Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2021:2705
2021-06-01
Bestuursrecht; Belastingrecht
BRE-20_10279_10280
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Voor deze uitspraak is geen samenvatting gemaakt
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2018:4 Hoge Raad 05-01-2018
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (3.761 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht, enkelvoudige kamer
Locatie: Breda
Zaaknummers BRE 20/10279 en 20/10280
uitspraak van 1 juni 2021
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de gedingen tussen
[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] ,
belanghebbende,
en
de inspecteur van de Belastingdienst,
de inspecteur.
Motivering
Belanghebbende heeft een beroepschrift ingediend betreffende de uitspraken op bezwaar tegen de (navorderings)aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2016 en 2017 met aanslagnummers [aanslagnummer] H.67.01 en [aanslagnummer] H.76.01.
Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende tijdens de bezwaarfase niet is gehoord. De beroepen van belanghebbende zijn dan ook kennelijk gegrond. De uitspraken op bezwaar dienen te worden vernietigd. Beide partijen hebben verzocht om de zaken terug te wijzen. De rechtbank zal dit doen.
Griffierecht
Nu de beroepen kennelijk gegrond zijn, dient de inspecteur op grond van artikel 8:74, eerste lid, van de Awb, aan belanghebbende het griffierecht te vergoeden.
Proceskosten
De rechtbank ziet aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De rechtbank stelt de te vergoeden kosten voor juridische bijstand in de beroepsfase vast op € 267. Dit bedrag is gebaseerd op toepassing van het tarief dat is vermeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 534 en een wegingsfactor 0,5). De rechtbank heeft een wegingsfactor 0,5 gehanteerd omdat het gaat om een kennelijk gegrond beroep omdat de hoorplicht is geschonden. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een hogere vergoeding van de proceskosten. Er is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit. De rechtbank hoeft dit niet verder te motiveren. Vanwege de samenhang met de zaak van de partner van belanghebbende met zaaknummer BRE 20/10334 wordt in ieder van deze zaken een vergoeding toegekend van € 133,50 (1/2 x € 267). Een beslissing over een eventuele kostenvergoeding voor de bezwaarfase blijft in deze stand van de procedure achterwege aangezien de bezwaarfase nog niet is afgerond.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de uitspraken op bezwaar;
- draagt de inspecteur op nieuwe uitspraken op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten ten bedrage van € 133,50;
- bepaalt dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van tweemaal € 48 aan hem vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van
P. van der Hoeven, griffier, op 1 juni 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending verzet worden gedaan bij de rechtbank (artikel 8:55 Awb). De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.
Zie Hoge Raad 5 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:4
Belastingrecht, enkelvoudige kamer
Locatie: Breda
Zaaknummers BRE 20/10279 en 20/10280
uitspraak van 1 juni 2021
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de gedingen tussen
[belanghebbende] , wonende te [woonplaats] ,
belanghebbende,
en
de inspecteur van de Belastingdienst,
de inspecteur.
Motivering
Belanghebbende heeft een beroepschrift ingediend betreffende de uitspraken op bezwaar tegen de (navorderings)aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2016 en 2017 met aanslagnummers [aanslagnummer] H.67.01 en [aanslagnummer] H.76.01.
Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende tijdens de bezwaarfase niet is gehoord. De beroepen van belanghebbende zijn dan ook kennelijk gegrond. De uitspraken op bezwaar dienen te worden vernietigd. Beide partijen hebben verzocht om de zaken terug te wijzen. De rechtbank zal dit doen.
Griffierecht
Nu de beroepen kennelijk gegrond zijn, dient de inspecteur op grond van artikel 8:74, eerste lid, van de Awb, aan belanghebbende het griffierecht te vergoeden.
Proceskosten
De rechtbank ziet aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De rechtbank stelt de te vergoeden kosten voor juridische bijstand in de beroepsfase vast op € 267. Dit bedrag is gebaseerd op toepassing van het tarief dat is vermeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 534 en een wegingsfactor 0,5). De rechtbank heeft een wegingsfactor 0,5 gehanteerd omdat het gaat om een kennelijk gegrond beroep omdat de hoorplicht is geschonden. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een hogere vergoeding van de proceskosten. Er is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit. De rechtbank hoeft dit niet verder te motiveren. Vanwege de samenhang met de zaak van de partner van belanghebbende met zaaknummer BRE 20/10334 wordt in ieder van deze zaken een vergoeding toegekend van € 133,50 (1/2 x € 267). Een beslissing over een eventuele kostenvergoeding voor de bezwaarfase blijft in deze stand van de procedure achterwege aangezien de bezwaarfase nog niet is afgerond.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de uitspraken op bezwaar;
- draagt de inspecteur op nieuwe uitspraken op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten ten bedrage van € 133,50;
- bepaalt dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van tweemaal € 48 aan hem vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van
P. van der Hoeven, griffier, op 1 juni 2021 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending verzet worden gedaan bij de rechtbank (artikel 8:55 Awb). De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.
Zie Hoge Raad 5 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:4