Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2019:1149
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2019:1149 → ECLI:NL:GHDHA:2017:2351 (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
- conclusie ECLI:NL:HR:2019:1149 → ECLI:NL:PHR:2019:585
Inhoudsindicatie
Aanwezigheidsrecht, detentie uit anderen hoofde gebleken uit in cassatie overgelegd stuk. Appeldagvaarding is uitgereikt aan huisgenoot van verdachte op oud, inmiddels achterhaald BRP-adres (daklozenloket) en vervolgens tevergeefs aangeboden op adres in appelakte en uitgereikt aan griffier met verzending naar adres in appelakte. Gemachtigde raadsman van verdachte heeft ttz. in h.b. geen aanhoudingsverzoek gedaan maar heeft wel verklaard dat verdachte hem “gistermiddag” telefonisch heeft medegedeeld op zitting aanwezig te zijn en dat hij “zojuist” geen contact met verdachte heeft kunnen krijgen. HR: Op gronden vermeld in CAG is middel terecht voorgesteld. CAG: Uit aan cassatieschriftuur gehecht stuk blijkt dat verdachte op dag van tz. (11:05 uur) om 04:45 uur is aangehouden en is ingesloten op politiebureau en op diezelfde dag om 14:59 uur is heengezonden. Aan herkomst en betrouwbaarheid van dit stuk hoeft in redelijkheid niet te worden getwijfeld. Gelet hierop is ‘s Hofs beslissing om zaak buiten aanwezigheid van verdachte te behandelen, omdat Hof gerechtvaardigd vermoeden kon hebben dat verdachte vrijwillig afstand had gedaan van zijn aanwezigheidsrecht, achteraf bezien onjuist. Daardoor is aan recht van verdachte om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht tekortgedaan. Enkele omstandigheid dat raadsman geen aanhoudingsverzoek heeft gedaan brengt niet mee dat hierover anders moet worden gedacht, in aanmerking genomen dat raadsman Hof heeft kenbaar gemaakt dat verdachte hem “gistermiddag” heeft meegedeeld dat hij wel ttz. aanwezig zou zijn en dat hij “zojuist” geen contact met verdachte heeft kunnen krijgen. Volgt vernietiging en terugwijzing.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (10)
- ECLI:NL:PHR:2021:1128 Parket bij de Hoge Raad 30-11-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:1127 Parket bij de Hoge Raad 30-11-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:1127 Parket bij de Hoge Raad 30-11-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:1128 Parket bij de Hoge Raad 30-11-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:407 Parket bij de Hoge Raad 20-04-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:143 Parket bij de Hoge Raad 16-02-2021
- ECLI:NL:GHAMS:2020:2660 Gerechtshof Amsterdam 25-09-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:821 Parket bij de Hoge Raad 22-09-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:822 Parket bij de Hoge Raad 22-09-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:427 Parket bij de Hoge Raad 12-05-2020
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.282 tekens)
STRAFKAMER
Nummer 18/01063
Datum 9 juli 2019
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 19 juli 2017, nummer 22/004722-16, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,
hierna: de verdachte.
1Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft C. van Aken, advocaat te Geertruidenberg, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2Beoordeling van het eerste middel
2.1
Het middel klaagt dat de verdachte in strijd met art. 6 EVRM niet in de gelegenheid is gesteld bij de berechting van zijn zaak in hoger beroep aanwezig te zijn, omdat hij ten tijde van de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep was ingesloten in een politiebureau en hij niet vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht.
2.2
Op de gronden die zijn vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4 tot en met 12 is het middel terecht voorgesteld.
3Beoordeling van het tweede middel
Gelet op de hierna volgende beslissing behoeft het middel geen bespreking.
4Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de bestreden uitspraak;
- wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Den Haag, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 juli 2019.