Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2018:1789
2018-09-28
Bestuursrecht; Belastingrecht
17/01298
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2018:1789 → ECLI:NL:GHSHE:2017:1416 (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Inhoudsindicatie
Invorderingsrente; art. 8:69 Awb; art. 28c en art. 30 IW 1990; vergoeding van zogenoemde Irimie-rente; rechter is niet bevoegd in een procedure over de teruggaaf van bpm de Inspecteur te gelasten om Irimie-rente te vergoeden.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2017:341 Hoge Raad 03-03-2017
Geciteerd door (12)
- ECLI:NL:GHSHE:2026:1130 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 29-04-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2024:6088 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 30-08-2024
- ECLI:NL:RBGEL:2022:2412 Rechtbank Gelderland 25-04-2022
- ECLI:NL:GHARL:2021:8822 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21-09-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:8826 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21-09-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:8824 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21-09-2021
- ECLI:NL:GHAMS:2021:816 Gerechtshof Amsterdam 23-02-2021
- ECLI:NL:GHAMS:2020:3862 Gerechtshof Amsterdam 03-12-2020
- ECLI:NL:GHARL:2020:3358 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 29-04-2020
- ECLI:NL:RBGEL:2019:1746 Rechtbank Gelderland 19-04-2019
- ECLI:NL:GHDHA:2018:3477 Gerechtshof Den Haag 27-11-2018
- ECLI:NL:GHSHE:2018:4461 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 25-10-2018
Volledige tekst
Volledige tekst (4.513 tekens)
28 september 2018
nr. 17/01298
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 30 maart 2017, nr. 16/00076, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. BRE 13/6462), betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto's en motorrijwielen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft tevens incidenteel beroep in cassatie ingesteld.
Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft schriftelijk zijn zienswijze omtrent het incidentele beroep naar voren gebracht.
Belanghebbende heeft in het principale beroep een conclusie van repliek ingediend.
2Uitgangspunten in cassatie
De Rechtbank heeft bij uitspraak van 29 december 2015 de op 19 mei 2013 aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) verminderd. Op het hoger beroep van belanghebbende heeft het Hof die naheffingsaanslag bij de in cassatie bestreden uitspraak van 30 maart 2017 verder verminderd. Daarbij heeft het Hof beslist dat aan belanghebbende rente moet worden vergoed overeenkomstig artikel 28c van de Invorderingswet 1990 (hierna: de Wet), te berekenen over het tijdvak dat aanvangt op de dag na die waarop de naheffingsaanslag is betaald en eindigt op de dag voorafgaand aan die van de terugbetaling.
3. Beoordeling van de in het principale beroep voorgestelde middelen en het in het incidentele beroep voorgestelde middel
3.1.
Het in het principale beroep voorgestelde middel I, gericht tegen de hiervoor in onderdeel 2 weergegeven beslissing van het Hof over de hoogte van de naheffingsaanslag, kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu dat middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3.2.
Zowel het in het principale beroep voorgestelde middel II als het in het incidentele beroep voorgestelde middel is gericht tegen de hiervoor in onderdeel 2 weergegeven beslissing van het Hof over de rentevergoeding.
3.3.
Het in het incidentele beroep voorgestelde middel betoogt dat het Hof in de onderhavige procedure niet bevoegd was te gelasten dat aan belanghebbende overeenkomstig artikel 28c van de Wet rente moet worden vergoed over het onverschuldigd betaalde bedrag aan bpm omdat in deze procedure niet een voor bezwaar vatbare beschikking van de ontvanger voorwerp van geschil was. Dit middel slaagt op de gronden die zijn vermeld in rechtsoverweging 2.2.5 van het arrest van de Hoge Raad van 3 maart 2017, nr. 16/01176, ECLI:NL:HR:2017:341, BNB 2017/99.
3.4.
De hiervoor in 3.3 bedoelde gronden brengen tevens mee dat het in het principale beroep voorgestelde middel II niet tot cassatie kan leiden.
3.5.
Gelet op hetgeen hiervoor in 3.3 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
4Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het principale beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond,
verklaart het incidentele beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën gegrond, en
vernietigt de uitspraak van het Hof, doch uitsluitend voor zover het Hof heeft beslist dat door de Inspecteur aan belanghebbende overeenkomstig het bepaalde in artikel 28c van de Invorderingswet 1990 rente moet worden vergoed.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer E.N. Punt als voorzitter, en de raadsheren J.A.C.A. Overgaauw, P.M.F. van Loon, L.F. van Kalmthout en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 28 september 2018.
nr. 17/01298
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 30 maart 2017, nr. 16/00076, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. BRE 13/6462), betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto's en motorrijwielen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft tevens incidenteel beroep in cassatie ingesteld.
Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft schriftelijk zijn zienswijze omtrent het incidentele beroep naar voren gebracht.
Belanghebbende heeft in het principale beroep een conclusie van repliek ingediend.
2Uitgangspunten in cassatie
De Rechtbank heeft bij uitspraak van 29 december 2015 de op 19 mei 2013 aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) verminderd. Op het hoger beroep van belanghebbende heeft het Hof die naheffingsaanslag bij de in cassatie bestreden uitspraak van 30 maart 2017 verder verminderd. Daarbij heeft het Hof beslist dat aan belanghebbende rente moet worden vergoed overeenkomstig artikel 28c van de Invorderingswet 1990 (hierna: de Wet), te berekenen over het tijdvak dat aanvangt op de dag na die waarop de naheffingsaanslag is betaald en eindigt op de dag voorafgaand aan die van de terugbetaling.
3. Beoordeling van de in het principale beroep voorgestelde middelen en het in het incidentele beroep voorgestelde middel
3.1.
Het in het principale beroep voorgestelde middel I, gericht tegen de hiervoor in onderdeel 2 weergegeven beslissing van het Hof over de hoogte van de naheffingsaanslag, kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu dat middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3.2.
Zowel het in het principale beroep voorgestelde middel II als het in het incidentele beroep voorgestelde middel is gericht tegen de hiervoor in onderdeel 2 weergegeven beslissing van het Hof over de rentevergoeding.
3.3.
Het in het incidentele beroep voorgestelde middel betoogt dat het Hof in de onderhavige procedure niet bevoegd was te gelasten dat aan belanghebbende overeenkomstig artikel 28c van de Wet rente moet worden vergoed over het onverschuldigd betaalde bedrag aan bpm omdat in deze procedure niet een voor bezwaar vatbare beschikking van de ontvanger voorwerp van geschil was. Dit middel slaagt op de gronden die zijn vermeld in rechtsoverweging 2.2.5 van het arrest van de Hoge Raad van 3 maart 2017, nr. 16/01176, ECLI:NL:HR:2017:341, BNB 2017/99.
3.4.
De hiervoor in 3.3 bedoelde gronden brengen tevens mee dat het in het principale beroep voorgestelde middel II niet tot cassatie kan leiden.
3.5.
Gelet op hetgeen hiervoor in 3.3 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
4Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het principale beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond,
verklaart het incidentele beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën gegrond, en
vernietigt de uitspraak van het Hof, doch uitsluitend voor zover het Hof heeft beslist dat door de Inspecteur aan belanghebbende overeenkomstig het bepaalde in artikel 28c van de Invorderingswet 1990 rente moet worden vergoed.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer E.N. Punt als voorzitter, en de raadsheren J.A.C.A. Overgaauw, P.M.F. van Loon, L.F. van Kalmthout en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 28 september 2018.