Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2019:685
2019-05-10
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
19/00013
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2019:685 → ECLI:NL:GHAMS:2018:3453 niet ontvankelijk
- conclusie ECLI:NL:HR:2019:685 → ECLI:NL:PHR:2019:502 gevolgd
Inhoudsindicatie
Procesrecht. Ontvankelijkheid in cassatie, art. 426a lid 1 Rv; verzoekschrift niet ondertekend door advocaat bij HR. Vormt art. 46 lid 4 Wet bescherming persoonsgegevens een uitzondering op art. 426a Rv? Gelijkheidsbeginsel.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2018:2311 Hoge Raad 14-12-2018
Geciteerd door (1)
- ECLI:NL:PHR:2022:902 Parket bij de Hoge Raad 16-09-2022
Volledige tekst
Volledige tekst (2.702 tekens)
10 mei 2019
Eerste Kamer
19/00013
TT/AR
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[verzoeker] ,wonende te [woonplaats] ,
VERZOEKER tot cassatie,
t e g e n
ABN AMRO BANK N.V.
gevestigd te Amsterdam,
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Verzoeker zal hierna ook worden aangeduid als [verzoeker] .
1Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de beschikking in de zaak C/13/625635/HA RK 17-83 van de rechtbank Amsterdam van 13 juli 2017;
b. de beschikking in de zaak 200.220.119/01 van het gerechtshof Amsterdam van 11 september 2018.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker in zijn cassatieberoep.
[verzoeker] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
3Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
Het op 9 oktober 2018 ingekomen verzoekschrift is ingediend door [verzoeker] zelf en is niet, zoals vereist door art. 426a lid 1 Rv, ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad. Dit verzuim kan worden hersteld door hetzelfde verzoekschrift binnen twee weken na binnenkomst ter griffie van de Hoge Raad opnieuw in te dienen, maar nu ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad. Van deze mogelijkheid is geen gebruik gemaakt. Dit brengt mee dat [verzoeker] in zijn beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Weliswaar bepaalt art. 46 lid 4 (oud) Wet bescherming persoonsgegevens dat een verzoekschrift als bedoeld in dat artikel niet behoeft te worden ingediend door een advocaat, maar deze bepaling heeft geen betrekking op de procedure in cassatie (HR 14 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2311). Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt op de gronden vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 8.
4Beslissing
De Hoge Raad verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren G. Snijders, als voorzitter, T.H. Tanja-van den Broek en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op 10 mei 2019.
Eerste Kamer
19/00013
TT/AR
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[verzoeker] ,wonende te [woonplaats] ,
VERZOEKER tot cassatie,
t e g e n
ABN AMRO BANK N.V.
gevestigd te Amsterdam,
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Verzoeker zal hierna ook worden aangeduid als [verzoeker] .
1Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de beschikking in de zaak C/13/625635/HA RK 17-83 van de rechtbank Amsterdam van 13 juli 2017;
b. de beschikking in de zaak 200.220.119/01 van het gerechtshof Amsterdam van 11 september 2018.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker in zijn cassatieberoep.
[verzoeker] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
3Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
Het op 9 oktober 2018 ingekomen verzoekschrift is ingediend door [verzoeker] zelf en is niet, zoals vereist door art. 426a lid 1 Rv, ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad. Dit verzuim kan worden hersteld door hetzelfde verzoekschrift binnen twee weken na binnenkomst ter griffie van de Hoge Raad opnieuw in te dienen, maar nu ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad. Van deze mogelijkheid is geen gebruik gemaakt. Dit brengt mee dat [verzoeker] in zijn beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Weliswaar bepaalt art. 46 lid 4 (oud) Wet bescherming persoonsgegevens dat een verzoekschrift als bedoeld in dat artikel niet behoeft te worden ingediend door een advocaat, maar deze bepaling heeft geen betrekking op de procedure in cassatie (HR 14 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2311). Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt op de gronden vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 8.
4Beslissing
De Hoge Raad verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren G. Snijders, als voorzitter, T.H. Tanja-van den Broek en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op 10 mei 2019.