Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2018:4
2018-01-05
Bestuursrecht; Belastingrecht
17/00123
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2018:4 → ECLI:NL:GHSHE:2016:5369 (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
- conclusie ECLI:NL:HR:2018:4 → ECLI:NL:PHR:2017:914 gedeeltelijk contrair
Inhoudsindicatie
Art. 6.17 Wet IB 2001 (tekst 2008). Vaststelling buitengewone uitgaven in goede justitie. Het Hof heeft de bewijslast onjuist verdeeld dan wel zijn uitspraak onvoldoende gemotiveerd.
Citeert (2)
- ECLI:NL:PHR:2017:914 Parket bij de Hoge Raad 05-09-2017
- ECLI:NL:HR:2011:BP2995 Hoge Raad 04-02-2011
Geciteerd door (85)
- ECLI:NL:GHSHE:2026:1076 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 22-04-2026
- ECLI:NL:GHSHE:2026:589 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 04-03-2026
- ECLI:NL:GHSHE:2026:590 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 04-03-2026
- ECLI:NL:GHSHE:2025:1081 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 16-04-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:1750 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 25-03-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:340 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 12-02-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:72 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 15-01-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:76 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 15-01-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:75 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 15-01-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2024:3749 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 27-11-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:2937 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 18-09-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:4773 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 11-07-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:2224 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 10-07-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:2229 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 10-07-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:4625 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 05-07-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:3603 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 30-05-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:1412 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 24-04-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:1051 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 27-03-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:707 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 06-03-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2023:4254 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 20-12-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:3703 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 08-11-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:2519 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 02-08-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:3805 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 21-06-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:3805 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 21-06-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2022:4040 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 23-11-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2022:4037 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 03-11-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2022:2941 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 11-08-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:645 Parket bij de Hoge Raad 30-06-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:3626 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 30-06-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:3518 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 27-06-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2022:2012 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 22-06-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:3025 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 03-06-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:2598 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 13-05-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2022:866 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 16-03-2022
- ECLI:NL:RBNNE:2022:734 Rechtbank Noord-Nederland 15-03-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:408 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 31-01-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:407 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 31-01-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:406 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 31-01-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:405 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 31-01-2022
- ECLI:NL:GHAMS:2021:4083 Gerechtshof Amsterdam 23-11-2021
- ECLI:NL:RBZWB:2021:5215 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14-10-2021
- ECLI:NL:RBZWB:2021:5213 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14-10-2021
- ECLI:NL:RBZWB:2021:5213 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14-10-2021
- ECLI:NL:RBZWB:2021:5215 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14-10-2021
- ECLI:NL:RBZWB:2021:5214 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14-10-2021
- ECLI:NL:RBZWB:2021:5214 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14-10-2021
- ECLI:NL:GHSHE:2021:2127 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 08-07-2021
- ECLI:NL:GHSHE:2021:2127 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 08-07-2021
- ECLI:NL:RBZWB:2021:3258 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 23-06-2021
- ECLI:NL:RBZWB:2021:2705 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 01-06-2021
- ECLI:NL:RBZWB:2021:2704 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 01-06-2021
- ECLI:NL:GHSHE:2021:1489 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 20-05-2021
- ECLI:NL:GHSHE:2021:1264 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 22-04-2021
- ECLI:NL:RBZWB:2021:4607 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 26-03-2021
- ECLI:NL:RBZWB:2021:4609 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 26-03-2021
- ECLI:NL:GHSHE:2020:2983 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 02-10-2020
- ECLI:NL:GHSHE:2020:2982 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 02-10-2020
- ECLI:NL:GHSHE:2020:2351 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 23-07-2020
- ECLI:NL:GHSHE:2020:2217 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 16-07-2020
- ECLI:NL:GHSHE:2020:2218 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 16-07-2020
Volledige tekst
Volledige tekst (7.004 tekens)
5 januari 2018
Nr. 17/00123
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch van 1 december 2016, nrs. 15/00675 en 16/00676, op het hoger beroep van wijlen [A], gewoond hebbende te [Z] (hierna: belanghebbende), tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland‑West‑Brabant (nrs. AWB 14/202 en AWB 14/203) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2008 opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) en in de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw). De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
De Staatssecretaris heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft tevens incidenteel beroep in cassatie ingesteld.
Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
De Staatssecretaris heeft zijn zienswijze omtrent het incidentele beroep naar voren gebracht.
Belanghebbende heeft in het incidentele beroep een conclusie van repliek ingediend.
De Advocaat‑Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 5 september 2017 geconcludeerd tot gegrondverklaring van zowel het principale als het incidentele beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2017:914).
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2Beoordeling van het middel
2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende is invalide en heeft in de jaren 2008 en 2009 zijn woning aangepast (hierna: de woningaanpassing) voor een bedrag van € 559.874,04. De woningaanpassing heeft geleid tot een waardestijging van de woning met € 75.000 tot € 375.000.
2.1.2.
Belanghebbende heeft op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten een tegemoetkoming gekregen in de kosten van de woningaanpassing groot € 103.429,27.
2.1.3.
In het jaar 2008 hebben belanghebbende en zijn echtgenote ervoor gekozen de persoonsgebonden aftrek op grond van artikel 2.17 Wet IB 2001 bij helfte te verdelen. Ter zake van de woningaanpassing hebben zij in hun aangiften IB/PVV voor dat jaar ieder een bedrag van € 110.471 aan buitengewone uitgaven aangegeven.
2.1.4.
De Inspecteur heeft bij brief van 17 april 2012 vragen gesteld aan belanghebbende en zijn echtgenote over de kosten van de woningaanpassing. Belanghebbende heeft de vragen beantwoord bij brief van 25 april 2012 en daarbij diverse bijlagen gevoegd.
2.1.5.
Met dagtekening 24 augustus 2012 heeft de Inspecteur de aanslagen IB/PVV en Zvw van de echtgenote van belanghebbende voor het jaar 2008 vastgesteld overeenkomstig de ingediende aangifte. Nadien heeft de Inspecteur de aanslagen van belanghebbende vastgesteld rekening houdend met een persoonsgebonden aftrek van, na bezwaar, € 9175.
2.2.1.
Voor het Hof was onder meer in geschil of de woningaanpassing geheel op grond van medische noodzaak heeft plaatsgevonden of dat zij deels is voortgekomen uit persoonlijke woonvoorkeuren van belanghebbende.
2.2.2.
Naar ’s Hofs oordeel heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat alle gemaakte kosten volledig voortkomen uit medische noodzaak. Daarom heeft belanghebbende ook niet aannemelijk gemaakt dat hij zich redelijkerwijs gedrongen heeft kunnen voelen tot het besteden van een bedrag van € 559.874,04 aan de aanpassing van zijn woning in verband met invaliditeit. Het Hof heeft voorts het beroep van belanghebbende op het gelijkheids en het vertrouwensbeginsel afgewezen.
De Inspecteur heeft naar ’s Hofs oordeel evenmin aannemelijk gemaakt dat door belanghebbende en zijn echtgenote in het jaar 2008 in totaal niet meer dan een bedrag van € 15.719 als buitengewone uitgaven ter zake van de woningaanpassing in aanmerking kan worden genomen. Rekening houdend met onder meer de gekozen verdeling van de persoonsgebonden aftrek bij helfte, heeft het Hof de buitengewone uitgaven van belanghebbende in goede justitie vastgesteld op € 85.000.
3Beoordeling van het in het principale beroep voorgestelde middel
3.1.1. Tegen ’s Hofs vaststelling in goede justitie richt zich het principale beroep in cassatie met één middel.
3.1.2. Het middel slaagt. De Inspecteur heeft gemotiveerd betwist dat de door belanghebbende gemaakte kosten voor woningaanpassing (volledig) voortvloeien uit medische noodzaak. Dan rust op belanghebbende de last te bewijzen in hoeverre de door hem gemaakte kosten uit medische noodzaak voortvloeien. Zonder vast te stellen in hoeverre belanghebbende in dit bewijs is geslaagd, heeft het Hof het voor aftrek in aanmerking komende bedrag in goede justitie geschat. Aldus heeft het Hof de bewijslast onjuist verdeeld dan wel zijn uitspraak niet naar behoren gemotiveerd.
4Beoordeling van de in het incidentele beroep voorgestelde middelen
4.1.
Middel 3 klaagt erover dat het Hof belanghebbendes verzoek om een integrale proceskostenvergoeding zonder nadere motivering heeft afgewezen. Het middel faalt. In een weigering een hogere proceskostenvergoeding toe te kennen ligt besloten dat de rechter geen bijzondere omstandigheden aanwezig acht die aanleiding geven gebruik te maken van de bevoegdheid af te wijken van artikel 2, lid 1, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Het Hof was niet tot een nadere motivering van zijn afwijzing verplicht (zie HR 4 februari 2011, nr. 10/01397, ECLI:NL:HR:2011:BP2995, BNB 2011/101).
4.2.
De overige middelen kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
6Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het principale beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën gegrond,
verklaart het incidentele beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof,
verwijst het geding naar het Gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra en Th. Groeneveld, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 5 januari 2018.
Nr. 17/00123
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch van 1 december 2016, nrs. 15/00675 en 16/00676, op het hoger beroep van wijlen [A], gewoond hebbende te [Z] (hierna: belanghebbende), tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland‑West‑Brabant (nrs. AWB 14/202 en AWB 14/203) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2008 opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) en in de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw). De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
De Staatssecretaris heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft tevens incidenteel beroep in cassatie ingesteld.
Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
De Staatssecretaris heeft zijn zienswijze omtrent het incidentele beroep naar voren gebracht.
Belanghebbende heeft in het incidentele beroep een conclusie van repliek ingediend.
De Advocaat‑Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 5 september 2017 geconcludeerd tot gegrondverklaring van zowel het principale als het incidentele beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2017:914).
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2Beoordeling van het middel
2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende is invalide en heeft in de jaren 2008 en 2009 zijn woning aangepast (hierna: de woningaanpassing) voor een bedrag van € 559.874,04. De woningaanpassing heeft geleid tot een waardestijging van de woning met € 75.000 tot € 375.000.
2.1.2.
Belanghebbende heeft op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten een tegemoetkoming gekregen in de kosten van de woningaanpassing groot € 103.429,27.
2.1.3.
In het jaar 2008 hebben belanghebbende en zijn echtgenote ervoor gekozen de persoonsgebonden aftrek op grond van artikel 2.17 Wet IB 2001 bij helfte te verdelen. Ter zake van de woningaanpassing hebben zij in hun aangiften IB/PVV voor dat jaar ieder een bedrag van € 110.471 aan buitengewone uitgaven aangegeven.
2.1.4.
De Inspecteur heeft bij brief van 17 april 2012 vragen gesteld aan belanghebbende en zijn echtgenote over de kosten van de woningaanpassing. Belanghebbende heeft de vragen beantwoord bij brief van 25 april 2012 en daarbij diverse bijlagen gevoegd.
2.1.5.
Met dagtekening 24 augustus 2012 heeft de Inspecteur de aanslagen IB/PVV en Zvw van de echtgenote van belanghebbende voor het jaar 2008 vastgesteld overeenkomstig de ingediende aangifte. Nadien heeft de Inspecteur de aanslagen van belanghebbende vastgesteld rekening houdend met een persoonsgebonden aftrek van, na bezwaar, € 9175.
2.2.1.
Voor het Hof was onder meer in geschil of de woningaanpassing geheel op grond van medische noodzaak heeft plaatsgevonden of dat zij deels is voortgekomen uit persoonlijke woonvoorkeuren van belanghebbende.
2.2.2.
Naar ’s Hofs oordeel heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat alle gemaakte kosten volledig voortkomen uit medische noodzaak. Daarom heeft belanghebbende ook niet aannemelijk gemaakt dat hij zich redelijkerwijs gedrongen heeft kunnen voelen tot het besteden van een bedrag van € 559.874,04 aan de aanpassing van zijn woning in verband met invaliditeit. Het Hof heeft voorts het beroep van belanghebbende op het gelijkheids en het vertrouwensbeginsel afgewezen.
De Inspecteur heeft naar ’s Hofs oordeel evenmin aannemelijk gemaakt dat door belanghebbende en zijn echtgenote in het jaar 2008 in totaal niet meer dan een bedrag van € 15.719 als buitengewone uitgaven ter zake van de woningaanpassing in aanmerking kan worden genomen. Rekening houdend met onder meer de gekozen verdeling van de persoonsgebonden aftrek bij helfte, heeft het Hof de buitengewone uitgaven van belanghebbende in goede justitie vastgesteld op € 85.000.
3Beoordeling van het in het principale beroep voorgestelde middel
3.1.1. Tegen ’s Hofs vaststelling in goede justitie richt zich het principale beroep in cassatie met één middel.
3.1.2. Het middel slaagt. De Inspecteur heeft gemotiveerd betwist dat de door belanghebbende gemaakte kosten voor woningaanpassing (volledig) voortvloeien uit medische noodzaak. Dan rust op belanghebbende de last te bewijzen in hoeverre de door hem gemaakte kosten uit medische noodzaak voortvloeien. Zonder vast te stellen in hoeverre belanghebbende in dit bewijs is geslaagd, heeft het Hof het voor aftrek in aanmerking komende bedrag in goede justitie geschat. Aldus heeft het Hof de bewijslast onjuist verdeeld dan wel zijn uitspraak niet naar behoren gemotiveerd.
4Beoordeling van de in het incidentele beroep voorgestelde middelen
4.1.
Middel 3 klaagt erover dat het Hof belanghebbendes verzoek om een integrale proceskostenvergoeding zonder nadere motivering heeft afgewezen. Het middel faalt. In een weigering een hogere proceskostenvergoeding toe te kennen ligt besloten dat de rechter geen bijzondere omstandigheden aanwezig acht die aanleiding geven gebruik te maken van de bevoegdheid af te wijken van artikel 2, lid 1, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Het Hof was niet tot een nadere motivering van zijn afwijzing verplicht (zie HR 4 februari 2011, nr. 10/01397, ECLI:NL:HR:2011:BP2995, BNB 2011/101).
4.2.
De overige middelen kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
6Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het principale beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën gegrond,
verklaart het incidentele beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof,
verwijst het geding naar het Gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra en Th. Groeneveld, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 5 januari 2018.