Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2017:341
2017-03-03
Bestuursrecht; Belastingrecht
16/01176
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2017:341 → ECLI:NL:GHSHE:2016:426 (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- conclusie ECLI:NL:HR:2017:341 → ECLI:NL:PHR:2016:1103 contrair
Inhoudsindicatie
BPM; art. 8:69, lid 1, Awb; art. 28c Invorderingswet 1990; terugbetaling van geheven bpm; recht op invorderingsrente? Hof beslist ten onrechte over een na 1 januari 2015 tijdens het hoger beroep voor het eerst gedaan verzoek om vergoeding van invorderingsrente (‘Irimie-rente’).
Citeert (4)
- ECLI:NL:PHR:2016:1103 Parket bij de Hoge Raad 31-10-2016
- ECLI:NL:HR:2016:422 Hoge Raad 18-03-2016
- ECLI:NL:HR:2016:421 Hoge Raad 18-03-2016
- ECLI:EU:C:2013:250
Geciteerd door (232)
- ECLI:NL:HR:2026:1297 Hoge Raad 17-07-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:2712 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 29-04-2026
- ECLI:NL:GHSHE:2026:590 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 04-03-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1149 Gerechtshof Den Haag 08-05-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1146 Gerechtshof Den Haag 08-05-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1148 Gerechtshof Den Haag 08-05-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1145 Gerechtshof Den Haag 08-05-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1147 Gerechtshof Den Haag 08-05-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1104 Gerechtshof Den Haag 20-03-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1105 Gerechtshof Den Haag 20-03-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1103 Gerechtshof Den Haag 20-03-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1102 Gerechtshof Den Haag 20-03-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:656 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 12-03-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:389 Gerechtshof Den Haag 27-02-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:388 Gerechtshof Den Haag 27-02-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:71 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 15-01-2025
- ECLI:NL:GHARL:2024:7109 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 19-11-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:1641 Gerechtshof Den Haag 05-06-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:887 Gerechtshof Den Haag 01-05-2024
- ECLI:NL:PHR:2023:1221 Parket bij de Hoge Raad 22-12-2023
- ECLI:NL:RBGEL:2023:6459 Rechtbank Gelderland 29-11-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:5474 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 03-08-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:5471 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 03-08-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:5472 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 03-08-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:5473 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 03-08-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:6391 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 25-07-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:2765 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 24-04-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:1891 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 22-03-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:1892 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 21-03-2023
- ECLI:NL:GHAMS:2023:843 Gerechtshof Amsterdam 21-02-2023
- ECLI:NL:RBGEL:2022:7071 Rechtbank Gelderland 20-12-2022
- ECLI:NL:GHDHA:2022:2825 Gerechtshof Den Haag 24-11-2022
- ECLI:NL:GHDHA:2022:2826 Gerechtshof Den Haag 24-11-2022
- ECLI:NL:GHDHA:2022:2823 Gerechtshof Den Haag 24-11-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:6036 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14-10-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:6037 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14-10-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:6038 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14-10-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:6039 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14-10-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:6035 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14-10-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:4238 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 28-07-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:4235 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 28-07-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:4233 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 28-07-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:4237 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 28-07-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:4236 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 28-07-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:3148 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 09-06-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:3145 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 09-06-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:3156 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 09-06-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:3149 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 09-06-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:3150 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 09-06-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:3146 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 09-06-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:3147 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 09-06-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:3096 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 07-06-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:3009 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 02-06-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:3007 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 02-06-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:3008 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 02-06-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:2874 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 30-05-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:2572 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 11-05-2022
- ECLI:NL:RBGEL:2022:2412 Rechtbank Gelderland 25-04-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:1267 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 10-03-2022
- ECLI:NL:GHAMS:2022:924 Gerechtshof Amsterdam 08-03-2022
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (8.172 tekens)
3 maart 2017
nr. 16/01176
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] v.o.f. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 11 februari 2016, nr. 15/00023, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. AWB 13/4203) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag inzake de belasting van personenauto’s en motorrijwielen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Staatssecretaris heeft een conclusie van dupliek ingediend.
De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 31 oktober 2016 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2016:1103).
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2Beoordeling van de middelen
2.1.
Middel II kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling (vgl. HR 18 maart 2016, nr. 14/04111, ECLI:NL:HR:2016:422, BNB 2016/143, en HR 18 maart 2016, nr. 14/04112, ECLI:NL:HR:2016:421, BNB 2016/144).
2.2.1.
Belanghebbende heeft op 23 november 2015 tijdens het onderzoek ter zitting van het Hof – onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 18 april 2013, Mariana Irimie, C‑565/11, ECLI:EU:C:2013:250 (hierna: het arrest Irimie) - een verzoek gedaan om vergoeding van rente over het in de naheffingsaanslag begrepen bedrag van € 510 aan belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) dat zij ten onrechte heeft betaald.
2.2.2.
Met betrekking tot dit verzoek heeft het Hof vooropgesteld dat op grond van artikel 28c van de Invorderingswet 1990 (hierna: de Invorderingswet) voor een aanspraak op vergoeding van invorderingsrente is vereist dat belasting in strijd met het Unierecht is geheven. Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat slechts een gedeelte – groot € 133 – van de te gelasten vermindering van de naheffingsaanslag belasting betreft die in strijd met het Unierecht is geheven. Slechts voor dat gedeelte van de naheffingsaanslag heeft belanghebbende recht op vergoeding van invorderingsrente, aldus het Hof.
Het Hof heeft gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende rente vergoedt overeenkomstig het bepaalde in artikel 28c van de Invorderingswet over het gedeelte van de teruggaaf ter grootte van € 133, te berekenen over het tijdvak dat aanvangt op de dag na die van de betaling en eindigt op de dag voorafgaand aan die van de terugbetaling.
2.2.3.
De middelen I en III zijn gericht tegen de hiervoor in 2.2.2 weergegeven oordelen van het Hof.
2.2.4.
Naar aanleiding van het arrest Irimie is met ingang van 1 januari 2015 aan de Invorderingswet artikel 28c toegevoegd. Op grond van het eerste lid van deze bepaling wordt op verzoek aan de belastingschuldige invorderingsrente vergoed voor zover de ontvanger op grond van een beschikking van de inspecteur is gehouden belasting terug te geven omdat de desbetreffende belasting in strijd met het Unierecht is geheven. Op grond van artikel 30, lid 1, van de Invorderingswet beslist de ontvanger op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking. Artikel 28c van de Invorderingswet heeft onmiddellijke werking.
In de wetsgeschiedenis is met betrekking tot het bepaalde in artikel 28c, lid 1, van de Invorderingswet het volgende opgenomen (zie Kamerstukken II 2014/15, 34 002 nr. 3, blz. 77 (Belastingplan 2015)):
“Invorderingsrente wordt op verzoek aan de belastingschuldige vergoed door de ontvanger nadat de inspecteur het recht op teruggaaf heeft vastgesteld door middel van een vermindering van een belastingaanslag of de vaststelling van een teruggaafbeschikking. Voorwaarde is wel dat de teruggaaf verband houdt met de omstandigheid dat die belasting eerder in strijd met het Unierecht is geheven (en betaald, voldaan of afgedragen). De aanleiding voor het vaststellen van zo’n teruggaafbeschikking door de inspecteur kan zijn gelegen in een onherroepelijke gerechtelijke uitspraak ter zake van de geheven belasting in kwestie maar kan ook gelegen zijn in een andere uitspraak, dezelfde rechtsvraag betreffend, waaruit volgt dat de belasting in strijd met het Unierecht is geheven.”
Uit deze passage moet worden afgeleid dat de wetgever heeft beoogd de beoordeling of invorderingsrente moet worden vergoed in verband met in strijd met het Unierecht geheven belasting niet eerder te doen plaatsvinden dan nadat onherroepelijk is komen vast te staan dat geheven belasting moet worden terugbetaald.
Voorts heeft de wetgever beoogd dat bij uitsluiting de ontvanger bevoegd is om op de voet van artikel 30, lid 1, van de Invorderingswet bij voor bezwaar vatbare beschikking vast te stellen of en in hoeverre invorderingsrente wordt vergoed. Pas daarna kan de belastingrechter aan de beoordeling van die beschikking inzake invorderingsrente toekomen.
2.2.5.
Het hiervoor in 2.2.1 omschreven verzoek van belanghebbende heeft vanwege het ontbreken van een voor bezwaar vatbare beschikking van de ontvanger of een door de Rechtbank daaromtrent gegeven (neven)beslissing niet op grond van artikel 8:69 Awb kunnen vallen binnen de grenzen van het geschil in hoger beroep. Vanwege de onmiddellijke werking van artikel 28c van de Invorderingswet, welke regeling als lex specialis voorrang heeft op de algemene regeling die de belastingrechter de bevoegdheid geeft bij gegrondverklaring van een (hoger) beroep te beslissen op verzoeken om schadevergoeding, was het Hof evenmin bevoegd in de onderhavige zaak een uitspraak over het hiervoor in 2.2.1 omschreven verzoek te doen.
Het Hof heeft dit een en ander miskend en ten onrechte bij zijn uitspraak de Inspecteur opgedragen aan belanghebbende met inachtneming van zijn aanwijzingen rente te vergoeden overeenkomstig het bepaalde in artikel 28c van de Invorderingswet. De uitspraak van het Hof kan in zoverre niet in stand blijven. De middelen I en III treffen in zoverre doel en behoeven voor het overige geen behandeling. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
3Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
4Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, doch uitsluitend voor zover het Hof de Inspecteur heeft gelast aan belanghebbende rente te vergoeden overeenkomstig het bepaalde in artikel 28c van de Invorderingswet over het gedeelte van de teruggaaf ter grootte van € 133, te berekenen over het tijdvak dat aanvangt op de dag na die van de betaling en eindigt op de dag voorafgaand aan die van de terugbetaling,
gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 251, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 3342 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, P.M.F. van Loon, L.F. van Kalmthout en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2017.
nr. 16/01176
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] v.o.f. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 11 februari 2016, nr. 15/00023, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. AWB 13/4203) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag inzake de belasting van personenauto’s en motorrijwielen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Staatssecretaris heeft een conclusie van dupliek ingediend.
De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 31 oktober 2016 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2016:1103).
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2Beoordeling van de middelen
2.1.
Middel II kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling (vgl. HR 18 maart 2016, nr. 14/04111, ECLI:NL:HR:2016:422, BNB 2016/143, en HR 18 maart 2016, nr. 14/04112, ECLI:NL:HR:2016:421, BNB 2016/144).
2.2.1.
Belanghebbende heeft op 23 november 2015 tijdens het onderzoek ter zitting van het Hof – onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 18 april 2013, Mariana Irimie, C‑565/11, ECLI:EU:C:2013:250 (hierna: het arrest Irimie) - een verzoek gedaan om vergoeding van rente over het in de naheffingsaanslag begrepen bedrag van € 510 aan belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) dat zij ten onrechte heeft betaald.
2.2.2.
Met betrekking tot dit verzoek heeft het Hof vooropgesteld dat op grond van artikel 28c van de Invorderingswet 1990 (hierna: de Invorderingswet) voor een aanspraak op vergoeding van invorderingsrente is vereist dat belasting in strijd met het Unierecht is geheven. Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat slechts een gedeelte – groot € 133 – van de te gelasten vermindering van de naheffingsaanslag belasting betreft die in strijd met het Unierecht is geheven. Slechts voor dat gedeelte van de naheffingsaanslag heeft belanghebbende recht op vergoeding van invorderingsrente, aldus het Hof.
Het Hof heeft gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende rente vergoedt overeenkomstig het bepaalde in artikel 28c van de Invorderingswet over het gedeelte van de teruggaaf ter grootte van € 133, te berekenen over het tijdvak dat aanvangt op de dag na die van de betaling en eindigt op de dag voorafgaand aan die van de terugbetaling.
2.2.3.
De middelen I en III zijn gericht tegen de hiervoor in 2.2.2 weergegeven oordelen van het Hof.
2.2.4.
Naar aanleiding van het arrest Irimie is met ingang van 1 januari 2015 aan de Invorderingswet artikel 28c toegevoegd. Op grond van het eerste lid van deze bepaling wordt op verzoek aan de belastingschuldige invorderingsrente vergoed voor zover de ontvanger op grond van een beschikking van de inspecteur is gehouden belasting terug te geven omdat de desbetreffende belasting in strijd met het Unierecht is geheven. Op grond van artikel 30, lid 1, van de Invorderingswet beslist de ontvanger op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking. Artikel 28c van de Invorderingswet heeft onmiddellijke werking.
In de wetsgeschiedenis is met betrekking tot het bepaalde in artikel 28c, lid 1, van de Invorderingswet het volgende opgenomen (zie Kamerstukken II 2014/15, 34 002 nr. 3, blz. 77 (Belastingplan 2015)):
“Invorderingsrente wordt op verzoek aan de belastingschuldige vergoed door de ontvanger nadat de inspecteur het recht op teruggaaf heeft vastgesteld door middel van een vermindering van een belastingaanslag of de vaststelling van een teruggaafbeschikking. Voorwaarde is wel dat de teruggaaf verband houdt met de omstandigheid dat die belasting eerder in strijd met het Unierecht is geheven (en betaald, voldaan of afgedragen). De aanleiding voor het vaststellen van zo’n teruggaafbeschikking door de inspecteur kan zijn gelegen in een onherroepelijke gerechtelijke uitspraak ter zake van de geheven belasting in kwestie maar kan ook gelegen zijn in een andere uitspraak, dezelfde rechtsvraag betreffend, waaruit volgt dat de belasting in strijd met het Unierecht is geheven.”
Uit deze passage moet worden afgeleid dat de wetgever heeft beoogd de beoordeling of invorderingsrente moet worden vergoed in verband met in strijd met het Unierecht geheven belasting niet eerder te doen plaatsvinden dan nadat onherroepelijk is komen vast te staan dat geheven belasting moet worden terugbetaald.
Voorts heeft de wetgever beoogd dat bij uitsluiting de ontvanger bevoegd is om op de voet van artikel 30, lid 1, van de Invorderingswet bij voor bezwaar vatbare beschikking vast te stellen of en in hoeverre invorderingsrente wordt vergoed. Pas daarna kan de belastingrechter aan de beoordeling van die beschikking inzake invorderingsrente toekomen.
2.2.5.
Het hiervoor in 2.2.1 omschreven verzoek van belanghebbende heeft vanwege het ontbreken van een voor bezwaar vatbare beschikking van de ontvanger of een door de Rechtbank daaromtrent gegeven (neven)beslissing niet op grond van artikel 8:69 Awb kunnen vallen binnen de grenzen van het geschil in hoger beroep. Vanwege de onmiddellijke werking van artikel 28c van de Invorderingswet, welke regeling als lex specialis voorrang heeft op de algemene regeling die de belastingrechter de bevoegdheid geeft bij gegrondverklaring van een (hoger) beroep te beslissen op verzoeken om schadevergoeding, was het Hof evenmin bevoegd in de onderhavige zaak een uitspraak over het hiervoor in 2.2.1 omschreven verzoek te doen.
Het Hof heeft dit een en ander miskend en ten onrechte bij zijn uitspraak de Inspecteur opgedragen aan belanghebbende met inachtneming van zijn aanwijzingen rente te vergoeden overeenkomstig het bepaalde in artikel 28c van de Invorderingswet. De uitspraak van het Hof kan in zoverre niet in stand blijven. De middelen I en III treffen in zoverre doel en behoeven voor het overige geen behandeling. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
3Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
4Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, doch uitsluitend voor zover het Hof de Inspecteur heeft gelast aan belanghebbende rente te vergoeden overeenkomstig het bepaalde in artikel 28c van de Invorderingswet over het gedeelte van de teruggaaf ter grootte van € 133, te berekenen over het tijdvak dat aanvangt op de dag na die van de betaling en eindigt op de dag voorafgaand aan die van de terugbetaling,
gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 251, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 3342 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, P.M.F. van Loon, L.F. van Kalmthout en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2017.