Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2020:117
2020-02-04
Strafrecht
18/02896
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2020:117 → ECLI:NL:PHR:2019:1429
Inhoudsindicatie
Medeplegen ramkraak op winkel met dure kleding, art. 311.1 Sr. Niet beslist op beroep van raadsvrouw op overschrijding redelijke termijn in h.b. HR: Op gronden vermeld in CAG is middel terecht voorgesteld. CAG: Verdediging heeft ttz. in h.b. aangevoerd dat redelijke termijn in h.b. met ruim 2 maanden is overschreden en op die grond strafvermindering bepleit. Aldus is verweer gevoerd waaromtrent Hof op straffe van nietigheid uitdrukkelijk met redenen omklede beslissing had moeten geven. HR doet zaak zelf af en volstaat met oordeel dat redelijke termijn is overschreden, nu totale duur van berechting in feitelijke aanleg minder dan 4 jaren bedraagt. Volgt verwerping. Samenhang met 18/02823 en 18/02896.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (4)
- ECLI:NL:PHR:2021:467 Parket bij de Hoge Raad 11-05-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:501 Parket bij de Hoge Raad 02-03-2021
- ECLI:NL:PHR:2020:1093 Parket bij de Hoge Raad 22-09-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:901 Parket bij de Hoge Raad 25-08-2020
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.457 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 18/02896
Datum 4 februari 2020
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 19 juni 2018, nummer 22/001260-16, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,
hierna: de verdachte.
1Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft B. Kizilocak, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur en aanvullende schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schrifturen zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2Beoordeling van het vierde middel
2.1
Het middel klaagt dat het Hof heeft verzuimd te beslissen op het namens de verdachte gedane beroep op overschrijding van de redelijke termijn.
2.2
Op de gronden die zijn vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 6.3 is het middel terecht voorgesteld.
2.3
De Hoge Raad zal de zaak in zoverre zelf afdoen. In cassatie moet ervan worden uitgegaan dat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM bij de behandeling van de zaak in hoger beroep met twee maanden is overschreden. In aanmerking genomen dat de totale duur van de berechting in feitelijke aanleg minder dan vier jaren bedraagt, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.
3Beoordeling van de overige middelen
Ook de overige middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 februari 2020.
STRAFKAMER
Nummer 18/02896
Datum 4 februari 2020
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 19 juni 2018, nummer 22/001260-16, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,
hierna: de verdachte.
1Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft B. Kizilocak, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur en aanvullende schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schrifturen zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2Beoordeling van het vierde middel
2.1
Het middel klaagt dat het Hof heeft verzuimd te beslissen op het namens de verdachte gedane beroep op overschrijding van de redelijke termijn.
2.2
Op de gronden die zijn vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 6.3 is het middel terecht voorgesteld.
2.3
De Hoge Raad zal de zaak in zoverre zelf afdoen. In cassatie moet ervan worden uitgegaan dat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM bij de behandeling van de zaak in hoger beroep met twee maanden is overschreden. In aanmerking genomen dat de totale duur van de berechting in feitelijke aanleg minder dan vier jaren bedraagt, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.
3Beoordeling van de overige middelen
Ook de overige middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 februari 2020.