Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Hoge Raad

ECLI:NL:HR:2018:2311

2018-12-14 Civiel recht 18/04430
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
2018-12-14
Publicatiedatum
2018-12-13
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Cassatie
Zaaknummer
18/04430
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | NJ 2019/22 | RvdW 2019/45 | JBP 2019/1 | Module Privacy en AVG 2019/1900 | Module Privacy & AVG 2019/1900

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Cassatieprocesrecht. Art. 426a lid 1 Rv. Niet-ontvankelijkheid. Verzoekschrift niet ondertekend door advocaat bij de Hoge Raad. Houdt art. 46 lid 4 Wet bescherming persoonsgegevens uitzondering in op art. 426a lid 1 Rv? (Vgl. HR 18 juni 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2947.)

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (5)

Volledige tekst

Volledige tekst (2.673 tekens)
14 december 2018
Eerste Kamer
18/04430
TT/AR


Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking


in de zaak van:



[verzoeker],wonende te [woonplaats],

VERZOEKER tot cassatie,





t e g e n




COÖPERATIEVE RABOBANK U.A.,gevestigd te Utrecht,

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen.



Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [verzoeker] en Rabobank.





1Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de beschikking in de zaak C/10/526990/HA RK 17-414 van de rechtbank Rotterdam van 22 december 2017;
b. de beschikking in de zaak 200.233.138/01 van het gerechtshof Den Haag van 10 juli 2018.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.




2Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
Rabobank heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker in zijn cassatieberoep.

[verzoeker] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.





3Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
Het op 9 oktober 2018 ingekomen verzoekschrift is ingediend door [verzoeker] zelf en is niet, zoals vereist door art. 426a lid 1 Rv, ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad. Dit verzuim kan worden hersteld door hetzelfde verzoekschrift binnen twee weken na binnenkomst ter griffie van de Hoge Raad opnieuw in te dienen, maar nu ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad. Van deze mogelijkheid is geen gebruik gemaakt. Dit brengt mee dat [verzoeker] in zijn beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Weliswaar bepaalt art. 46 lid 4 Wet bescherming persoonsgegevens dat een verzoekschrift als bedoeld in dat artikel niet behoeft te worden ingediend door een advocaat, maar deze bepaling heeft geen betrekking op de procedure in cassatie. (Vgl. HR 18 juni 1999, ECLI:NL: HR:1999:ZC2947.)




4Beslissing
De Hoge Raad verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn beroep.


Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en C.E. du Perron, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op 14 december 2018.