaarproduct dat onder het forfaitaire rendement valt (vgl. Kamerstukken II, 1998-1999, 26728, A, p. 12). Naar het oordeel van de rechtbank streeft de wetgever met de revisierente een legitiem doel na en is de wetgever gebleven binnen de hem toekomende ruime beoordelingsmarge. Van de wettelijke regeling van de revisierente kan niet worden gezegd dat zij evident van elke redelijke grond is ontbloot. Bovendien geeft hetgeen eiser heeft aangevoerd geen aanleiding om te constateren dat sprake is van een individuele en buitensporige last (zie ook rechtsoverweging 25).
29. Wat betreft de stelling van eiser over het arbitrair zijn van de revisierente vanwege het uitzonderingsbeleid van de Belastingdienst overweegt de rechtbank als volgt. Ter zitting is gebleken dat het uitzonderingsbeleid waar eiser op doelt de tegenbewijsregeling van artikel 30i, derde lid, van de Awr betreft op grond waarvan kan worden afgeweken van het vaste rentepercentage van 20%. De rechtbank begrijpt de stelling van eiser dat de revisierente arbitrair is zo dat hij een beroep doet op de schending van het gelijkheidsbeginsel. De rechtbank oordeelt dat geen sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel. Eiser vergelijkt zijn situatie met belastingplichtigen die een aanspraak hebben bedongen minder dan tien jaren voordat de belastingheffing ter zake plaatsvindt, zodat eiser en die belastingplichtigen zich feitelijk noch juridisch in dezelfde positie bevinden.
Belastingrente
30. Eiser stelt zich op het standpunt dat het berekenen van belastingrente over revisierente onjuist en onrechtvaardig is. Verweerder stelt dat de belastingrente terecht en tot een juist bedrag is berekend.
31. De rechtbank oordeelt dat de belastingrente terecht en tot een juist bedrag is berekend en overweegt hiertoe als volgt. Op grond van de artikelen 30j en 30fc van de Awr mag over het verschuldigde bedrag aan revisierente ook belastingrente worden berekend. De mogelijkheid tot het berekenen van revisierente over belastingrente volgt bovendien uit de parlementaire geschiedenis van de revisierente (Kamerstukken II, 1988-1989, 21198, nr. 3, blz. 115 en zie rechtbank Zeeland-West-Brabant, 20 september 2016, ECLI:NL:RBZWB:2016:5786). De belastingrente is daarom tot het juiste bedrag berekend.”
5Beoordeling van het geschil in hoger beroep
5.1
Het Hof is van oordeel dat de rechtbank in onderdelen 14 tot en met 31 van haar uitspraak op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen en maakt deze gronden en beslissing derhalve tot de zijne. Het Hof voegt hier het volgende aan toe.
5.2.
Evenals in eerste aanleg betoogt belanghebbende in hoger beroep dat de uitkeringen op de verzekeringen niet in box 1, maar in box 3 belast dienen te worden. Hij wijst ter onderbouwing op de omstandigheid dat geen uitvoering is gegeven aan de lijfrenteclausules en dat sprake was van eenmalige uitkeringen (en dus niet van periodieke uitkeringen). Voorts wijst hij op de wet fiscaal kwalificatiebeleid (het Hof begrijpt: de Wet fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen, Staatsblad 2023, 508).
Daarnaast herhaalt belanghebbende zijn standpunten inzake strijdigheid met het EVRM, meer in het bijzonder artikel 1 van het eerste protocol daarbij (artikel 1 EP). Hij meent dat de Belastingdienst, nu deze geen partij is bij de verzekeringsovereenkomst, niet dwingend kan voorschrijven hoe de fiscale behandeling van de uitkeringen dient plaats te vinden zonder schending van het eigendomsrecht. De interpretatie van de Belastingdienst beperkt het beschikkingsrecht van belanghebbende en leidt tot een disproportionele belastingdruk, aldus belanghebbende. Belanghebbende wijst hierbij op de relevantie van het kerstarrest (het arrest van de HR van 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963) en verbindt aan het in artikel 1 EP bepaalde eveneens de gevolgtrekking dat het beleggingsresultaat van de verzekeringspolissen in box 3 belast dient te worden).
Ook meent hij dat de loonheffing die is ingehouden van de bij de afkopen ontvangen uitkeringen aan hem dient te worden (terug)betaald. Belanghebbende voegt hieraan toe dat hij begrijpt dat het Hof zich mogelijk moet beperken tot de Nederlandse wetgeving en deze niet aan het EVRM kan toetsen.
Belanghebbende heeft in hoger beroep geen afzonderlijke gronden gericht tegen de beschikkingen revisierente en belastingrente noch tegen de overwegingen van de rechtbank daarover (het Hof wijst dienaangaande naar 5.1 en de betreffende overwegingen van de rechtbank).
Heffing in box 1 of box 3
5.3.1.
Aan hetgeen de rechtbank heeft overwogen om tot de conclusie te komen dat belastingheffing over de verzekeringsuitkeringen in box 1, en dus niet in box 3, dient plaats te vinden, voegt het Hof het volgende toe. De heffing in box 1 over de uitkeringen dient niet te worden beschouwd als een geïsoleerd belastingnadeel. Het is een gevolg van de omkeerregel en het vormt een onderdeel van een heffingssysteem dat door de aanwezigheid van een daartegenover staand belastingvoordeel een zeker evenwicht vertoont. Dat belastingvoordeel bestaat in elk geval uit de belastingaftrek van de in eerdere jaren betaalde premies. Daar komt bij dat de waarde van de verzekeringen voorafgaande aan de afkoop niet tot belastingheffing in box 3 heeft geleid.
5.3.2.
Bij de diverse wetswijzigingen die sinds het overeenkomen van de verzekeringen plaats hebben gehad, is steeds sprake geweest van eerbiedigende werking van oude polissen. Deze eerbiedigende werking heeft betrekking op de belastbaarheid in de toekomst van de te ontvangen inkomsten (zoals de verzekeringsuitkeringen). De samenhang van het systeem – de uitruil van het belastingvoordeel, dat de aftrekbaarheid van de premiebetalingen vormt, tegen latere belastbaarheid van de ontvangsten – maakt deze eerbiedigende werking ook logisch. De belastingheffing in box 1 is dan ook niet naar willekeur gekozen, maar vormt onderdeel van een package deal. Want de wetgever heeft nu juist de premiebetalingen in aftrek toegelaten met het oog op de latere belastingheffing over de verzekeringsuitkeringen (of over de lijfrentetermijnen indien voor omzetting in lijfrentes zou zijn gekozen). Het zou niet passen als een belastingplichtige, na te hebben genoten van het belastingvoordeel, de package deal eenzijdig zou kunnen doorbreken door het daarmee verband houdende belastingnadeel van heffing tegen de progressieve tarieven in box 1 te ontgaan. Daarom bepaalt de wet dat onderhavige verzekeringsuitkeringen onder de omkeerregel in box 1 worden belast (en tot dat moment niet tot de bezitting van box 3 behoren).
5.3.3.
De invoering van de Wet fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen maakt het in 5.3.1 en 5.3.2 overwogene niet anders. Bedoelde wet roept regels in het leven voor de kwalificatie voor Nederlandse fiscale doeleinden van (buitenlandse) rechtsvormen en – anders dan belanghebbende kennelijk meent – niet voor de kwalificatie van (uitkeringen uit) verzekeringsproducten in box 1 of in box 3.
Artikel 1 EP
5.4.1.
Aan het door de rechtbank overwogene (en door het Hof overgenomene) ten aanzien van de door belanghebbende gestelde strijd met artikel 1 EP voegt het Hof nog het volgende toe.
5.4.2.
Het betoog van belanghebbende, dat het de inspecteur niet is toegestaan dwingend de fiscale behandeling voor te schrijven van een overeenkomst waarbij hij geen partij is, geeft blijk van een onjuiste veronderstelling. Het is namelijk niet de inspecteur (noch de Belastingdienst) die de fiscale behandeling van verzekeringsovereenkomsten voorschrijft. De fiscale behandeling is door de wetgever in wettelijke bepalingen neergelegd en de inspecteur heeft de taak deze uit te voeren. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen is de wetgever hiermee niet getreden buiten zijn bevoegdheden zich te mengen in het door artikel 1 EP gewaarborgde recht op ongestoord genot van eigendom. Voor zover belanghebbende zich op het standpunt stelt dat de heffing over de verzekeringsuitkeringen leidt tot een individuele en buitensporige last volgt het Hof dat niet. Allereerst niet omdat daartoe vereist is dat deze last (de belastingheffing) zich in belanghebbendes geval sterker laat voelen dan in het algemeen (zie o.a. HR 17 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:442) en dat is niet aannemelijk geworden. Daarnaast betreft de belastingheffing slechts een gedeelte betreft van de daadwerkelijk in contanten genoten uitkeringen, waarbij (aannemelijk is dat) in het verleden premieaftrek is genoten. De verwijzing door belanghebbende naar het kerstarrest (zie 5.2) maakt het voorgaande niet anders.
Loonheffing
5.5.
Ten aanzien van het standpunt van belanghebbende dat de ingehouden loonbelasting aan hem gerestitueerd dient te worden overweegt het Hof dat in de aanslag de ingehouden loonheffing van € 15.376 in lijn met artikel 9.2, lid 1 aanhef en onderdeel a, Wet IB 2001 als voorheffing in aanmerking is genomen. Dat wil zeggen dat dit bedrag in mindering is gebracht bij het bepalen van belanghebbendes inkomstenbelastingschuld. Voor een additionele restitutie is dan ook geen plaats. Daar komt bij dat de onderhavige procedure gaat over de aanslag en de daarmee verband houdende beschikkingen revisierente en belastingrente. De door de verzekeraars (in 2019 en daarvoor) ingehouden loonheffing valt buiten het bestek van deze procedure, zodat het Hof daar geen oordeel over kan geven.
Slotsom
5.6.
De slotsom is dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.
6Kosten
Voor een kostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
7Beslissing
Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door mrs. J-P.R. van den Berg, voorzitter, H.E. Kostense en N. Djebali, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. H.M. Nijland als griffier. De beslissing is op 25 augustus 2026 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:
kenmerk 25/244
25 augustus 2026
uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X]
, wonende te [Z] , belanghebbende,
tegen de uitspraak van 26 november 2024 in de zaak met kenmerk HAA 23/7026 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2019 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: ib/pvv) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 90.769 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 75 (hierna: de aanslag). Gelijktijdig heeft de inspecteur een beschikking revisierente van € 15.621 en een beschikking belastingrente van € 3.469 vastgesteld.
1.2.
Bij uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur de aanslag ib/pvv gehandhaafd en de beschikking revisierente verminderd tot € 5.789 en de beschikking belastingrente verminderd tot € 2.563.
1.3.
Belanghebbende heeft beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een nader stuk ingediend.
1.5.
Desgevraagd hebben beide partijen kenbaar gemaakt geen zitting te wensen. Het onderzoek is op 29 april 2026 gesloten.
2Feiten
Het Hof zal uitgaan van de volgende door de rechtbank vastgestelde feiten (belanghebbende en de inspecteur worden in de uitspraak van de rechtbank aangeduid als ‘eiser’ respectievelijk ‘verweerder’):
“Verzekering [bedrijf 1] ( [bedrijf 2] )
1. Tot de stukken van het geding behoort een mantelovereenkomst, waaruit blijkt dat eiser een zogenoemde “Hoogrentende Spaarpot Polis” heeft afgesloten bij [bedrijf 3] . Deze verzekeringspolis (hierna: de [bedrijf 2] -verzekering) is uiteindelijk overgenomen door verzekeraar [bedrijf 1] ( [bedrijf 2] ). In het polisspecificatieblad staat, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:
“Ingangsdatum : 24-12-1990
Keuze-einddatum : 24-07-2017
Absolute eindatum : 01-07-2027
(…)
Voorwaarden van verzekering : V.V. 90/12
Naam verzekeringnemer : Drs [X]
(…)
Naam verzekerde : [X]
(…)
BEGUNSTIGING
Eerste begunstigde : De verzekeringnemer
(…)
Verzekerde uitkeringen :
ECU 49.119,- bij het in leven zijn van de verzekerde op de keuze-einddatum. Indien, op verzoek van 1) de verzekeringnemer of, na diens overlijden 2) de begunstigde, niet wordt uitbetaald op de keuze-einddatum dan wordt de waarde van de polis bij in leven zijn van de verzekerde uitbetaald op elk verkozen later tijdstip doch uiterlijk op de dag waarop de verzekerde 75 jaar wordt (= absolute einddatum).
(…)
Bijzondere bepalingen :
Bij deze polis behoort aanhangsel 1
Premie/Koopsom ECU : 7.378,-”
Aanhangsel 1 behorende bij de [bedrijf 2] -verzekering heeft eiser niet overgelegd en behoort dus niet tot de gedingstukken.
2. [bedrijf 1] ( [bedrijf 2] ) heeft voor het belastingjaar 2017 aan de Belastingdienst gerenseigneerd dat in 2017 de wettelijke termijn na expiratie van een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule of een artikel 19-/44f-stamrecht is overschreden.
3. Bij brief van 25 april 2019 heeft verweerder aan eiser kenbaar gemaakt dat in verband met de expiratie van de [bedrijf 2] -verzekering het lijfrentekapitaal wordt betrokken in de belastingheffing omdat eiser niet tijdig is overgegaan tot vaststelling van lijfrentetermijnen of omzetting in een toegestane lijfrente. Verweerder heeft in deze brief de mogelijkheid aan eiser gegeven om aannemelijk te maken dat sprake is geweest van een verschoonbare termijnoverschrijding.
4. Bij brief van 2 mei 2019 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat sprake is geweest van verschoonbare termijnoverschrijding. Verweerder heeft toestemming aan eiser gegeven om ten aanzien van de [bedrijf 2] -verzekering vóór 1 juli 2019 de lijfrentetermijnen vast te stellen of om te zetten in een toegestane lijfrente. Verweerder heeft eiser verzocht de nieuwe lijfrentepolis dan wel het bewijs van verlenging aan hem te doen toekomen en medegedeeld dat als hij die stukken niet vóór 1 augustus 2019 heeft ontvangen, de [bedrijf 2] -verzekering dan alsnog geacht wordt te zijn afgekocht. Verweerder heeft geen bericht ontvangen van eiser.
5. Op 2 oktober 2019 heeft eiser een uitkering uit de [bedrijf 2] -verzekering ontvangen van € 49.119. Dit bedrag stond niet vermeld in de vooraf ingevulde aangifte IB/PVV 2019 en eiser heeft het bedrag niet opgenomen in zijn aangifte.
Verzekeringen [bedrijf 4]
6. Tot de stukken van het geding behoort een polisblad van [bedrijf 4] (polisnummer [# 1] ) waaruit blijkt dat eiser op 1 juli 1994 een verzekering bij [bedrijf 5] heeft afgesloten, welke verzekering is voortgezet bij [bedrijf 4] (hierna: [bedrijf 4] ). Uit het polisblad blijkt dat het gaat om een verzekering met lijfrenteclausule. Eiser heeft de betaalde premie in aftrek gebracht.
7. Tot de stukken van het geding behoort een polisblad van [bedrijf 4] (polisnummer [# 2] ) waaruit blijkt dat eiser op 1 juli 1998 een verzekering bij [bedrijf 5] heeft afgesloten, welke verzekering is voortgezet bij [bedrijf 4] . Uit het polisblad blijkt dat het gaat om een verzekering met lijfrenteclausule. Eiser heeft de betaalde premie in aftrek gebracht.
8. Eiser heeft beide verzekeringen bij [bedrijf 4] in 2019 laten uitbetalen. Vanuit de verzekeringspolis met nummer [# 1] heeft eiser op 24 juli 2019 een bedrag van € 21.968,35 ontvangen. Vanuit de verzekeringspolis met nummer [# 2] heeft eiser een bedrag van € 7.025,48 ontvangen.
9. [bedrijf 4] heeft over het belastingjaar 2019 aan de Belastingdienst gerenseigneerd dat in 2019 door eiser twee lijfrentepolissen zijn afgekocht voor een bedrag van € 21.968 respectievelijk € 7.025. Beide bedragen stonden opgenomen in box 1 in de vooraf ingevulde aangifte IB/PVV 2019 en zijn door eiser in box 1 overgenomen in zijn aangifte.
Aanslag IB/PVV 2019
10. Verweerder heeft met dagtekening 9 december 2022 de aanslag IB/PVV 2019 opgelegd aan eiser. Daarbij zijn de verzekeringsuitkeringen vanuit de drie hiervoor genoemde polissen in verband met de (fictieve) afkoop in box 1 in de heffing betrokken en hierover is revisierente in rekening gebracht. De revisierente die was berekend over de afkoopwaarde van de [bedrijf 2] -verzekering is in bezwaarfase verminderd tot nihil. De belastingrente is dienovereenkomstig verminderd.”
3Geschil in hoger beroep
In hoger beroep is in geschil of de aanslag, alsmede de beschikkingen revisierente en belastingrente terecht en naar de juiste bedragen zijn vastgesteld.
4Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft het volgende overwogen:
“Verzekeringspolissen en saldomethode
14. Eiser stelt dat de verzekeringsuitkeringen niet in box 1 maar in box 3 belast moeten worden. Er is sprake geweest van een eenmalige storting van een bedrag op de datum waarop de verzekeringen zijn afgesloten. Omdat sprake is van eenmalige stortingen zijn de uitkeringen het resultaat van eenmalige beleggingen en die zouden volgens eiser moeten worden belast in box 3. Volgens eiser is pas sprake van een lijfrente als gedurende de looptijd van de verzekering jaarlijks premie wordt betaald en de uitkering na de einddatum daadwerkelijk wordt omgezet in een lijfrente. Eiser betoogt dat omdat er bij het aangaan van de verzekeringen geen overeenkomst of verplichting bestond dat de uitkeringen moesten worden aangewend als lijfrente, maar er op de einddatum een keuzemogelijkheid is een lijfrente aan te gaan of de verzekering tot uitkering te laten komen, deze verzekeringen niet kunnen worden aangemerkt als lijfrenten. Daarnaast stelt eiser dat als de uitkeringen wel in box 1 moeten worden belast, deze moeten worden gecorrigeerd met de bij aanvang ingelegde gelden omdat anders sprake is van dubbele belastingheffing.
15. Ter zitting heeft eiser aangevuld dat hij de uitkeringsbedragen niet in box 3 in de aangifte IB/PVV heeft opgenomen omdat hij de vooraf ingevulde aangifte heeft gevolgd. Verder heeft eiser ter zitting gesteld dat de belastingheffing over de verzekeringsuitkeringen in strijd is met artikel 14 van het EVRM en artikel 1 van het EP EVRM. Eiser verwijst daarbij naar het arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963 (hierna: het Kerstarrest). Volgens eiser houdt het recht op ongestoord eigendom van artikel 1 van het EP EVRM in dat een eigenaar vrij is om te besluiten of sprake is van een lijfrente (door ervoor te kiezen om de uitkering van de verzekering aan te wenden als lijfrente) of een beleggingsproduct (door ervoor te kiezen om de verzekering te laten uitkeren) en dus om het uitkeringsbedrag op te nemen in box 1 dan wel box 3. Die keuze wordt gemaakt op de einddatum. Dat bij het afsluiten van de verzekering een lijfrenteclausule overeen is gekomen is niet relevant omdat pas op de einddatum duidelijk wordt of sprake is van een lijfrente of niet, aldus eiser. Eiser betoogt dat de Belastingdienst niet mag voorschrijven welke keuze de eigenaar moet maken omdat dat in strijd is met artikel 1 van het EP EVRM.
16. Verweerder stelt dat de verzekeringsuitkeringen terecht zijn opgenomen in box 1. Ten aanzien van de [bedrijf 2] -verzekering is verweerder afgegaan op het renseignement. Bovendien gaat het om een pre-Brede Herwaarderingspolis, wat het vermoeden geeft dat sprake is van een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule. Vervolgens is het aan eiser om aannemelijk te maken dat geen sprake is van een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule en daarin is eiser niet geslaagd. Ter zitting heeft verweerder aangevuld te vermoeden dat de lijfrenteclausule staat opgenomen in “Aanhangsel 1” bij de polis van de [bedrijf 2] -verzekering en dat eiser dit stuk niet heeft overgelegd. Ten aanzien van de [bedrijf 4] -polissen heeft verweerder aan de hand van de ter zitting overgelegde verzekeringspolissen geconstateerd dat sprake is van een verzekering met lijfrenteclausule. Dit ondersteunt het standpunt van verweerder dat de uitgekeerde bedragen terecht in box 1 zijn belast. Het standpunt van eiser dat de verzekeringen ongeacht of sprake is van een lijfrenteclausule moeten worden belast in box 3 vindt geen steun in het recht, aldus verweerder. Met betrekking tot de saldomethode stelt verweerder dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de premie met betrekking tot de [bedrijf 2] -verzekering in het verleden niet in aftrek heeft gebracht. Daarnaast heeft eiser ter zitting verklaard dat hij de premies voor de [bedrijf 4] -verzekeringen in het verleden in aftrek heeft gebracht voor de jaren dat deze betaald zijn. Om die reden kan de saldomethode niet worden toegepast.
17. De rechtbank oordeelt dat de verzekeringsuitkeringen terecht in box 1 zijn belast en overweegt daartoe als volgt.
18. Voor de [bedrijf 2] -verzekering geldt het volgende. Op grond van artikel I, onderdeel O, eerste lid, van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001(hierna: IW IB 2001) blijven bij het bepalen van het inkomen uit op 31 december 2000 bestaande aanspraken op periodieke uitkeringen of verstrekkingen (waaronder kapitaalverzekeringen met lijfrenteclausule) de regels van toepassing die op 31 december 2000 golden op grond van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: Wet IB 1964). Artikel 75 van de Wet IB 1964 behoort tot die geldende regels. Op grond van artikel 75 van de Wet IB 1964 blijft het regime dat gold direct voorafgaande aan de inwerkingtreding op 1 januari 1992 van de Wet van 12 december 1991, Stb. 697 (hierna: het pre-Brede Herwaarderingsregime) – onder voorwaarden – van toepassing met betrekking tot op 31 december 1991 bestaande aanspraken op periodieke uitkeringen of verstrekkingen. Afkoop van een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule was onder het pre-Brede Herwaarderingsregime belast op grond van artikel 31, eerste lid, van de Wet IB 1964. Overigens voorziet ook artikel I, onderdeel O, vierde lid, van de IW IB 2001 in belastingheffing over afkoop van kapitaalverzekeringen met lijfrenteclausule die zijn afgesloten onder het pre-Brede Herwaarderingsregime.
19. De rechtbank stelt aan de hand van het renseignement van [bedrijf 1] ( [bedrijf 2] ) vast dat de [bedrijf 2] -verzekering een onder het pre-Brede Herwaarderingsregime afgesloten kapitaalverzekering met lijfrenteclausule is. Verweerder mocht op de juistheid van dit renseignement afgaan en eiser heeft geen feiten gesteld of stukken overgelegd waaruit blijkt dat geen sprake is van een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule. De rechtbank stelt vervolgens vast dat blijkens het polisblad de keuze-einddatum van de [bedrijf 2] -verzekering 24 juli 2017 was en dat eiser de omvang van de lijfrentetermijnen nog niet had vastgesteld of omgezet in een kwalificerende lijfrente. Met deze vaststellingen komt het oordeel dat op basis van artikel I, onderdeel O, eerste lid, van de IW IB 2001 jo. artikel 75 jo. artikel 31 van de Wet IB 1964 de (fictieve) afkoopsom belast is in box 1.
20. Tussen partijen is niet in geschil dat als de uitkering vanuit de [bedrijf 2] -verzekering is onderworpen aan belastingheffing, die heffing in 2019 dient plaats te vinden. De rechtbank overweegt daarover nog dat naar haar oordeel belastingheffing in het jaar 2019 volgt uit de verlenging van de termijn tot vaststelling van de lijfrentetermijnen/omzetting in een kwalificerende lijfrente tot 1 juli 2019. Hoewel op basis van artikel 3.133, derde lid, van de Wet IB 2001 de uiterste afkoopdatum van de [bedrijf 2] -verzekering 31 december 2018 wordt geacht te zijn, maakt de verlenging van deze termijn door verweerder dat redelijk is dat de termijn voor vaststelling/omzetting is verschoven naar het jaar 2019 en met het verstrijken van die redelijke termijn in 2019 de belastingheffing in dat jaar plaatsvindt (vgl. gerechtshof Amsterdam, 13 juni 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:CA3285).
21. Van de [bedrijf 4] -verzekeringen is uit de ter zitting overgelegde polisbladen gebleken dat het verzekeringen met lijfrenteclausule betreft. Het betreffen Brede Herwaardering-verzekeringspolissen aangezien de verzekeringen zijn afgesloten op 1 juli 1994 en 1 juli 1998. Op basis van artikel I, onderdeel T, van de IW IB 2001 jo. afdeling 3.8 van de Wet IB 2001 zijn de uitkeringen belast in box 1.
22. Vervolgens moet de rechtbank beoordelen of de zogenoemde saldomethode kan worden toegepast. De saldomethode houdt in dat de uitkeringen worden belast voor zover deze de betaalde premies overtreffen. Betaalde premies die in aftrek konden worden gebracht, ongeacht of deze in aftrek zijn gebracht, komen niet in mindering op de ontvangen uitkeringen (vgl. gerechtshof Amsterdam 1 november 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:4916). In dit laatste geval kan eventueel worden toegekomen aan de verruimde saldomethode op basis van goedkeurend beleid zoals opgenomen in de resolutie van 29 juni 1990, DB 90/3579, BNB 1990/341.
23. Voor de [bedrijf 2] -verzekering geldt dat op basis van artikel I, onderdeel O, eerste lid, van de IW IB 2001 jo. artikel 25, eerste en zevende lid, van de Wet IB 1964 (wettekst 1991) in beginsel plaats is voor toepassing van de saldomethode. Voor de [bedrijf 4] -verzekeringen geldt op basis van artikel I, onderdeel O, eerste lid, van de IW IB 2001 jo. artikel 25, eerste lid, onderdeel g, van de Wet IB 1964 (wettekst 2000) hetzelfde. Ten aanzien van de [bedrijf 2] -verzekering overweegt de rechtbank dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de premie niet in aftrek heeft gebracht. Daarbij komt dat gelet op het karakter van de verzekering (een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule) de rechtbank het veeleer aannemelijk acht dat eiser de premie wel in aftrek heeft gebracht. Toepassing van de saldomethode is daarmee niet aan de orde. Voor de [bedrijf 4] -verzekeringen geldt dat eiser heeft bevestigd de premies in aftrek te hebben gebracht, zodat deze in het onderhavige jaar niet meer in mindering kunnen worden gebracht op basis van de saldomethode. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat verweerder terecht het gehele bedrag van de verzekeringsuitkeringen heeft belast, zonder daarop de betaalde premies in mindering te brengen.
24. De stelling van eiser dat de verzekeringsuitkeringen in box 3 moeten worden belast omdat in feite sprake is van een beleggingsproduct en niet van een lijfrente omdat bij expiratie van de verzekeringen niet is gekozen voor het vaststellen van lijfrentetermijnen maar voor uitkering ineens vindt geen steun in de wet.
25. Ten aanzien van de stelling van eiser dat belastingheffing over de verzekeringsuitkeringen in strijd komt met artikel 1 van het EP EVRM en het discriminatieverbod van artikel 14 van het EVRM overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank stelt voorop dat belastingheffing een inmenging is in het door artikel 1 van het EP EVRM gewaarborgde recht op ongestoord genot van eigendom. Deze inmenging is in het algemeen gerechtvaardigd. Wel moet die inmenging volgens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (i) ‘lawful’ zijn, oftewel een nationale wettelijke basis hebben, (ii) een ‘legitimate aim’ dienen, oftewel een legitiem doel in het algemeen belang dienen en (iii) een ‘fair balance’ tussen de belangen van het betrokken individu en het algemene belang respecteren. Vereist is dat het toepasselijke nationale recht voldoende toegankelijk, precies en voorzienbaar in de uitwerking is. Bij de beoordeling of de belastingheffing die ‘fair balance’ respecteert, gaat het erom of er een redelijke, proportionele verhouding is tussen de gehanteerde middelen en het met de heffing beoogde doel. Van deze ‘fair balance’ is geen sprake als de betrokken persoon wordt getroffen door een individuele en buitensporige last. Zowel met betrekking tot die middelen als met betrekking tot hun geschiktheid om dat doel te bereiken heeft de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid. Uit de parlementaire geschiedenis van de belastingherziening 2001 volgt dat de wetgever een uitvoerige belangenafweging heeft gemaakt, vgl. Hoge Raad 11 augustus 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY6002 en de daaraan voorafgaande uitspraak van gerechtshof ’s-Gravenhage, 26 november 2003, ECLI:NL:GHSGR:2003:AO2809, r.o. 6.16 e.v. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de wetgever daarbij de grenzen van de hem toekomende ruime beoordelingsvrijheid niet overschreden en kan niet worden gezegd dat de belastingheffing over (kapitaal)verzekeringen met lijfrenteclausule evident van elke redelijke grond is ontbloot. Uit hetgeen eiser heeft aangevoerd kan niet worden afgeleid dat de belastingheffing voor hem leidt tot een individuele en buitensporige last, wat overigens ook niet door eiser is gesteld. Ten aanzien van artikel 14 van het EVRM oordeelt de rechtbank dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat andere belastingplichtigen die feitelijk en juridisch in dezelfde omstandigheden verkeren gunstiger worden behandeld waardoor sprake zou zijn van discriminatie. Dit alles leidt tot het oordeel dat de artikelen 1 van het EP EVRM en 14 van het EVRM niet zijn geschonden.
Revisierente
26. Ten aanzien van de revisierente stelt eiser dat het in rekening brengen daarvan onrechtvaardig, onredelijk en onevenredig is en in strijd met artikel 1 van het EP EVRM. Eiser verwijst daarbij naar het Kerstarrest. Ter onderbouwing van dit standpunt betoogt eiser dat het percentage van 20% niet overeenkomt met het reële verlies aan gederfde rente-inkomsten. Bovendien stelt eiser dat de revisierente arbitrair is, aangezien de Belastingdienst uitzonderingsregels hanteert. Verweerder heeft de standpunten van eiser gemotiveerd weersproken.
27. De rechtbank oordeelt als volgt. Verweerder heeft de revisierente berekend in overeenstemming met artikel 30i van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr). Het standpunt van eiser dat de in rekening gebrachte revisierente onredelijk en onevenredig uitpakt en hij de revisierente als onrechtvaardig ervaart, kan eiser niet helpen. Het in rekening brengen van revisierente en het door verweerder gehanteerde rentepercentage vloeien rechtstreeks voort uit de wet. De rechter is, gelet op artikel 11 van de Wet van 15 mei 1829, houdende algemeene bepalingen der wetgeving van het Koninkrijk, niet bevoegd de innerlijke waarde of billijkheid van de wet te toetsen.
28. Ook het beroep op artikel 1 van het EP EVRM en de verwijzing naar het Kerstarrest kunnen eiser niet baten. Uit de wetsgeschiedenis van de revisierente volgt dat wetgever met de regeling van de revisierente beoogt het onderhoudskarakter van de lijfrentevoorziening te bewaren (vgl. Kamerstukken II 1999-2000, 26728, nr. 6, p. 42-34). Daarnaast volgt uit de wetgeschiedenis dat de revisierente naar de bedoeling van de wetgever een (rente)vergoeding is voor het feit dat de belasting over de premies én het behaalde rendement pas op een (veel) later tijdstip is verschuldigd dan ingeval de lijfrente vanaf het begin als een niet fiscaal gefaciliteerd spaarproduct zou zijn behandeld. Met het geheel van negatieve uitgaven en revisierente wordt voorkomen dat een belastingplichtige die een lijfrente waarvoor premieaftrek is genoten in een later stadium afkoopt, per saldo beter af zou zijn dan een belastingplichtige die van begin af aan zijn geld zou hebben belegd in een regulier spaarproduct dat onder het forfaitaire rendement valt (vgl. Kamerstukken II, 1998-1999, 26728, A, p. 12). Naar het oordeel van de rechtbank streeft de wetgever met de revisierente een legitiem doel na en is de wetgever gebleven binnen de hem toekomende ruime beoordelingsmarge. Van de wettelijke regeling van de revisierente kan niet worden gezegd dat zij evident van elke redelijke grond is ontbloot. Bovendien geeft hetgeen eiser heeft aangevoerd geen aanleiding om te constateren dat sprake is van een individuele en buitensporige last (zie ook rechtsoverweging 25).
29. Wat betreft de stelling van eiser over het arbitrair zijn van de revisierente vanwege het uitzonderingsbeleid van de Belastingdienst overweegt de rechtbank als volgt. Ter zitting is gebleken dat het uitzonderingsbeleid waar eiser op doelt de tegenbewijsregeling van artikel 30i, derde lid, van de Awr betreft op grond waarvan kan worden afgeweken van het vaste rentepercentage van 20%. De rechtbank begrijpt de stelling van eiser dat de revisierente arbitrair is zo dat hij een beroep doet op de schending van het gelijkheidsbeginsel. De rechtbank oordeelt dat geen sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel. Eiser vergelijkt zijn situatie met belastingplichtigen die een aanspraak hebben bedongen minder dan tien jaren voordat de belastingheffing ter zake plaatsvindt, zodat eiser en die belastingplichtigen zich feitelijk noch juridisch in dezelfde positie bevinden.
Belastingrente
30. Eiser stelt zich op het standpunt dat het berekenen van belastingrente over revisierente onjuist en onrechtvaardig is. Verweerder stelt dat de belastingrente terecht en tot een juist bedrag is berekend.
31. De rechtbank oordeelt dat de belastingrente terecht en tot een juist bedrag is berekend en overweegt hiertoe als volgt. Op grond van de artikelen 30j en 30fc van de Awr mag over het verschuldigde bedrag aan revisierente ook belastingrente worden berekend. De mogelijkheid tot het berekenen van revisierente over belastingrente volgt bovendien uit de parlementaire geschiedenis van de revisierente (Kamerstukken II, 1988-1989, 21198, nr. 3, blz. 115 en zie rechtbank Zeeland-West-Brabant, 20 september 2016, ECLI:NL:RBZWB:2016:5786). De belastingrente is daarom tot het juiste bedrag berekend.”
5Beoordeling van het geschil in hoger beroep
5.1
Het Hof is van oordeel dat de rechtbank in onderdelen 14 tot en met 31 van haar uitspraak op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen en maakt deze gronden en beslissing derhalve tot de zijne. Het Hof voegt hier het volgende aan toe.
5.2.
Evenals in eerste aanleg betoogt belanghebbende in hoger beroep dat de uitkeringen op de verzekeringen niet in box 1, maar in box 3 belast dienen te worden. Hij wijst ter onderbouwing op de omstandigheid dat geen uitvoering is gegeven aan de lijfrenteclausules en dat sprake was van eenmalige uitkeringen (en dus niet van periodieke uitkeringen). Voorts wijst hij op de wet fiscaal kwalificatiebeleid (het Hof begrijpt: de Wet fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen, Staatsblad 2023, 508).
Daarnaast herhaalt belanghebbende zijn standpunten inzake strijdigheid met het EVRM, meer in het bijzonder artikel 1 van het eerste protocol daarbij (artikel 1 EP). Hij meent dat de Belastingdienst, nu deze geen partij is bij de verzekeringsovereenkomst, niet dwingend kan voorschrijven hoe de fiscale behandeling van de uitkeringen dient plaats te vinden zonder schending van het eigendomsrecht. De interpretatie van de Belastingdienst beperkt het beschikkingsrecht van belanghebbende en leidt tot een disproportionele belastingdruk, aldus belanghebbende. Belanghebbende wijst hierbij op de relevantie van het kerstarrest (het arrest van de HR van 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963) en verbindt aan het in artikel 1 EP bepaalde eveneens de gevolgtrekking dat het beleggingsresultaat van de verzekeringspolissen in box 3 belast dient te worden).
Ook meent hij dat de loonheffing die is ingehouden van de bij de afkopen ontvangen uitkeringen aan hem dient te worden (terug)betaald. Belanghebbende voegt hieraan toe dat hij begrijpt dat het Hof zich mogelijk moet beperken tot de Nederlandse wetgeving en deze niet aan het EVRM kan toetsen.
Belanghebbende heeft in hoger beroep geen afzonderlijke gronden gericht tegen de beschikkingen revisierente en belastingrente noch tegen de overwegingen van de rechtbank daarover (het Hof wijst dienaangaande naar 5.1 en de betreffende overwegingen van de rechtbank).
Heffing in box 1 of box 3
5.3.1.
Aan hetgeen de rechtbank heeft overwogen om tot de conclusie te komen dat belastingheffing over de verzekeringsuitkeringen in box 1, en dus niet in box 3, dient plaats te vinden, voegt het Hof het volgende toe. De heffing in box 1 over de uitkeringen dient niet te worden beschouwd als een geïsoleerd belastingnadeel. Het is een gevolg van de omkeerregel en het vormt een onderdeel van een heffingssysteem dat door de aanwezigheid van een daartegenover staand belastingvoordeel een zeker evenwicht vertoont. Dat belastingvoordeel bestaat in elk geval uit de belastingaftrek van de in eerdere jaren betaalde premies. Daar komt bij dat de waarde van de verzekeringen voorafgaande aan de afkoop niet tot belastingheffing in box 3 heeft geleid.
5.3.2.
Bij de diverse wetswijzigingen die sinds het overeenkomen van de verzekeringen plaats hebben gehad, is steeds sprake geweest van eerbiedigende werking van oude polissen. Deze eerbiedigende werking heeft betrekking op de belastbaarheid in de toekomst van de te ontvangen inkomsten (zoals de verzekeringsuitkeringen). De samenhang van het systeem – de uitruil van het belastingvoordeel, dat de aftrekbaarheid van de premiebetalingen vormt, tegen latere belastbaarheid van de ontvangsten – maakt deze eerbiedigende werking ook logisch. De belastingheffing in box 1 is dan ook niet naar willekeur gekozen, maar vormt onderdeel van een package deal. Want de wetgever heeft nu juist de premiebetalingen in aftrek toegelaten met het oog op de latere belastingheffing over de verzekeringsuitkeringen (of over de lijfrentetermijnen indien voor omzetting in lijfrentes zou zijn gekozen). Het zou niet passen als een belastingplichtige, na te hebben genoten van het belastingvoordeel, de package deal eenzijdig zou kunnen doorbreken door het daarmee verband houdende belastingnadeel van heffing tegen de progressieve tarieven in box 1 te ontgaan. Daarom bepaalt de wet dat onderhavige verzekeringsuitkeringen onder de omkeerregel in box 1 worden belast (en tot dat moment niet tot de bezitting van box 3 behoren).
5.3.3.
De invoering van de Wet fiscaal kwalificatiebeleid rechtsvormen maakt het in 5.3.1 en 5.3.2 overwogene niet anders. Bedoelde wet roept regels in het leven voor de kwalificatie voor Nederlandse fiscale doeleinden van (buitenlandse) rechtsvormen en – anders dan belanghebbende kennelijk meent – niet voor de kwalificatie van (uitkeringen uit) verzekeringsproducten in box 1 of in box 3.
Artikel 1 EP
5.4.1.
Aan het door de rechtbank overwogene (en door het Hof overgenomene) ten aanzien van de door belanghebbende gestelde strijd met artikel 1 EP voegt het Hof nog het volgende toe.
5.4.2.
Het betoog van belanghebbende, dat het de inspecteur niet is toegestaan dwingend de fiscale behandeling voor te schrijven van een overeenkomst waarbij hij geen partij is, geeft blijk van een onjuiste veronderstelling. Het is namelijk niet de inspecteur (noch de Belastingdienst) die de fiscale behandeling van verzekeringsovereenkomsten voorschrijft. De fiscale behandeling is door de wetgever in wettelijke bepalingen neergelegd en de inspecteur heeft de taak deze uit te voeren. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen is de wetgever hiermee niet getreden buiten zijn bevoegdheden zich te mengen in het door artikel 1 EP gewaarborgde recht op ongestoord genot van eigendom. Voor zover belanghebbende zich op het standpunt stelt dat de heffing over de verzekeringsuitkeringen leidt tot een individuele en buitensporige last volgt het Hof dat niet. Allereerst niet omdat daartoe vereist is dat deze last (de belastingheffing) zich in belanghebbendes geval sterker laat voelen dan in het algemeen (zie o.a. HR 17 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:442) en dat is niet aannemelijk geworden. Daarnaast betreft de belastingheffing slechts een gedeelte betreft van de daadwerkelijk in contanten genoten uitkeringen, waarbij (aannemelijk is dat) in het verleden premieaftrek is genoten. De verwijzing door belanghebbende naar het kerstarrest (zie 5.2) maakt het voorgaande niet anders.
Loonheffing
5.5.
Ten aanzien van het standpunt van belanghebbende dat de ingehouden loonbelasting aan hem gerestitueerd dient te worden overweegt het Hof dat in de aanslag de ingehouden loonheffing van € 15.376 in lijn met artikel 9.2, lid 1 aanhef en onderdeel a, Wet IB 2001 als voorheffing in aanmerking is genomen. Dat wil zeggen dat dit bedrag in mindering is gebracht bij het bepalen van belanghebbendes inkomstenbelastingschuld. Voor een additionele restitutie is dan ook geen plaats. Daar komt bij dat de onderhavige procedure gaat over de aanslag en de daarmee verband houdende beschikkingen revisierente en belastingrente. De door de verzekeraars (in 2019 en daarvoor) ingehouden loonheffing valt buiten het bestek van deze procedure, zodat het Hof daar geen oordeel over kan geven.
Slotsom
5.6.
De slotsom is dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.
6Kosten
Voor een kostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
7Beslissing
Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door mrs. J-P.R. van den Berg, voorzitter, H.E. Kostense en N. Djebali, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. H.M. Nijland als griffier. De beslissing is op 25 augustus 2026 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: