Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2019:1619
2019-10-25
Bestuursrecht; Belastingrecht
18/04694
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Procesrecht; art. 7:2 en art. 7:3 Awb; hoorplicht in de bezwaarfase m.b.t. nevenvorderingen; volledig tegemoetkomen aan bezwaar.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2018:94 Hoge Raad 26-01-2018
Geciteerd door (63)
- ECLI:NL:RBZWB:2026:7478 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 20-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2025:21048 Rechtbank Den Haag 06-11-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:21047 Rechtbank Den Haag 06-11-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:19456 Rechtbank Den Haag 09-10-2025
- ECLI:NL:GHAMS:2025:1330 Gerechtshof Amsterdam 07-05-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:1594 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 18-03-2025
- ECLI:NL:RBOBR:2025:966 Rechtbank Oost-Brabant 19-02-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2024:2525 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 07-08-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:279 Gerechtshof Den Haag 08-02-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:244 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 09-01-2024
- ECLI:NL:GHAMS:2023:3584 Gerechtshof Amsterdam 14-12-2023
- ECLI:NL:RBMNE:2023:6033 Rechtbank Midden-Nederland 09-11-2023
- ECLI:NL:RBROT:2023:10028 Rechtbank Rotterdam 26-10-2023
- ECLI:NL:GHAMS:2023:2401 Gerechtshof Amsterdam 05-09-2023
- ECLI:NL:GHAMS:2023:3552 Gerechtshof Amsterdam 01-08-2023
- ECLI:NL:GHAMS:2023:1300 Gerechtshof Amsterdam 11-05-2023
- ECLI:NL:RBGEL:2023:2695 Rechtbank Gelderland 11-05-2023
- ECLI:NL:CRVB:2023:352 Centrale Raad van Beroep 22-02-2023
- ECLI:NL:GHAMS:2022:3730 Gerechtshof Amsterdam 13-12-2022
- ECLI:NL:RBGEL:2022:7067 Rechtbank Gelderland 02-12-2022
- ECLI:NL:GHDHA:2022:2635 Gerechtshof Den Haag 24-11-2022
- ECLI:NL:GHAMS:2022:2882 Gerechtshof Amsterdam 29-09-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2022:3700 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 14-09-2022
- ECLI:NL:RBROT:2022:4127 Rechtbank Rotterdam 27-05-2022
- ECLI:NL:RBNNE:2022:1687 Rechtbank Noord-Nederland 20-05-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2022:1577 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 18-05-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2022:1576 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 18-05-2022
- ECLI:NL:GHARL:2022:228 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 11-01-2022
- ECLI:NL:RBNHO:2021:12886 Rechtbank Noord-Holland 15-12-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:11106 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 30-11-2021
- ECLI:NL:RBZWB:2021:4631 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 16-09-2021
- ECLI:NL:RBZWB:2021:4630 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 16-09-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:7349 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 03-08-2021
- ECLI:NL:RBNHO:2021:5562 Rechtbank Noord-Holland 09-07-2021
- ECLI:NL:GHAMS:2021:2261 Gerechtshof Amsterdam 24-06-2021
- ECLI:NL:GHAMS:2021:2260 Gerechtshof Amsterdam 24-06-2021
- ECLI:NL:RBNHO:2021:4036 Rechtbank Noord-Holland 20-05-2021
- ECLI:NL:RBNHO:2021:3967 Rechtbank Noord-Holland 12-05-2021
- ECLI:NL:GHSHE:2021:1265 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 22-04-2021
- ECLI:NL:GHAMS:2021:816 Gerechtshof Amsterdam 23-02-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:936 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 02-02-2021
- ECLI:NL:GHSHE:2020:4105 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 31-12-2020
- ECLI:NL:GHSHE:2020:4112 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 31-12-2020
- ECLI:NL:GHSHE:2020:4108 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 31-12-2020
- ECLI:NL:GHSHE:2020:4109 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 31-12-2020
- ECLI:NL:GHSHE:2020:4106 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 31-12-2020
- ECLI:NL:GHAMS:2020:3856 Gerechtshof Amsterdam 03-12-2020
- ECLI:NL:GHAMS:2020:3859 Gerechtshof Amsterdam 03-12-2020
- ECLI:NL:GHAMS:2020:3854 Gerechtshof Amsterdam 03-12-2020
- ECLI:NL:GHAMS:2020:3862 Gerechtshof Amsterdam 03-12-2020
- ECLI:NL:GHAMS:2020:3858 Gerechtshof Amsterdam 03-12-2020
- ECLI:NL:GHAMS:2020:3860 Gerechtshof Amsterdam 03-12-2020
- ECLI:NL:GHAMS:2020:3853 Gerechtshof Amsterdam 03-12-2020
- ECLI:NL:GHAMS:2020:3852 Gerechtshof Amsterdam 27-11-2020
- ECLI:NL:RBNHO:2020:6477 Rechtbank Noord-Holland 22-07-2020
- ECLI:NL:GHSHE:2020:1847 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 19-06-2020
- ECLI:NL:GHARL:2020:3358 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 29-04-2020
- ECLI:NL:GHARL:2020:1979 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 03-03-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:184 Parket bij de Hoge Raad 28-02-2020
- ECLI:NL:GHSHE:2020:642 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 20-02-2020
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (5.946 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 18/04694
Datum 25 oktober 2019
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
1. de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
2. de STAAT (de MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 12 oktober 2018, nr. 18/00517, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 17/3926) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2Beoordeling van de middelen
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen een aan haar opgelegde naheffingsaanslag. In het bezwaarschrift heeft zij verzocht om vergoeding van de volledige kosten van rechtsbijstand voor het maken van bezwaar en om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor het doen van uitspraak op bezwaar.
2.1.2
Bij zijn uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag vernietigd. Voorts heeft hij belanghebbende een vergoeding van kosten van rechtsbijstand toegekend, berekend naar het forfaitaire tarief als bedoeld in artikel 2, lid 1, letter a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Op het verzoek om vergoeding van immateriële schade heeft de Inspecteur niet gereageerd. De Inspecteur heeft belanghebbende niet voorafgaand aan het doen van uitspraak op bezwaar in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord.
2.2.1
Belanghebbende heeft beroep ingesteld bij de Rechtbank. Zij heeft onder meer aangevoerd dat de Inspecteur haar op grond van artikel 7:2 Awb in de gelegenheid had moeten stellen om te worden gehoord.
2.2.2
Het Hof heeft geoordeeld dat als de Inspecteur de hoorplicht als bedoeld in artikel 7:2 Awb al heeft geschonden, aan deze schending met toepassing van artikel 6:22 Awb kan worden voorbijgegaan omdat belanghebbende daardoor niet is benadeeld.
2.3
Middel III is gericht tegen dit oordeel van het Hof. Het middel betoogt dat de Inspecteur de hoorplicht als bedoeld in artikel 7:2 Awb heeft geschonden doordat hij belanghebbende niet heeft gehoord over de hiervoor in 2.1.1 bedoelde verzoeken.
2.4
De beslissing op bezwaar vormt de uitkomst van de heroverweging van het primaire besluit door het bestuursorgaan. Voordat op het bezwaar wordt beslist, moet het bestuursorgaan volgens artikel 7:2, lid 1, Awb belanghebbenden in de gelegenheid stellen te worden gehoord. Indien het bestuursorgaan volledig aan het bezwaar tegemoet komt, kan het echter op grond van artikel 7:3, aanhef en letter e, Awb afzien van het horen van de belanghebbende, mits andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad. Omdat de behandeling van het bezwaar strekt tot heroverweging van het primaire besluit, moet worden aangenomen dat deze uitzondering ziet op gevallen waarin het bestuursorgaan volledig tegemoet komt aan het bezwaar dat tegen dat primaire besluit is gemaakt. In het kader van dat bezwaar gedane bijkomende verzoeken, zoals een verzoek om vergoeding van kosten die in verband met de behandeling van het bezwaar zijn gemaakt of een verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, behoren niet tot de grondslag van het bezwaar tegen het primaire besluit. Als het bestuursorgaan het voornemen heeft om niet of niet volledig te voldoen aan dergelijke in het kader van het bezwaar gedane verzoeken, is het dan ook niet op grond van artikel 7:2 Awb verplicht de belanghebbende in de gelegenheid te stellen daarover te worden gehoord.
2.5
De Inspecteur heeft in dit geval naar aanleiding van het bezwaar de naheffingsaanslag vernietigd. Gelet op hetgeen hiervoor in 2.4 is overwogen was hij daarom niet gehouden belanghebbende op grond van artikel 7:2 Awb te horen over de hiervoor in 2.1.1 bedoelde verzoeken. De Inspecteur was hiertoe ook niet verplicht op grond van enige andere regel van Nederlands nationaal recht of op grond van het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel dan wel de Unierechtelijke beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid.
2.6
Uit hetgeen hiervoor in 2.4 en 2.5 is overwogen, volgt dat middel III faalt.
2.7
De overige middelen kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 25 oktober 2019.
Zie artikel 7:15, lid 2, Awb.
Vgl. HR 26 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:94, rechtsoverweging 2.3.
BELASTINGKAMER
Nummer 18/04694
Datum 25 oktober 2019
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
1. de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
2. de STAAT (de MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 12 oktober 2018, nr. 18/00517, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 17/3926) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2Beoordeling van de middelen
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen een aan haar opgelegde naheffingsaanslag. In het bezwaarschrift heeft zij verzocht om vergoeding van de volledige kosten van rechtsbijstand voor het maken van bezwaar en om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor het doen van uitspraak op bezwaar.
2.1.2
Bij zijn uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag vernietigd. Voorts heeft hij belanghebbende een vergoeding van kosten van rechtsbijstand toegekend, berekend naar het forfaitaire tarief als bedoeld in artikel 2, lid 1, letter a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Op het verzoek om vergoeding van immateriële schade heeft de Inspecteur niet gereageerd. De Inspecteur heeft belanghebbende niet voorafgaand aan het doen van uitspraak op bezwaar in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord.
2.2.1
Belanghebbende heeft beroep ingesteld bij de Rechtbank. Zij heeft onder meer aangevoerd dat de Inspecteur haar op grond van artikel 7:2 Awb in de gelegenheid had moeten stellen om te worden gehoord.
2.2.2
Het Hof heeft geoordeeld dat als de Inspecteur de hoorplicht als bedoeld in artikel 7:2 Awb al heeft geschonden, aan deze schending met toepassing van artikel 6:22 Awb kan worden voorbijgegaan omdat belanghebbende daardoor niet is benadeeld.
2.3
Middel III is gericht tegen dit oordeel van het Hof. Het middel betoogt dat de Inspecteur de hoorplicht als bedoeld in artikel 7:2 Awb heeft geschonden doordat hij belanghebbende niet heeft gehoord over de hiervoor in 2.1.1 bedoelde verzoeken.
2.4
De beslissing op bezwaar vormt de uitkomst van de heroverweging van het primaire besluit door het bestuursorgaan. Voordat op het bezwaar wordt beslist, moet het bestuursorgaan volgens artikel 7:2, lid 1, Awb belanghebbenden in de gelegenheid stellen te worden gehoord. Indien het bestuursorgaan volledig aan het bezwaar tegemoet komt, kan het echter op grond van artikel 7:3, aanhef en letter e, Awb afzien van het horen van de belanghebbende, mits andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad. Omdat de behandeling van het bezwaar strekt tot heroverweging van het primaire besluit, moet worden aangenomen dat deze uitzondering ziet op gevallen waarin het bestuursorgaan volledig tegemoet komt aan het bezwaar dat tegen dat primaire besluit is gemaakt. In het kader van dat bezwaar gedane bijkomende verzoeken, zoals een verzoek om vergoeding van kosten die in verband met de behandeling van het bezwaar zijn gemaakt of een verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, behoren niet tot de grondslag van het bezwaar tegen het primaire besluit. Als het bestuursorgaan het voornemen heeft om niet of niet volledig te voldoen aan dergelijke in het kader van het bezwaar gedane verzoeken, is het dan ook niet op grond van artikel 7:2 Awb verplicht de belanghebbende in de gelegenheid te stellen daarover te worden gehoord.
2.5
De Inspecteur heeft in dit geval naar aanleiding van het bezwaar de naheffingsaanslag vernietigd. Gelet op hetgeen hiervoor in 2.4 is overwogen was hij daarom niet gehouden belanghebbende op grond van artikel 7:2 Awb te horen over de hiervoor in 2.1.1 bedoelde verzoeken. De Inspecteur was hiertoe ook niet verplicht op grond van enige andere regel van Nederlands nationaal recht of op grond van het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel dan wel de Unierechtelijke beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid.
2.6
Uit hetgeen hiervoor in 2.4 en 2.5 is overwogen, volgt dat middel III faalt.
2.7
De overige middelen kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 25 oktober 2019.
Zie artikel 7:15, lid 2, Awb.
Vgl. HR 26 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:94, rechtsoverweging 2.3.