Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2020:1710
2020-10-30
Civiel recht
19/02259
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2020:1710 → ECLI:NL:GHAMS:2019:282 (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- conclusie ECLI:NL:HR:2020:1710 → ECLI:NL:PHR:2020:608 gevolgd
Inhoudsindicatie
Overeenkomstenrecht. Uitleg parkeerovereenkomst. Onverschuldigde betaling facturen. Over terugbetaling wettelijke handelsrente verschuldigd of wettelijke rente? Vgl. HR 8 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3106.
Citeert (3)
- ECLI:NL:GHAMS:2019:282 Gerechtshof Amsterdam 05-02-2019
- ECLI:NL:GHAMS:2019:762 Gerechtshof Amsterdam 05-03-2019
- ECLI:NL:HR:2017:3106 Hoge Raad 08-12-2017
Geciteerd door (77)
- ECLI:NL:RBMNE:2026:6435 Rechtbank Midden-Nederland 09-09-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:7645 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 12-08-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:2279 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 07-04-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:1478 Rechtbank Midden-Nederland 01-04-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:2123 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 18-03-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:1450 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 04-03-2026
- ECLI:NL:RBAMS:2026:2030 Rechtbank Amsterdam 24-02-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:182 Parket bij de Hoge Raad 20-02-2026
- ECLI:NL:RBGEL:2026:1542 Rechtbank Gelderland 18-02-2026
- ECLI:NL:RBAMS:2026:562 Rechtbank Amsterdam 12-02-2026
- ECLI:NL:RBGEL:2026:345 Rechtbank Gelderland 09-01-2026
- ECLI:NL:RBAMS:2025:8067 Rechtbank Amsterdam 29-10-2025
- ECLI:NL:RBGEL:2025:8765 Rechtbank Gelderland 10-10-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:6627 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 27-08-2025
- ECLI:NL:RBOVE:2025:5207 Rechtbank Overijssel 13-08-2025
- ECLI:NL:RBGEL:2025:7152 Rechtbank Gelderland 25-07-2025
- ECLI:NL:RBNHO:2025:7119 Rechtbank Noord-Holland 26-06-2025
- ECLI:NL:RBNHO:2025:7119 Rechtbank Noord-Holland 26-06-2025
- ECLI:NL:RBGEL:2025:3513 Rechtbank Gelderland 07-05-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:468 Gerechtshof Den Haag 01-04-2025
- ECLI:NL:RBGEL:2025:2044 Rechtbank Gelderland 19-03-2025
- ECLI:NL:RBMNE:2025:7859 Rechtbank Midden-Nederland 11-02-2025
- ECLI:NL:RBROT:2025:1412 Rechtbank Rotterdam 31-01-2025
- ECLI:NL:RBAMS:2025:197 Rechtbank Amsterdam 15-01-2025
- ECLI:NL:RBAMS:2024:7835 Rechtbank Amsterdam 18-12-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:1275 Parket bij de Hoge Raad 29-11-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:3734 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 26-11-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:3370 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 29-10-2024
- ECLI:NL:RBROT:2024:9742 Rechtbank Rotterdam 02-10-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:2996 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 24-09-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:975 Parket bij de Hoge Raad 20-09-2024
- ECLI:NL:RBGEL:2024:6418 Rechtbank Gelderland 18-09-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:2845 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 10-09-2024
- ECLI:NL:RBMNE:2024:4575 Rechtbank Midden-Nederland 31-07-2024
- ECLI:NL:RBLIM:2024:4687 Rechtbank Limburg 24-07-2024
- ECLI:NL:RBLIM:2024:4687 Rechtbank Limburg 24-07-2024
- ECLI:NL:RBMNE:2024:3572 Rechtbank Midden-Nederland 05-06-2024
- ECLI:NL:RBROT:2024:13958 Rechtbank Rotterdam 03-05-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2024:3708 Rechtbank Noord-Holland 17-04-2024
- ECLI:NL:RBROT:2024:3811 Rechtbank Rotterdam 29-03-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:4403 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 21-02-2024
- ECLI:NL:GHAMS:2023:3497 Gerechtshof Amsterdam 28-11-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:910 Parket bij de Hoge Raad 13-10-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:911 Parket bij de Hoge Raad 13-10-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:910 Parket bij de Hoge Raad 13-10-2023
- ECLI:NL:GHAMS:2023:2306 Gerechtshof Amsterdam 22-08-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:6857 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15-08-2023
- ECLI:NL:GHAMS:2023:1642 Gerechtshof Amsterdam 11-07-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:1639 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 23-05-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:372 Parket bij de Hoge Raad 31-03-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:1991 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 07-03-2023
- ECLI:NL:GHAMS:2023:137 Gerechtshof Amsterdam 24-01-2023
- ECLI:NL:RBNHO:2022:10588 Rechtbank Noord-Holland 30-11-2022
- ECLI:NL:GHAMS:2022:3331 Gerechtshof Amsterdam 29-11-2022
- ECLI:NL:GHDHA:2022:2100 Gerechtshof Den Haag 04-10-2022
- ECLI:NL:RBNNE:2022:2903 Rechtbank Noord-Nederland 03-08-2022
- ECLI:NL:RBOVE:2022:2144 Rechtbank Overijssel 20-07-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:678 Parket bij de Hoge Raad 08-07-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:679 Parket bij de Hoge Raad 08-07-2022
- ECLI:NL:RBMNE:2022:2515 Rechtbank Midden-Nederland 29-06-2022
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (6.883 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 19/02259
Datum 30 oktober 2020
ARREST
In de zaak van
Q-PARK OPERATIONS NETHERLANDS B.V.,gevestigd te Maastricht,
EISERES tot cassatie, verweerster in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,
hierna: Q-Park,
advocaten: R.P.J.L. Tjittes en J.P. Heering, aanvankelijk ook J.W. de Jong,
tegen
DEKA HOT MOERDIJK GMBH & CO. KG,gevestigd te Frankfurt am Main, Duitsland,
VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,
hierna: Deka,
advocaten: J.W.H. van Wijk en aanvankelijk ook M.E.M.G. Peletier.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
de vonnissen in de zaak C/13/599617/HA ZA 15/1140 van de rechtbank Amsterdam van 15 juni 2016 en 7 juni 2017;
het arrest in de zaak 200.223.340/01 van het gerechtshof Amsterdam van 5 februari 2019, hersteld bij arrest van 5 maart 2019.
Q-Park heeft beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het hof van 5 februari 2019, zoals hersteld bij arrest van 5 maart 2019. Deka heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld.
Partijen hebben over en weer een verweerschrift tot verwerping van het beroep ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, voor Q-Park mede door J.L. Luiten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal W.L. Valk strekt tot vernietiging en afdoening als in de conclusie omschreven.
2Uitgangspunten en feiten
2.1
Het gaat in deze zaak, voor zover in cassatie van belang, om de uitleg van een zogenoemde ‘parkeerovereenkomst’, waarin onder meer een door Deka aan Q-Park te betalen ‘beschikbaarheidsvergoeding’ is opgenomen voor het geval dat, kort gezegd, minder parkeerabonnementen worden afgenomen dan is overeengekomen. Deka heeft facturen met betrekking tot die beschikbaarheidsvergoeding aan Q-Park voldaan.
2.2
In dit geding heeft Deka (in reconventie), kort gezegd, gevorderd dat Q-Park wordt veroordeeld tot terugbetaling van de door Deka uit hoofde van de beschikbaarheidsvergoeding betaalde bedragen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente. Deka heeft daaraan ten grondslag gelegd dat zij de bedragen onverschuldigd heeft betaald. De rechtbank heeft de vordering afgewezen.
2.3
Het hof heeft de vordering van Deka tot terugbetaling van hetgeen zij uit hoofde van de beschikbaarheidsvergoeding aan Q-Park heeft voldaan, toegewezen, vermeerderd met de wettelijke handelsrente.
3Beoordeling van het middel in het principale beroep
3.1.1
Onderdeel 4 van het middel klaagt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de wettelijke handelsrente verschuldigd is, en voert daartoe aan dat art. 6:119a BW slechts van toepassing is op vorderingen uit handelsovereenkomsten.
3.1.2
De klacht is gegrond. Art. 6:119a BW heeft alleen betrekking op de geldelijke tegenprestatie voor geleverde goederen of diensten op grond van een handelsovereenkomst. Dit betreft de primaire betalingsverplichting uit de handelsovereenkomst. De wettelijke handelsrente ziet dus niet op andere geldelijke verplichtingen waartoe zo’n overeenkomst aanleiding kan geven, en derhalve evenmin op een vordering uit onverschuldigde betaling.
3.2
De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
4Beoordeling van het middel in het voorwaardelijk incidentele beroep
4.1.1 Hiervoor in 3.1.2 is gebleken dat onderdeel 4 van het principale middel doel treft. Het middel in het voorwaardelijk incidentele beroep is ingesteld onder de voorwaarde dat het middel in het principale beroep in enig onderdeel gegrond wordt bevonden. In strikte zin is aan die voorwaarde voldaan.
4.1.2 De Hoge Raad ziet echter aanleiding om het incidentele beroep zo uit te leggen dat de voorwaarde waaronder het is ingesteld, niet is vervuld. Het middel in het incidentele beroep heeft uitsluitend betrekking op het door het hof verworpen – primaire – standpunt van Deka dat zij niet gebonden is aan de parkeerovereenkomst. Er bestaat geen verband tussen het in het incidentele beroep aan de orde gestelde geschilpunt en de kwestie van de wettelijke handelsrente waarop de vernietiging in het principale beroep berust. Ook als Deka niet gebonden zou zijn aan de parkeerovereenkomst, betreft haar vordering tot terugbetaling een vordering uit onverschuldigde betaling, zodat wettelijke rente toewijsbaar is en niet wettelijke handelsrente. Het middel in het incidentele beroep behoeft derhalve geen behandeling.
5Afdoening
De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen. Nu Deka de wettelijke handelsrente heeft gevorderd, dient te worden aangenomen dat zij tevens aanspraak maakt op het mindere, te weten de wettelijke rente. Deze komt op de voet van art. 6:119 BW voor vergoeding in aanmerking.
6Beslissing
De Hoge Raad:
in het principale beroep:
vernietigt het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 5 februari 2019, hersteld bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 5 maart 2019, voor zover daarbij de wettelijke handelsrente is toegewezen;
in zoverre opnieuw rechtdoende: veroordeelt Q-Park tot betaling aan Deka van een bedrag van € 951.305,71 alsmede van de bedragen die Deka sinds de vermeerdering van eis van Q-Park van 11 januari 2017 aan Q-Park heeft voldaan uit hoofde van de beschikbaarheidsvergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente telkens vanaf de data waarop Deka de desbetreffende bedragen heeft voldaan tot aan de dag van algehele voldoening;
veroordeelt Deka in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Q-Park begroot op € 6.894,01 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens en C.H. Sieburgh, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.J. Kroeze op 30 oktober 2020.
Gerechtshof Amsterdam 5 februari 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:282, hersteld bij arrest van 5 maart 2019:ECLI:NL:GHAMS:2019:762.
Vgl. HR 8 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3106, rov. 5.2.2.
CIVIELE KAMER
Nummer 19/02259
Datum 30 oktober 2020
ARREST
In de zaak van
Q-PARK OPERATIONS NETHERLANDS B.V.,gevestigd te Maastricht,
EISERES tot cassatie, verweerster in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,
hierna: Q-Park,
advocaten: R.P.J.L. Tjittes en J.P. Heering, aanvankelijk ook J.W. de Jong,
tegen
DEKA HOT MOERDIJK GMBH & CO. KG,gevestigd te Frankfurt am Main, Duitsland,
VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,
hierna: Deka,
advocaten: J.W.H. van Wijk en aanvankelijk ook M.E.M.G. Peletier.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
de vonnissen in de zaak C/13/599617/HA ZA 15/1140 van de rechtbank Amsterdam van 15 juni 2016 en 7 juni 2017;
het arrest in de zaak 200.223.340/01 van het gerechtshof Amsterdam van 5 februari 2019, hersteld bij arrest van 5 maart 2019.
Q-Park heeft beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het hof van 5 februari 2019, zoals hersteld bij arrest van 5 maart 2019. Deka heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld.
Partijen hebben over en weer een verweerschrift tot verwerping van het beroep ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, voor Q-Park mede door J.L. Luiten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal W.L. Valk strekt tot vernietiging en afdoening als in de conclusie omschreven.
2Uitgangspunten en feiten
2.1
Het gaat in deze zaak, voor zover in cassatie van belang, om de uitleg van een zogenoemde ‘parkeerovereenkomst’, waarin onder meer een door Deka aan Q-Park te betalen ‘beschikbaarheidsvergoeding’ is opgenomen voor het geval dat, kort gezegd, minder parkeerabonnementen worden afgenomen dan is overeengekomen. Deka heeft facturen met betrekking tot die beschikbaarheidsvergoeding aan Q-Park voldaan.
2.2
In dit geding heeft Deka (in reconventie), kort gezegd, gevorderd dat Q-Park wordt veroordeeld tot terugbetaling van de door Deka uit hoofde van de beschikbaarheidsvergoeding betaalde bedragen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente. Deka heeft daaraan ten grondslag gelegd dat zij de bedragen onverschuldigd heeft betaald. De rechtbank heeft de vordering afgewezen.
2.3
Het hof heeft de vordering van Deka tot terugbetaling van hetgeen zij uit hoofde van de beschikbaarheidsvergoeding aan Q-Park heeft voldaan, toegewezen, vermeerderd met de wettelijke handelsrente.
3Beoordeling van het middel in het principale beroep
3.1.1
Onderdeel 4 van het middel klaagt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de wettelijke handelsrente verschuldigd is, en voert daartoe aan dat art. 6:119a BW slechts van toepassing is op vorderingen uit handelsovereenkomsten.
3.1.2
De klacht is gegrond. Art. 6:119a BW heeft alleen betrekking op de geldelijke tegenprestatie voor geleverde goederen of diensten op grond van een handelsovereenkomst. Dit betreft de primaire betalingsverplichting uit de handelsovereenkomst. De wettelijke handelsrente ziet dus niet op andere geldelijke verplichtingen waartoe zo’n overeenkomst aanleiding kan geven, en derhalve evenmin op een vordering uit onverschuldigde betaling.
3.2
De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
4Beoordeling van het middel in het voorwaardelijk incidentele beroep
4.1.1 Hiervoor in 3.1.2 is gebleken dat onderdeel 4 van het principale middel doel treft. Het middel in het voorwaardelijk incidentele beroep is ingesteld onder de voorwaarde dat het middel in het principale beroep in enig onderdeel gegrond wordt bevonden. In strikte zin is aan die voorwaarde voldaan.
4.1.2 De Hoge Raad ziet echter aanleiding om het incidentele beroep zo uit te leggen dat de voorwaarde waaronder het is ingesteld, niet is vervuld. Het middel in het incidentele beroep heeft uitsluitend betrekking op het door het hof verworpen – primaire – standpunt van Deka dat zij niet gebonden is aan de parkeerovereenkomst. Er bestaat geen verband tussen het in het incidentele beroep aan de orde gestelde geschilpunt en de kwestie van de wettelijke handelsrente waarop de vernietiging in het principale beroep berust. Ook als Deka niet gebonden zou zijn aan de parkeerovereenkomst, betreft haar vordering tot terugbetaling een vordering uit onverschuldigde betaling, zodat wettelijke rente toewijsbaar is en niet wettelijke handelsrente. Het middel in het incidentele beroep behoeft derhalve geen behandeling.
5Afdoening
De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen. Nu Deka de wettelijke handelsrente heeft gevorderd, dient te worden aangenomen dat zij tevens aanspraak maakt op het mindere, te weten de wettelijke rente. Deze komt op de voet van art. 6:119 BW voor vergoeding in aanmerking.
6Beslissing
De Hoge Raad:
in het principale beroep:
vernietigt het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 5 februari 2019, hersteld bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 5 maart 2019, voor zover daarbij de wettelijke handelsrente is toegewezen;
in zoverre opnieuw rechtdoende: veroordeelt Q-Park tot betaling aan Deka van een bedrag van € 951.305,71 alsmede van de bedragen die Deka sinds de vermeerdering van eis van Q-Park van 11 januari 2017 aan Q-Park heeft voldaan uit hoofde van de beschikbaarheidsvergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente telkens vanaf de data waarop Deka de desbetreffende bedragen heeft voldaan tot aan de dag van algehele voldoening;
veroordeelt Deka in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Q-Park begroot op € 6.894,01 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens en C.H. Sieburgh, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.J. Kroeze op 30 oktober 2020.
Gerechtshof Amsterdam 5 februari 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:282, hersteld bij arrest van 5 maart 2019:ECLI:NL:GHAMS:2019:762.
Vgl. HR 8 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3106, rov. 5.2.2.