Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2022:425
2022-03-25
Bestuursrecht; Belastingrecht
21/01597
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
HR: 81.1 RO.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2019:241 Hoge Raad 15-02-2019
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.851 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 21/01597
Datum 25 maart 2022
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
1. de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
2. de STAAT (de MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 26 februari 2021, nr. 19/00548, betreffende een verzoek om vergoeding van immateriële schade in verband met overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak.
1Het eerste geding in cassatie en de loop van het geding daarna
1.1
Bij arrest van de Hoge Raad van 15 februari 2019, nr. 17/06102, is vernietigd de uitspraak van de Rechtbank Gelderland, nr. AWB 17/3177, op het verzet van belanghebbende tegen een uitspraak van die rechtbank, met verwijzing van het geding naar de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de Rechtbank) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest.
1.2
De Rechtbank heeft de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
1.3
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.
2Het tweede geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door A.F.M.J. Verhoeven, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal middelen voorgesteld.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
3Beoordeling van de middelen
De Hoge Raad heeft de middelen over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze middelen niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze middelen is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
5Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2022.
ECLI:NL:HR:2019:241.
BELASTINGKAMER
Nummer 21/01597
Datum 25 maart 2022
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
1. de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
2. de STAAT (de MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 26 februari 2021, nr. 19/00548, betreffende een verzoek om vergoeding van immateriële schade in verband met overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak.
1Het eerste geding in cassatie en de loop van het geding daarna
1.1
Bij arrest van de Hoge Raad van 15 februari 2019, nr. 17/06102, is vernietigd de uitspraak van de Rechtbank Gelderland, nr. AWB 17/3177, op het verzet van belanghebbende tegen een uitspraak van die rechtbank, met verwijzing van het geding naar de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de Rechtbank) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest.
1.2
De Rechtbank heeft de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
1.3
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.
2Het tweede geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door A.F.M.J. Verhoeven, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal middelen voorgesteld.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
3Beoordeling van de middelen
De Hoge Raad heeft de middelen over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze middelen niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze middelen is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
5Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2022.
ECLI:NL:HR:2019:241.