Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2019:1319
2019-09-13
Bestuursrecht; Belastingrecht
18/03131
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2019:1319 → ECLI:NL:GHAMS:2018:1746
Inhoudsindicatie
Procesrecht; art. 8:75 Awb; art. 1, aanhef en letter a, Bpb. Door advocaten als werknemer aan hun werkgever verleende rechtsbijstand is in de regel niet aan te merken als jegens die werkgever door een derde verleende rechtsbijstand.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2009:BC6458 Hoge Raad 13-02-2009
Geciteerd door (32)
- ECLI:NL:RBMNE:2026:6459 Rechtbank Midden-Nederland 27-08-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:5497 Rechtbank Midden-Nederland 24-07-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:5017 Rechtbank Midden-Nederland 03-07-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:5020 Rechtbank Midden-Nederland 02-07-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:5955 Rechtbank Midden-Nederland 15-06-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:4711 Rechtbank Midden-Nederland 24-04-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:4706 Rechtbank Midden-Nederland 24-04-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:4699 Rechtbank Midden-Nederland 22-04-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:2644 Rechtbank Midden-Nederland 22-04-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:2483 Rechtbank Midden-Nederland 10-03-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:2488 Rechtbank Midden-Nederland 10-03-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:2053 Rechtbank Midden-Nederland 04-03-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:2052 Rechtbank Midden-Nederland 04-03-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:2051 Rechtbank Midden-Nederland 04-03-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:6386 Rechtbank Midden-Nederland 26-02-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:1549 Rechtbank Midden-Nederland 13-02-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:1839 Rechtbank Midden-Nederland 30-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:1832 Rechtbank Midden-Nederland 30-01-2026
- ECLI:NL:RBOVE:2026:126 Rechtbank Overijssel 14-01-2026
- ECLI:NL:RBOVE:2026:305 Rechtbank Overijssel 14-01-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2025:7911 Rechtbank Midden-Nederland 17-11-2025
- ECLI:NL:RBROT:2024:13071 Rechtbank Rotterdam 20-12-2024
- ECLI:NL:OGEAM:2024:1 Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten 03-01-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2023:8692 Rechtbank Noord-Holland 29-08-2023
- ECLI:NL:GHAMS:2023:1991 Gerechtshof Amsterdam 11-07-2023
- ECLI:NL:GHAMS:2023:259 Gerechtshof Amsterdam 24-01-2023
- ECLI:NL:OGHACMB:2022:32 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 31-03-2022
- ECLI:NL:OGEAM:2022:32 Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten 30-03-2022
- ECLI:NL:PHR:2021:262 Parket bij de Hoge Raad 17-03-2021
- ECLI:NL:OGEAA:2020:454 Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba 06-11-2020
- ECLI:NL:GHDHA:2020:938 Gerechtshof Den Haag 14-04-2020
- ECLI:NL:OGEAA:2019:596 Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba 18-09-2019
Volledige tekst
Volledige tekst (4.753 tekens)
Nr. 18/03131
13 september 2019
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 5 juni 2018, nrs. 17/00229 tot en met 17/00231, op het hoger beroep van de Inspecteur en het incidentele hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nrs. HAA 15/162 tot en met HAA 15/164) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven informatiebeschikking. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2Beoordeling van de klachten
2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende is advocaat. In zijn praktijk zijn nog twee andere advocaten werkzaam.
2.1.2.
De Inspecteur heeft een informatiebeschikking vastgesteld voor aan belanghebbende op te leggen aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en in de omzetbelasting voor, respectievelijk over, de (tijdvakken in de) jaren 2008 tot en met 2010.
2.1.3.
Belanghebbende heeft zich bij de Rechtbank voorafgaande aan de eerste zitting laten vertegenwoordigen door een van zijn hiervoor in 2.1.1 bedoelde kantoorgenoten en heeft zich gedurende de onderzoeken ter zitting van de Rechtbank laten bijstaan door zijn andere kantoorgenoot.
2.2.1.
Het Hof heeft het bij de Rechtbank ingestelde beroep gegrond verklaard, en de uitspraak op bezwaar en de informatiebeschikking vernietigd voor zover deze betrekking hebben op de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2010.
2.2.2.
Het Hof heeft belanghebbende niet een vergoeding toegekend van (proces)kosten. Het heeft daartoe overwogen dat niet sprake is geweest van het inroepen van een derde voor de beroepsmatige bijstand, maar dat medewerkers van het eigen kantoor van belanghebbende hem in deze procedures hebben bijgestaan. Als zodanig is er daarom, aldus het Hof, geen sprake van kosten gemaakt voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de zin van artikel 1, aanhef en letter a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Bpb).
2.3.
De vijfde klacht is gericht tegen het hiervoor in 2.2.2 weergegeven oordeel van het Hof. In dit oordeel ligt, mede gelet op hetgeen belanghebbende blijkens het proces-verbaal van de zitting van het Hof hieromtrent heeft verklaard, besloten de vaststelling dat de bedoelde medewerkers bij belanghebbende in loondienst zijn.
2.4.1.
Bij de behandeling van deze klacht stelt de Hoge Raad voorop dat een werknemer die rechtsbijstand aan zijn werkgever verleent, daarbij ten opzichte van die werkgever in de regel niet kan worden aangemerkt als een derde in de zin van artikel 1, letter a, van het Bpb (vgl. HR 13 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BC6458, rechtsoverweging 3.6). Dit is niet anders als die werknemer advocaat is.
2.4.2.
Met zijn oordeel dat in dit geval niet kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de zin van artikel 1, letter a, van het Bpb zijn gemaakt, heeft het Hof de hiervoor in 2.4.1 geformuleerde hoofdregel niet miskend. De stukken van het geding bieden geen aanknopingspunten op grond waarvan moet worden geconcludeerd dat in dit geval aanleiding bestaat om van die hoofdregel af te wijken. Daarom behoefde dat oordeel ook geen nadere motivering. De vijfde klacht faalt.
2.4.3.
De overige klachten kunnen ook niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, P.M.F. van Loon, M.E. van Hilten en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 13 september 2019.
13 september 2019
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 5 juni 2018, nrs. 17/00229 tot en met 17/00231, op het hoger beroep van de Inspecteur en het incidentele hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nrs. HAA 15/162 tot en met HAA 15/164) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven informatiebeschikking. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2Beoordeling van de klachten
2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende is advocaat. In zijn praktijk zijn nog twee andere advocaten werkzaam.
2.1.2.
De Inspecteur heeft een informatiebeschikking vastgesteld voor aan belanghebbende op te leggen aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en in de omzetbelasting voor, respectievelijk over, de (tijdvakken in de) jaren 2008 tot en met 2010.
2.1.3.
Belanghebbende heeft zich bij de Rechtbank voorafgaande aan de eerste zitting laten vertegenwoordigen door een van zijn hiervoor in 2.1.1 bedoelde kantoorgenoten en heeft zich gedurende de onderzoeken ter zitting van de Rechtbank laten bijstaan door zijn andere kantoorgenoot.
2.2.1.
Het Hof heeft het bij de Rechtbank ingestelde beroep gegrond verklaard, en de uitspraak op bezwaar en de informatiebeschikking vernietigd voor zover deze betrekking hebben op de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2010.
2.2.2.
Het Hof heeft belanghebbende niet een vergoeding toegekend van (proces)kosten. Het heeft daartoe overwogen dat niet sprake is geweest van het inroepen van een derde voor de beroepsmatige bijstand, maar dat medewerkers van het eigen kantoor van belanghebbende hem in deze procedures hebben bijgestaan. Als zodanig is er daarom, aldus het Hof, geen sprake van kosten gemaakt voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de zin van artikel 1, aanhef en letter a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Bpb).
2.3.
De vijfde klacht is gericht tegen het hiervoor in 2.2.2 weergegeven oordeel van het Hof. In dit oordeel ligt, mede gelet op hetgeen belanghebbende blijkens het proces-verbaal van de zitting van het Hof hieromtrent heeft verklaard, besloten de vaststelling dat de bedoelde medewerkers bij belanghebbende in loondienst zijn.
2.4.1.
Bij de behandeling van deze klacht stelt de Hoge Raad voorop dat een werknemer die rechtsbijstand aan zijn werkgever verleent, daarbij ten opzichte van die werkgever in de regel niet kan worden aangemerkt als een derde in de zin van artikel 1, letter a, van het Bpb (vgl. HR 13 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BC6458, rechtsoverweging 3.6). Dit is niet anders als die werknemer advocaat is.
2.4.2.
Met zijn oordeel dat in dit geval niet kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de zin van artikel 1, letter a, van het Bpb zijn gemaakt, heeft het Hof de hiervoor in 2.4.1 geformuleerde hoofdregel niet miskend. De stukken van het geding bieden geen aanknopingspunten op grond waarvan moet worden geconcludeerd dat in dit geval aanleiding bestaat om van die hoofdregel af te wijken. Daarom behoefde dat oordeel ook geen nadere motivering. De vijfde klacht faalt.
2.4.3.
De overige klachten kunnen ook niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, P.M.F. van Loon, M.E. van Hilten en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 13 september 2019.