Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2019:1978
2019-12-17
Strafrecht
18/04808
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2019:1978 → ECLI:NL:PHR:2019:1126
Inhoudsindicatie
Feitelijke leiding geven aan bedrieglijke bankbreuk begaan door rechtspersoon (art. 341 (oud) Sr) en feitelijk leiding geven aan valsheid in geschrift begaan door rechtspersoon, meermalen gepleegd (art. 225 Sr). (Bewijs)klachten m.b.t. 1. bestanddeel 'ter bedrieglijke verkorting van de rechten van haar schuldeisers', 2. feitelijke leidinggeven aan bedrieglijke bankbreuk, 3. kwalificatiebeslissing en 4. feitelijke leidinggeven aan valsheid in geschrift. HR: art.81.1 RO.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (7)
- ECLI:NL:PHR:2026:762 Parket bij de Hoge Raad 01-09-2026
- ECLI:NL:PHR:2021:568 Parket bij de Hoge Raad 08-06-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:568 Parket bij de Hoge Raad 08-06-2021
- ECLI:NL:PHR:2020:855 Parket bij de Hoge Raad 29-09-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:458 Parket bij de Hoge Raad 12-05-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:457 Parket bij de Hoge Raad 12-05-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:458 Parket bij de Hoge Raad 12-05-2020
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.517 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 18/04808
Datum 17 december 2019
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 6 februari 2018, nummer 22/003978-12, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1953,
hierna: de verdachte.
1Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben C.W. Noorduyn en T. Lucas, beiden advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar enkel voor wat betreft de strafoplegging, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige
De raadslieden hebben daarop schriftelijk gereageerd.
2Beoordeling van het vijfde middel
2.1
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
2.2
Het middel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde taakstraf van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis.
3Beoordeling van de overige middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft het aantal uren te
verrichten taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis;
- vermindert het aantal uren taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis in die zin
dat deze 142 uren, subsidiair 71 dagen hechtenis, belopen;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 december 2019.
STRAFKAMER
Nummer 18/04808
Datum 17 december 2019
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 6 februari 2018, nummer 22/003978-12, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1953,
hierna: de verdachte.
1Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben C.W. Noorduyn en T. Lucas, beiden advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar enkel voor wat betreft de strafoplegging, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige
De raadslieden hebben daarop schriftelijk gereageerd.
2Beoordeling van het vijfde middel
2.1
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
2.2
Het middel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde taakstraf van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis.
3Beoordeling van de overige middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft het aantal uren te
verrichten taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis;
- vermindert het aantal uren taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis in die zin
dat deze 142 uren, subsidiair 71 dagen hechtenis, belopen;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 december 2019.