Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Hoge Raad

ECLI:NL:HR:2020:1774

2020-11-13 Bestuursrecht; Belastingrecht 20/00792
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
2020-11-13
Publicatiedatum
2020-11-10
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Cassatie
Zaaknummer
20/00792
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | V-N Vandaag 2020/2770 | V-N 2020/59.19 | NLF 2020/2562 met annotatie van Wendy Nent | JWWB 2020/261 | Belastingblad 2021/12 met annotatie van R.A. Eskes | FED 2021/10 met annotatie van E. THOMAS | BNB 2021/54 met annotatie van P.G.M. JANSEN | NTFR 2020/3600 met annotatie van mr. M.H. Hogendoorn | FutD 2020-3335 | Viditax (FutD) 2020111303

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Art. 4:18, 4.85, 4:98, 8:55c Awb. Ingangsdatum wettelijke rente over dwangsom die het bestuursorgaan had moeten toekennen.

Citeert (2)

Geciteerd door (22)

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (5.613 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN


BELASTINGKAMER



Nummer 20/00792

Datum 13 november 2020



ARREST


in de zaak van



[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)


tegen


het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE HELMOND (hierna: het College)


op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 20 februari 2020, nr. 19/00119 op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van Rechtbank Oost-Brabant (nr. SHE 18/498) betreffende de vergoeding van wettelijke rente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.




1Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.




2Beoordeling van het middel

2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1
Belanghebbende heeft op 5 maart 2017 bezwaar gemaakt tegen een beschikking ingevolge de Wet waardering onroerende zaken en een aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Helmond voor het jaar 2017, gedagtekend 31 januari 2017. Op 7 januari 2018 heeft belanghebbende de heffingsambtenaar in gebreke gesteld wegens het niet tijdig doen van uitspraken op bezwaar. De uitspraken op bezwaar zijn gedaan met dagtekening 22 februari 2018. Daarbij is geen dwangsom toegekend.


2.1.2
Het Hof heeft geoordeeld dat de heffingsambtenaar uiterlijk op 31 december 2017 de uitspraken op bezwaar had moeten doen en dat hij daarom een dwangsom verschuldigd is van € 820 over de periode van 22 januari 2018 (twee weken na de ontvangst van de ingebrekestelling) tot 22 februari 2018, dus over 31 dagen.


2.1.3
Belanghebbende had verzocht om vergoeding van wettelijke rente over de dwangsom. Het Hof heeft bepaald dat, indien de dwangsom niet tijdig wordt voldaan, wettelijke rente is verschuldigd vanaf vier weken na de datum waarop de uitspraak van het Hof is gedaan.



2.2.
Het middel is gericht tegen het in 2.1.3 vermelde oordeel van het Hof en betoogt dat de heffingsambtenaar wettelijke rente dient te vergoeden vanaf 20 april 2018 tot de dag van betaling van de dwangsom.

2.3.1

Artikel 4:18 Awb bepaalt dat het bestuursorgaan de verschuldigdheid en de hoogte van een ingevolge artikel 4:17 Awb verschuldigde dwangsom vaststelt bij beschikking binnen twee weken na de laatste dag waarover die dwangsom verschuldigd was. Dat is in dit geval twee weken na 22 februari 2018, de dag waarop de uitspraken op bezwaar zijn gedaan. De heffingsambtenaar had de dwangsom van € 820 dus uiterlijk op 7 maart 2018 moeten vaststellen.
Op grond van artikel 4:85, lid 1, letter b, Awb is deze dwangsom een bestuursrechtelijke geldschuld, waarop het bepaalde in titel 4.4 van de Awb van toepassing is. Dit brengt mee dat wettelijke rente is verschuldigd vanaf het tijdstip waarop de heffingsambtenaar in verzuim zou zijn geweest indien de beschikking op de laatste dag van de daarvoor gestelde termijn zou zijn gegeven. Artikel 4:87, lid 1, Awb bepaalt dat de betaling geschiedt binnen 6 weken nadat de beschikking op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Indien de heffingsambtenaar de dwangsom uiterlijk op 7 maart 2018 zou hebben vastgesteld, zou hij het bedrag van € 820 dus uiterlijk op 18 april 2018 hebben moeten betalen. Aangezien hij dat heeft nagelaten is de wettelijke rente verschuldigd vanaf 18 april 2018 tot de dag van betaling.



2.3.2
Uit hetgeen in 2.3.1 is overwogen volgt dat het middel slaagt en dat de uitspraak van het Hof moet worden vernietigd voor zover deze de wettelijke rente over de dwangsom betreft. De Hoge Raad kan de zaak afdoen en zal bepalen dat de heffingsambtenaar wettelijke rente moet betalen over het bedrag van € 820 vanaf 18 april 2018 tot de dag van de algehele voldoening daarvan.





3Proceskosten
Het College zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.



4Beslissing

De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof maar uitsluitend voor zover deze de wettelijke rente over de dwangsom van € 820 betreft,
- bepaalt dat de heffingsambtenaar wettelijke rente over de dwangsom van € 820 is verschuldigd vanaf 18 april 2018 tot de dag van de algehele voldoening daarvan,
- draagt het College op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 131, en
- veroordeelt het College in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 1.050 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.




Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.A. Fierstra als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 13 november 2020.





Vgl. HR 20 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1457, rechtsoverweging 3.2.2.


Artikel 4:102, lid 2, Awb juncto de artikelen 8:55c en 8:108 Awb.


Vgl. ABRvS 17 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:357, rechtsoverweging 5.2.