Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Hoge Raad

ECLI:NL:HR:2019:1535

2019-10-08 Strafrecht 17/02951
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
2019-10-08
Publicatiedatum
2019-10-04
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
Zaaknummer
17/02951
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | RvdW 2019/1087

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Profijtontneming, w.v.v. uit verkoop van cocaïne. 1. Bij appelschriftuur gedaan en ttz. in h.b. gehandhaafd verzoek tot horen van getuigen en voorwaardelijk verzoek tot verstrekken van tapgesprekken. 2. Verweer dat betrokkene niet alle dagen van vastgestelde periode heeft gehandeld in cocaïne en verweer dat hij meermalen in het buitenland is geweest. 3. Bevindt ttz. in h.b. overgelegde pleitnota zich bij stukken van het geding? HR: art. 81.1 RO. Vervolg op 11/03659 (niet gepubliceerd; strafzaak, art. 81.1 RO).

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (1)

  • ECLI:NL:OGHACMB:2025:219 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 20-03-2025

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (2.571 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN



STRAFKAMER






Nummer 17/02951

Datum 8 oktober 2019




ARREST




op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 31 mei 2017, nummer 22/004918-15, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste



van




[betrokkene],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,
hierna: de betrokkene.





1Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en P. van Dongen, beiden advocaat te Rotterdam, bij schriftuur en aanvullende schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schrifturen zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, tot vermindering van het bedrag naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.




2Beoordeling van de middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.



3Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de betrokkene opgelegde betalingsverplichting van € 482.884,13.



4Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
- vermindert het te betalen bedrag in die zin dat de hoogte daarvan € 477.884,- bedraagt;
- verwerpt het beroep voor het overige.




Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 oktober 2019.