Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:6435

2026-09-09 Civiel recht 12119826 \ MC EXPL 26-1074
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2026-09-09
Publicatiedatum
2026-09-20
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
12119826 \ MC EXPL 26-1074
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Afspraak over terugbetaling waarborgsom na huurovereenkomst, opschortingsverweer

Citeert (4)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (13.066 tekens)
RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND



Civiel recht
Kantonrechter



Zittingsplaats Almere



Zaaknummer: 12119826 \ MC EXPL 26-1074




Vonnis van 9 september 2026




in de zaak van



de besloten vennootschap


[eiser]
,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. D.J. Mensink, werkzaam bij Micta B.V.,



tegen



de besloten vennootschap


[gedaagde]
,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. J.C. Debije, advocaat in Rotterdam,





1De procedure


Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van [eiser] ;- de conclusie van antwoord van [gedaagde] ;- de conclusie van repliek van [eiser] met een vermindering en vermeerdering van haar eis;- de conclusie van dupliek van [gedaagde] .





2De zaak in het kort



[eiser] heeft van [gedaagde] een kantoorpand in Leusden gehuurd. De huurovereenkomst is per 31 december 2024 geëindigd. Partijen zijn overeengekomen dat [gedaagde] van de door [eiser] aan [gedaagde] betaalde waarborgsom € 8.000,00 zou terugbetalen. Hiervan heeft [gedaagde] € 4.300,00 betaald. [eiser] wil dat [gedaagde] het restant van € 3.700,00 nog betaalt, vermeerderd met de wettelijke handelsrente en buitengerechtelijke kosten. De kantonrechter wijst de vordering gedeeltelijk toe en veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten.





3De beoordeling



De gemaakte betaalafspraak en de achtergrond daarvan




3.1
Partijen hebben naar voren gebracht dat zij na het einde van de huurovereenkomst lang hebben gediscussieerd over de wijze van oplevering van het kantoorpand en de terugbetaling van de waarborgsom. Ter beëindiging van het geschil zijn zij overeengekomen dat [gedaagde] van de door [eiser] betaalde waarborgsom € 8.000,00 zou terugbetalen. Over de termijn van deze terugbetaling verschillen partijen van mening. De kantonrechter is het met [eiser] eens dat [gedaagde] het bedrag in principe vóór 1 januari 2026 moest terugbetalen. [eiser] heeft er op gewezen dat zij in haar e-mail van 17 september 2025 waarbij zij aan [gedaagde] het bedrag van € 8.000,00 voorstelde, heeft aangegeven dat [gedaagde] het bedrag in termijnen kon betalen maar dat voor het einde van het jaar het gehele bedrag ontvangen moest zijn. [gedaagde] heeft vervolgens, zo volgt uit haar e-mail van 25 september 2025 ingestemd met het bedrag en geschreven dat ze het in termijnen zou gaan voldoen. Omdat zij geen andere betalingstermijn heeft voorgesteld of een kanttekening bij het voorstel van [eiser] heeft geplaatst, mocht [eiser] er naar het oordeel van de kantonrechter van uitgaan dat [gedaagde] heeft ingestemd met betaling van het totale bedrag voor het einde van het jaar.



Geen finale kwijting verleend





3.2

[gedaagde] heeft gesteld dat zij de betaling heeft opgeschort omdat zij wil dat [eiser] eerst haar drie laadpalen met de bijbehorende voorzieningen en materialen (hierna samen “de laadpalen” te noemen) op het terrein bij het kantoorpand weghaalt. Op 19 februari 2026 – de dag dat de dagvaarding werd uitgebracht – heeft [gedaagde] € 4.300,00 aan [eiser] betaald – naar eigen zeggen enkel om haar goede wil te tonen –. Volgens [eiser] kan [gedaagde] geen nieuw opleveringspunt meer aandragen. Dit wordt door [gedaagde] betwist.



3.3
De kantonrechter begrijpt dat beide partijen de betaalafspraak zien als een een vaststellingsovereenkomst in de zin van artikel 7:900 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Een vaststellingsovereenkomst is naar zijn aard bedoeld om een einde te maken aan één of meer geschillen tussen partijen en eenduidig de rechtsverhouding tussen partijen te regelen. Bij de uitleg van een overeenkomst gaat het erom welke zin partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan die bepalingen mochten toekennen en wat zij in dat opzicht redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij moet rekening worden gehouden met alle omstandigheden van het geval (Hoge Raad 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158).



3.4

Er is niet gesteld en ook niet gebleken dat de laadpalen deel hebben uitgemaakt van de discussie tussen partijen over de oplevering. [gedaagde] heeft onweersproken naar voren gebracht dat zij pas op 17 december 2025 – dus na het maken van de betaalafspraak –
ontdekte dat de laadpalen nog op het terrein aanwezig waren (en door derden werden gebruikt). [eiser] heeft niets gesteld waaruit voortvloeit dat zij het vertrouwen mocht hebben dat [gedaagde] afstand deed van haar rechten met betrekking tot opleveringsgebreken die later werden ontdekt. De kantonrechter is gelet op deze omstandigheden van oordeel dat met de gemaakte afspraak geen finale kwijting is verleend.

Opschorting van meer dan € 2.000,00 is niet gerechtvaardigd





3.5

[eiser] heeft niet weersproken dat zij de laadpalen weg had moeten halen bij het einde van de huurovereenkomst en dat zij dit toen niet heeft gedaan. De vraag die partijen verdeeld houdt is of [gedaagde] om die reden de betaling van de € 8.000,00 mocht opschorten.



3.6
Voor een succesvol beroep op opschorting – wanneer er sprake is van een wederkerige overeenkomst zoals in dit geval – is het noodzakelijk dat het gaat om tegenover elkaar staande verplichtingen waarbij de wederpartij een opeisbare verbintenis niet nakomt (artikel 6:262 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW)). De verplichtingen moeten in nauw verband staan met elkaar. De kantonrechter is van oordeel dat aan deze verplichtingen is voldaan. De verplichting tot uitbetaling van de waarborgsom en de verplichting tot oplevering van het gehuurde hangen direct met elkaar samen binnen de huurovereenkomst. [eiser] heeft aangevoerd dat [gedaagde] haar niet in gebreke heeft gesteld, maar een voorafgaande ingebrekestelling is niet vereist (HR 8 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD7343).



3.7
In artikel 6:262 lid 2 BW is bepaald dat in geval van gedeeltelijke of niet behoorlijke nakoming opschorting slechts is toegelaten, voor zover de tekortkoming haar rechtvaardigt. Wordt een gedeeltelijke of ondeugdelijke prestatie verricht dan mag de opschorting geen grotere omvang aannemen dan de tekortkoming waartegen zij is gericht. Opschorting voor het geheel kan mogelijk zijn wanneer de opschorting als gerechtvaardigd pressiemiddel wordt gebruikt. Dit doet zich met name voor wanneer de tekortkoming aan de schuldenaar kan worden toegerekend of wanneer de fout op korte termijn kan worden verholpen (TM, Parl. Gesch. 6, p. 996).



3.8

[eiser] heeft aangevoerd dat de opschorting van de betaling van het volledige bedrag van € 8.000,00 niet gerechtvaardigd is. Gelet op (de omvang van) het opleveringspunt geeft de kantonrechter [eiser] hierin gelijk. Dat de kosten van het verwijderen van de laadpalen en het herstel in de orde van grootte van het bedrag van € 8.000,00 liggen heeft [gedaagde] op geen enkele manier onderbouwd. De kantonrechter schat deze kosten op € 2.000,00 en acht een opschorting van de betaling van dat bedrag gerechtvaardigd.



3.9
De kantonrechter begrijpt dat [eiser] inmiddels de palen heeft verwijderd, maar nog niet de complete infrastructuur. De opschorting kan worden gehandhaafd tot [eiser] volledig aan haar verplichting tot verwijdering heeft voldaan.



Het beroep op verrekening wordt verworpen





3.10

[gedaagde] heeft zich nog op verrekening beroepen. Omdat van een concrete tegenvordering niet is gebleken wordt dit verweer verworpen.



Conclusie hoofdsom





3.11
Gelet op het voorgaande wijst de kantonrechter van de hoofdsom € 1.700,00 toe (van de € 8.000,00 is dus € 2.000,00 terecht opgeschort en € 4.300,00 al betaald).



Wettelijke handelsrente niet toewijsbaar, maar de (gewone) wettelijke rente wel





3.12

[eiser] maakt aanspraak op de wettelijke handelsrente. Die is niet toewijsbaar. Dat de waarborgsom moest worden terugbetaald, vindt zijn oorsprong in de huurovereenkomst die betrekking heeft op bedrijfsmatige huur en daarmee kwalificeert als een handelsovereenkomst. De betaalafspraak borduurt daarop slechts voort. Voor de verschuldigdheid van wettelijke handelsrente over de waarborgsom in de zin van artikel 6:119a BW is niet alleen vereist dat de betalingsverplichting voortvloeit uit een handelsovereenkomst. In aanvulling daarop geldt ook het vereiste dat de onbetaalde geldsom ziet op een primaire betalingsverplichting uit een handelsovereenkomst, waaronder wordt verstaan de geldelijke tegenprestatie voor geleverde diensten op grond van een handelsovereenkomst (zie ECLI:NL:HR:2017:3106 en ECLI:NL:HR:2020:1710). Anders dan voor de maandelijkse huur, betreft de waarborgsom geen geldelijke tegenprestatie voor geleverde diensten. Het terugbetalen van een waarborgsom kan dan ook niet worden aangemerkt als de primaire betalingsverplichting uit de huurovereenkomst. De kantonrechter is daarom van oordeel dat [gedaagde] geen handelsrente maar wel de (gewone) wettelijke rente over de waarborgsom verschuldigd is. Die zal worden toegewezen.



De vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt gedeeltelijk toegewezen





3.13


[eiser] maakt aanspraak op een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten van
€ 775,00. Deze vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [eiser] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief dat hoort bij een hoofdsom van € 6.000,00. De kantonrechter zal het bedrag dan ook toewijzen tot het wettelijke tarief van € 675,00.





[gedaagde] moet de proceskosten betalen





3.14

[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden (uitgaande van de toewijsbaar geoordeelde vordering toen de dagvaarding werd uitgebracht) begroot op:

- dagvaarding € 128,65
- griffierecht € 559,00
- salaris gemachtigde € 720,00 (2 punten x tarief € 360,00)
- nakosten € 144,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 1.551,65



3.15
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.





4De beslissing


De kantonrechter



4.1
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] tegen bewijs van kwijting te betalen € 2.375,00 met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over € 6.000,00 vanaf 1 januari 2026 tot 19 februari 2026 en vanaf 19 februari 2026 over € 1.700,00 tot de algehele voldoening;



4.2
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van [eiser] van € 1.551,65, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;



4.3
veroordeelt [gedaagde] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;



4.4
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;



4.5
wijst het meer of anders gevorderde af.









Dit vonnis is gewezen door mr. drs. B.G.W.P. Heijne en in het openbaar uitgesproken op
9 september 2026.

















13702