Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Hoge Raad

ECLI:NL:HR:2018:94

2018-01-26 Bestuursrecht; Belastingrecht 17/04365
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
2018-01-26
Publicatiedatum
2018-01-25
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Cassatie
Zaaknummer
17/04365
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | V-N Vandaag 2018/153 | V-N 2018/7.8 | NLF 2018/0379 met annotatie van Wendy Nent | Belastingblad 2018/112 met annotatie van R.T. Wiegerink | BNB 2018/71 | FED 2018/64 met annotatie van E. THOMAS | JG 2018/8 met annotatie van mr. R. de Korte | JOM 2018/106 | NTFR 2018/329 met annotatie van mr. drs. F de Jong | FutD 2018-0269 | Viditax (FutD) 2018012604

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Vergoeding bezwaarfase. Telefonisch horen na mededeling gegrondverklaring bezwaar. Hof heeft terecht geen aanleiding gezien de gemaakte kosten in verband met het horen te vergoeden.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (5)

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (3.412 tekens)
26 januari 2018
Nr. 17/04365

Arrest


gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 5 september 2017, nr. 16/00535, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. ALK 15/5851) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de parkeerbelasting van de gemeente Hoorn. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.





1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.



2Beoordeling van de klacht

2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting, opgelegd nadat belanghebbende bij het betalen van die belasting een verkeerd kenteken in de parkeerautomaat had ingevoerd.


2.1.2.
De heffingsambtenaar heeft belanghebbende bij brief uitgenodigd voor een “telefonische hoorzitting” teneinde te worden gehoord op het door hem ingediende bezwaarschrift. Bij die gelegenheid heeft de heffingsambtenaar reeds medegedeeld dat aan het bezwaar tegemoet wordt gekomen en de naheffingsaanslag wordt vernietigd, en het telefoongesprek daarom alleen nog betrekking kon hebben op vergoeding van de kosten van de bezwaarfase. Het telefoongesprek heeft vervolgens plaatsgevonden tussen de heffingsambtenaar en de gemachtigde van belanghebbende.


2.1.3.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar gegrond verklaard, de naheffingsaanslag vernietigd maar geen kostenvergoeding toegekend.


2.2.1.
Voor het Hof was in geschil of belanghebbende recht heeft op vergoeding van kosten van de bezwaarfase.


2.2.2.
Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende recht heeft op vergoeding van de kosten van bezwaar. Het heeft echter geen punten toegekend voor het onder 2.1.2 bedoelde telefoongesprek. Daartoe heeft het Hof overwogen dat niet is gesteld of aannemelijk geworden dat het telefonisch horen op een zodanige wijze heeft plaatsgevonden dat het op één lijn moet worden gesteld met een verschijnen ter hoorzitting.



2.3.
De tegen dat oordeel gerichte klacht faalt. In de hiervoor onder 2.1.2 genoemde omstandigheden ligt besloten dat de “telefonische hoorzitting” slechts betrekking had op de vergoeding van kosten van de bezwaarfase en niet op de beslissing op het bezwaar. Daarvan uitgaande geeft ’s Hofs oordeel dat dit telefoongesprek niet op één lijn kan worden gesteld met het verschijnen ter hoorzitting naar aanleiding van een ingediend bezwaar als bedoeld in artikel 7:2, lid 1, Awb, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.




3Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.



4Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.


Dit arrest is gewezen door de raadsheer J. Wortel als voorzitter, en de raadsheren Th. Groeneveld en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2018.