Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2019:241
2019-02-15
Bestuursrecht; Belastingrecht
17/06102
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2019:241 → ECLI:NL:PHR:2018:1035
Inhoudsindicatie
Procesrecht; overschrijding van redelijke termijn bij het doen van uitspraak op bezwaar; recht op vergoeding immateriële schade; spanning en frustratie ook verondersteld bij kennelijke niet-ontvankelijkheid van een bezwaarschrift.
Citeert (1)
- ECLI:NL:PHR:2018:1035 Parket bij de Hoge Raad 20-09-2018
Geciteerd door (21)
- ECLI:NL:OGEAC:2025:209 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 16-10-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2024:4954 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 18-07-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:96 Rechtbank Den Haag 04-01-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2023:7123 Rechtbank Den Haag 10-05-2023
- ECLI:NL:GHAMS:2023:1297 Gerechtshof Amsterdam 18-04-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:5370 Rechtbank Den Haag 13-04-2023
- ECLI:NL:RBMNE:2022:5547 Rechtbank Midden-Nederland 21-12-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:7788 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 20-12-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:7787 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 20-12-2022
- ECLI:NL:GHARL:2022:10321 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 29-11-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2022:2260 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 01-06-2022
- ECLI:NL:HR:2022:425 Hoge Raad 25-03-2022
- ECLI:NL:OGEAC:2021:193 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 22-10-2021
- ECLI:NL:RBZWB:2021:3293 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14-05-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:2225 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 09-03-2021
- ECLI:NL:RBLIM:2020:796 Rechtbank Limburg 05-02-2020
- ECLI:NL:RBZWB:2019:3795 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 22-08-2019
- ECLI:NL:RBZWB:2019:4351 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 22-08-2019
- ECLI:NL:RBGEL:2019:3126 Rechtbank Gelderland 15-07-2019
- ECLI:NL:RBGEL:2019:2604 Rechtbank Gelderland 06-06-2019
- ECLI:NL:RBGEL:2019:1950 Rechtbank Gelderland 01-05-2019
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (5.367 tekens)
15 februari 2019
Nr. 17/06102
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 24 november 2017, nr. AWB 17/3177, op het verzet van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank betreffende een door belanghebbende op aangifte voldaan bedrag aan belasting van personenauto's en motorrijwielen. De uitspraak van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op het verzet van de Rechtbank beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 20 september 2018 geconcludeerd tot het gegrond verklaren van het beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2018:1035).
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2Beoordeling van het middel
2.1.
Op 3 april 2014 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen een door haar verrichte voldoening op aangifte op 11 november 2013 van een bedrag aan belasting van personenauto’s en motorrijwielen. De Inspecteur heeft bij uitspraak van 16 mei 2017 het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift.
2.2.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op het bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Zij heeft daarbij verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van haar zaak. De Rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:54 Awb het beroep ongegrond verklaard. De Rechtbank heeft daarbij geen oordeel gegeven over het verzoek om vergoeding van immateriële schade. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank verzet gedaan. Bij de in cassatie bestreden uitspraak heeft de Rechtbank geoordeeld dat de overschrijding van de bezwaartermijn niet verschoonbaar is en zij heeft daarom het verzet ongegrond verklaard. Ook in deze uitspraak heeft de Rechtbank geen beslissing gegeven over het verzoek om vergoeding van immateriële schade.
2.3.
Het middel klaagt erover dat de Rechtbank het verzoek om vergoeding van immateriële schade onbehandeld heeft gelaten.
2.4.
Bij de behandeling van het middel wordt vooropgesteld dat ook op een bezwaar of beroep dat te laat is ingediend, binnen een redelijke termijn moet worden beslist. Ook in die gevallen moeten, behoudens bijzondere omstandigheden, spanning en frustratie als grond voor vergoeding van immateriële schade worden verondersteld. Ook in deze gevallen mag de rechter een verzoek om vergoeding van die schade niet onbehandeld laten. Dat wordt niet anders als hij van oordeel is dat het bezwaar of beroep kennelijk niet-ontvankelijk is. Een dergelijke kennelijke niet-ontvankelijkheid is geen bijzondere omstandigheid.
2.5.
Indien het ontbreken van een beslissing op het verzoek om toekenning van vergoeding van immateriële schade berust op miskenning van hetgeen hiervoor in 2.4 is overwogen, geeft de uitspraak van de Rechtbank blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Indien aan het ontbreken van die beslissing ten grondslag ligt dat de Rechtbank dat verzoek over het hoofd heeft gezien, is haar uitspraak in zoverre ontoereikend gemotiveerd.
2.6.
Het middel slaagt. De uitspraak van de Rechtbank op het verzet kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen. Opmerking verdient dat de verwijzingsrechtbank de Inspecteur nog in de gelegenheid moet stellen zich uit te laten over het verzoek van belanghebbende.
3Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
Over de kosten van het geding bij de Rechtbank dient de verwijzingsrechtbank te beslissen.
4Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van de Rechtbank op het verzet doch uitsluitend voor zover daarin een beslissing op het verzoek van belanghebbende tot vergoeding van immateriële schade in verband met overschrijding van de redelijke termijn ontbreekt,
verwijst het geding naar de Rechtbank Zeeland-West-Brabant voor de behandeling van dat verzoek,
gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 501, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 3.456 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, P.M.F. van Loon, M.E. van Hilten en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 15 februari.
De voorzitter is verhinderd het arrest te ondertekenen. In verband daarmee is het arrest ondertekend door E.N. Punt.
Nr. 17/06102
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 24 november 2017, nr. AWB 17/3177, op het verzet van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank betreffende een door belanghebbende op aangifte voldaan bedrag aan belasting van personenauto's en motorrijwielen. De uitspraak van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op het verzet van de Rechtbank beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 20 september 2018 geconcludeerd tot het gegrond verklaren van het beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2018:1035).
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2Beoordeling van het middel
2.1.
Op 3 april 2014 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen een door haar verrichte voldoening op aangifte op 11 november 2013 van een bedrag aan belasting van personenauto’s en motorrijwielen. De Inspecteur heeft bij uitspraak van 16 mei 2017 het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift.
2.2.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op het bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Zij heeft daarbij verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van haar zaak. De Rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:54 Awb het beroep ongegrond verklaard. De Rechtbank heeft daarbij geen oordeel gegeven over het verzoek om vergoeding van immateriële schade. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank verzet gedaan. Bij de in cassatie bestreden uitspraak heeft de Rechtbank geoordeeld dat de overschrijding van de bezwaartermijn niet verschoonbaar is en zij heeft daarom het verzet ongegrond verklaard. Ook in deze uitspraak heeft de Rechtbank geen beslissing gegeven over het verzoek om vergoeding van immateriële schade.
2.3.
Het middel klaagt erover dat de Rechtbank het verzoek om vergoeding van immateriële schade onbehandeld heeft gelaten.
2.4.
Bij de behandeling van het middel wordt vooropgesteld dat ook op een bezwaar of beroep dat te laat is ingediend, binnen een redelijke termijn moet worden beslist. Ook in die gevallen moeten, behoudens bijzondere omstandigheden, spanning en frustratie als grond voor vergoeding van immateriële schade worden verondersteld. Ook in deze gevallen mag de rechter een verzoek om vergoeding van die schade niet onbehandeld laten. Dat wordt niet anders als hij van oordeel is dat het bezwaar of beroep kennelijk niet-ontvankelijk is. Een dergelijke kennelijke niet-ontvankelijkheid is geen bijzondere omstandigheid.
2.5.
Indien het ontbreken van een beslissing op het verzoek om toekenning van vergoeding van immateriële schade berust op miskenning van hetgeen hiervoor in 2.4 is overwogen, geeft de uitspraak van de Rechtbank blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Indien aan het ontbreken van die beslissing ten grondslag ligt dat de Rechtbank dat verzoek over het hoofd heeft gezien, is haar uitspraak in zoverre ontoereikend gemotiveerd.
2.6.
Het middel slaagt. De uitspraak van de Rechtbank op het verzet kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen. Opmerking verdient dat de verwijzingsrechtbank de Inspecteur nog in de gelegenheid moet stellen zich uit te laten over het verzoek van belanghebbende.
3Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
Over de kosten van het geding bij de Rechtbank dient de verwijzingsrechtbank te beslissen.
4Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van de Rechtbank op het verzet doch uitsluitend voor zover daarin een beslissing op het verzoek van belanghebbende tot vergoeding van immateriële schade in verband met overschrijding van de redelijke termijn ontbreekt,
verwijst het geding naar de Rechtbank Zeeland-West-Brabant voor de behandeling van dat verzoek,
gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 501, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 3.456 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, P.M.F. van Loon, M.E. van Hilten en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 15 februari.
De voorzitter is verhinderd het arrest te ondertekenen. In verband daarmee is het arrest ondertekend door E.N. Punt.