Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:5017
2026-07-03
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
UTR 26/1409
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
intrekking beroep, verzoek pkv, geen gemachtigde, verzoek afgewezen
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2019:1319 Hoge Raad 13-09-2019
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (3.573 tekens)
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/1409
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juli 2026 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [verzoeker] , verzoeker,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort, verweerder.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep van 17 februari 2026 dat verzoeker heeft ingesteld, omdat verweerder volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn bezwaar van 3 oktober 2025.
Op 3 maart 2026 heeft verweerder alsnog een besluit genomen waarin hij het besluit van
17 september 2026 heeft gewijzigd.
Verzoeker heeft daarna het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd van zijn proceskosten.
Verweerder heeft niet gereageerd op dit verzoek.
Overwegingen
1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoeker om vergoeding van zijn proceskosten. De rechtbank doet deze uitspraak zonder partijen voor een zitting uit te nodigen, omdat zij vindt dat zij voldoende informatie heeft om het verzoek te beoordelen.
2. Als het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift (dus aan verzoeker) tegemoet is gekomen, kan de rechtbank bepalen dat verweerder de proceskosten van de indiener van het beroepschrift moet betalen. Dat staat in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
3. In artikel 1 van het Bpb is bepaald welke kosten voor vergoeding in aanmerking komen. Dit betreft een limitatieve opsomming. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat er sprake is van beroepsmatig verleende rechtsbijstand door een derde als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van het Bpb, dan wel dat verzoeker andere kosten heeft gemaakt als genoemd in het Bpb. Omdat verzoeker geen advocaat of andere professionele juridische hulpverlener heeft gemachtigd, is er geen sprake van door een derde verleende rechtsbijstand. De rechtbank wijst het verzoek tot een proceskostenveroordeling af.
4. De rechtbank wijst het verzoek af.
5. Uit het bepaalde in artikel 8:41, zevende lid, van de Awb volgt dat verweerder verplicht is het door verzoeker betaalde griffierecht van € 54,- te vergoeden. Dit volgt rechtstreeks uit de wet. Verzoeker zal zich hiervoor tot verweerder moeten wenden.
Beslissing
De rechtbank wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van
E.H.M. Jansen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.
ECLI:NL:HR:2019:1319.
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/1409
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juli 2026 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [verzoeker] , verzoeker,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort, verweerder.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep van 17 februari 2026 dat verzoeker heeft ingesteld, omdat verweerder volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn bezwaar van 3 oktober 2025.
Op 3 maart 2026 heeft verweerder alsnog een besluit genomen waarin hij het besluit van
17 september 2026 heeft gewijzigd.
Verzoeker heeft daarna het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd van zijn proceskosten.
Verweerder heeft niet gereageerd op dit verzoek.
Overwegingen
1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoeker om vergoeding van zijn proceskosten. De rechtbank doet deze uitspraak zonder partijen voor een zitting uit te nodigen, omdat zij vindt dat zij voldoende informatie heeft om het verzoek te beoordelen.
2. Als het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift (dus aan verzoeker) tegemoet is gekomen, kan de rechtbank bepalen dat verweerder de proceskosten van de indiener van het beroepschrift moet betalen. Dat staat in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
3. In artikel 1 van het Bpb is bepaald welke kosten voor vergoeding in aanmerking komen. Dit betreft een limitatieve opsomming. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat er sprake is van beroepsmatig verleende rechtsbijstand door een derde als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van het Bpb, dan wel dat verzoeker andere kosten heeft gemaakt als genoemd in het Bpb. Omdat verzoeker geen advocaat of andere professionele juridische hulpverlener heeft gemachtigd, is er geen sprake van door een derde verleende rechtsbijstand. De rechtbank wijst het verzoek tot een proceskostenveroordeling af.
4. De rechtbank wijst het verzoek af.
5. Uit het bepaalde in artikel 8:41, zevende lid, van de Awb volgt dat verweerder verplicht is het door verzoeker betaalde griffierecht van € 54,- te vergoeden. Dit volgt rechtstreeks uit de wet. Verzoeker zal zich hiervoor tot verweerder moeten wenden.
Beslissing
De rechtbank wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van
E.H.M. Jansen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.
ECLI:NL:HR:2019:1319.