Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2018:1782
2018-09-28
Civiel recht
17/03508
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2018:1782 → ECLI:NL:GHDHA:2017:2326 (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
- conclusie ECLI:NL:HR:2018:1782 → ECLI:NL:PHR:2018:516 gevolgd
Inhoudsindicatie
Procesrecht. Kort geding. Proceskostenveroordeling eerste aanleg voldoende belang voor hoger beroep. Is aanbod wederpartij om af te zien van inning van door haar gemaakte proceskosten in eerste aanleg en hoger beroep voldoende om belang aan rechtsmiddel te ontnemen?
Citeert (3)
- ECLI:NL:HR:2006:AX9705 Hoge Raad 22-09-2006
- ECLI:NL:HR:1993:ZC1050 Hoge Raad 03-09-1993
- ECLI:NL:HR:2016:666 Hoge Raad 15-04-2016
Geciteerd door (76)
- ECLI:NL:GHAMS:2026:581 Gerechtshof Amsterdam 10-03-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:128 Gerechtshof Den Haag 10-02-2026
- ECLI:NL:PHR:2025:1138 Parket bij de Hoge Raad 17-10-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:2688 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 30-09-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:2463 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 09-09-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:5021 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 05-08-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:1761 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 24-06-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:3667 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 03-06-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:2568 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 22-04-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:466 Gerechtshof Den Haag 11-03-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:542 Gerechtshof Den Haag 11-02-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:21 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 07-01-2025
- ECLI:NL:GHAMS:2024:3452 Gerechtshof Amsterdam 17-12-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:3842 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 03-12-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:3842 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 03-12-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:3300 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 22-10-2024
- ECLI:NL:GHAMS:2024:1887 Gerechtshof Amsterdam 09-07-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:3288 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14-05-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:1457 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 30-04-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:434 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 13-02-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:58 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 16-01-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2023:2635 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 15-08-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:358 Parket bij de Hoge Raad 24-03-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:358 Parket bij de Hoge Raad 24-03-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:238 Parket bij de Hoge Raad 24-02-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:1293 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14-02-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:856 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 31-01-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:178 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 24-01-2023
- ECLI:NL:PHR:2022:1243 Parket bij de Hoge Raad 23-12-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:1243 Parket bij de Hoge Raad 23-12-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:970 Parket bij de Hoge Raad 21-10-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2022:2694 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 02-08-2022
- ECLI:NL:GHARL:2022:4238 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 24-05-2022
- ECLI:NL:PHR:2021:1083 Parket bij de Hoge Raad 19-11-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:1082 Parket bij de Hoge Raad 19-11-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:9838 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 19-10-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:8486 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 07-09-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:447 Parket bij de Hoge Raad 07-05-2021
- ECLI:NL:OGHACMB:2021:90 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 06-04-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:155 Parket bij de Hoge Raad 19-02-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:1519 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 16-02-2021
- ECLI:NL:GHARL:2020:9988 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 01-12-2020
- ECLI:NL:GHSHE:2020:3705 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 01-12-2020
- ECLI:NL:GHDHA:2020:2185 Gerechtshof Den Haag 24-11-2020
- ECLI:NL:GHSHE:2020:3537 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 17-11-2020
- ECLI:NL:GHSHE:2020:3473 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 10-11-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:800 Parket bij de Hoge Raad 11-09-2020
- ECLI:NL:GHARL:2020:7166 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 08-09-2020
- ECLI:NL:GHDHA:2020:958 Gerechtshof Den Haag 02-06-2020
- ECLI:NL:GHSHE:2020:1145 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 31-03-2020
- ECLI:NL:GHSHE:2020:1145 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 31-03-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:293 Parket bij de Hoge Raad 06-03-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:175 Parket bij de Hoge Raad 21-02-2020
- ECLI:NL:GHARL:2020:1179 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 04-02-2020
- ECLI:NL:GHSHE:2019:4394 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 03-12-2019
- ECLI:NL:GHSHE:2019:3868 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 22-10-2019
- ECLI:NL:GHAMS:2019:3630 Gerechtshof Amsterdam 08-10-2019
- ECLI:NL:GHSHE:2019:3605 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 01-10-2019
- ECLI:NL:GHSHE:2019:3492 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 24-09-2019
- ECLI:NL:GHSHE:2019:3330 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 10-09-2019
Volledige tekst
Volledige tekst (6.598 tekens)
28 september 2018
Eerste Kamer
17/03508
TT/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [eiseres 1] ,
2. [eiser 2] ,beiden wonende te [woonplaats] ,
EISERS tot cassatie,
advocaat: mr. A.H.M. van den Steenhoven,
t e g e n
1. GEMEENTE ROTTERDAM,zetelende te Rotterdam,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. K. Teuben,
2. RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, REGIO DORDRECHT-ROTTERDAM,gevestigd te Rotterdam,
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] c.s., de Gemeente en de Raad voor de Kinderbescherming.
1Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. het vonnis in de zaak C/10/497847/KG ZA 16-316 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam van 26 april 2016;
b. het arrest in de zaak 200.192.268/01 van het gerechtshof Den Haag van 30 mei 2017.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld. De procesinleiding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Gemeente heeft een verweerschrift ingediend primair tot verwerping en subsidiair tot referte. Tegen de Raad voor de Kinderbescherming is verstek verleend.
De zaak is voor [eiser] c.s. toegelicht door hun advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal R.H. de Bock strekt tot vernietiging van het arrest van het hof en tot verwijzing.
3 Beoordeling van het middel
3.1
In dit kort geding hebben [eiser] c.s. verschillende vorderingen ingesteld die verband houden met het beleid van de Gemeente voor vrijstelling van de leerplicht wegens richtingbezwaren (art. 5, aanhef en onder b, Leerplichtwet 1969).
3.2
De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van [eiser] c.s. afgewezen en hen veroordeeld in de proceskosten. Het hof heeft [eiser] c.s. in hun hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard met veroordeling van [eiser] c.s. in de proceskosten.
Het hof heeft daartoe in rov. 26 van zijn arrest tot uitgangspunt genomen dat [eiser] c.s. belang hebben bij een oordeel over de in het bestreden vonnis uitgesproken proceskostenveroordeling. Niettemin overweegt het hof in rov. 26 in verbinding met rov. 25 dat het niet toekomt aan een oordeel over de proceskostenveroordeling. Deze veroordeling kan volgens het hof pas worden beoordeeld in het kader van de rechtmatigheidstoets van het door de Gemeente gevoerde beleid omtrent thuisonderwijs. Die toets gaat het bestek te buiten van een beoordeling in kort geding, en is voorbehouden aan de bodemrechter.
3.3.1
Het middel betoogt, kort gezegd, dat het hof heeft miskend dat het had moeten beoordelen of de proceskostenveroordeling van [eiser] c.s. in eerste aanleg terecht is uitgesproken en dus ook of de vorderingen van [eiser] c.s. in eerste aanleg terecht zijn afgewezen.
3.3.2
Het middel is gegrond. Naar vaste rechtspraak levert voor een partij die in eerste aanleg in de proceskosten is veroordeeld, deze veroordeling een voldoende belang op bij het instellen van hoger beroep tegen die uitspraak (HR 22 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX9705, NJ 2007/188). Dat geldt tevens indien de appelrechter in kort geding oordeelt dat spoedeisend belang ontbreekt bij de in hoger beroep te beoordelen vordering of dat een ordemaatregel anderszins niet meer aan de orde is. De appelrechter dient ook in een dergelijk geval te beslissen over de in eerste aanleg uitgesproken proceskostenveroordeling. Daartoe moet hij onderzoeken of de vordering die in eerste aanleg ter beoordeling voorlag, terecht is toe- of afgewezen, met inachtneming van het in appel gevoerde debat en naar de toestand zoals die zich voordoet ten tijde van zijn beslissing in hoger beroep. (Vgl. HR 3 september 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1050, NJ 1993/714 en HR 15 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:666, NJ 2016/211.)
Het voorgaande betekent dat het hof in deze zaak had te beoordelen of de vorderingen van [eiser] c.s. in eerste aanleg terecht zijn afgewezen.
3.4.1
De Gemeente heeft in deze zaak aangevoerd dat [eiser] c.s. niet een voldoende belang bij hun cassatieberoep hebben, en heeft daartoe gewezen op haar aanbod om af te zien van inning van het bedrag van de door haar gemaakte proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep, tot betaling waarvan [eiser] c.s. zijn veroordeeld.
3.4.2
Een aanbod als hiervoor in 3.4.1 bedoeld, brengt niet mee dat geen belang (meer) bestaat bij een rechtsmiddel. Daarvoor is vereist dat het aanbod ook vergoeding van de proceskosten omvat van de partij die het rechtsmiddel heeft aangewend, zowel in de vorige instantie(s) als in het kader van dat rechtsmiddel. De beoordeling door de hogere rechter van de toewijsbaarheid van de in vorige instantie(s) voorliggende vordering kan immers ook leiden tot het oordeel dat de wederpartij had moeten worden veroordeeld in de kosten van die instantie(s).
3.4.3
Bij procederen op eigen kosten zou het hiervoor bedoelde aanbod een vergoeding van de verrichte proceshandelingen volgens het liquidatietarief moeten behelzen; bij procederen op basis van een toevoeging, een vergoeding van de kosten van de eigen bijdrage.
4Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt het arrest van het gerechtshof Den Haag van 30 mei 2017;
verwijst het geding naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;
veroordeelt de Gemeente in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] c.s. begroot op € 502,49 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien de Gemeente deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren M.V. Polak, M.J. Kroeze, C.H. Sieburgh en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op 28 september 2018.
Eerste Kamer
17/03508
TT/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [eiseres 1] ,
2. [eiser 2] ,beiden wonende te [woonplaats] ,
EISERS tot cassatie,
advocaat: mr. A.H.M. van den Steenhoven,
t e g e n
1. GEMEENTE ROTTERDAM,zetelende te Rotterdam,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. K. Teuben,
2. RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, REGIO DORDRECHT-ROTTERDAM,gevestigd te Rotterdam,
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] c.s., de Gemeente en de Raad voor de Kinderbescherming.
1Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. het vonnis in de zaak C/10/497847/KG ZA 16-316 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam van 26 april 2016;
b. het arrest in de zaak 200.192.268/01 van het gerechtshof Den Haag van 30 mei 2017.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld. De procesinleiding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Gemeente heeft een verweerschrift ingediend primair tot verwerping en subsidiair tot referte. Tegen de Raad voor de Kinderbescherming is verstek verleend.
De zaak is voor [eiser] c.s. toegelicht door hun advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal R.H. de Bock strekt tot vernietiging van het arrest van het hof en tot verwijzing.
3 Beoordeling van het middel
3.1
In dit kort geding hebben [eiser] c.s. verschillende vorderingen ingesteld die verband houden met het beleid van de Gemeente voor vrijstelling van de leerplicht wegens richtingbezwaren (art. 5, aanhef en onder b, Leerplichtwet 1969).
3.2
De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van [eiser] c.s. afgewezen en hen veroordeeld in de proceskosten. Het hof heeft [eiser] c.s. in hun hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard met veroordeling van [eiser] c.s. in de proceskosten.
Het hof heeft daartoe in rov. 26 van zijn arrest tot uitgangspunt genomen dat [eiser] c.s. belang hebben bij een oordeel over de in het bestreden vonnis uitgesproken proceskostenveroordeling. Niettemin overweegt het hof in rov. 26 in verbinding met rov. 25 dat het niet toekomt aan een oordeel over de proceskostenveroordeling. Deze veroordeling kan volgens het hof pas worden beoordeeld in het kader van de rechtmatigheidstoets van het door de Gemeente gevoerde beleid omtrent thuisonderwijs. Die toets gaat het bestek te buiten van een beoordeling in kort geding, en is voorbehouden aan de bodemrechter.
3.3.1
Het middel betoogt, kort gezegd, dat het hof heeft miskend dat het had moeten beoordelen of de proceskostenveroordeling van [eiser] c.s. in eerste aanleg terecht is uitgesproken en dus ook of de vorderingen van [eiser] c.s. in eerste aanleg terecht zijn afgewezen.
3.3.2
Het middel is gegrond. Naar vaste rechtspraak levert voor een partij die in eerste aanleg in de proceskosten is veroordeeld, deze veroordeling een voldoende belang op bij het instellen van hoger beroep tegen die uitspraak (HR 22 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX9705, NJ 2007/188). Dat geldt tevens indien de appelrechter in kort geding oordeelt dat spoedeisend belang ontbreekt bij de in hoger beroep te beoordelen vordering of dat een ordemaatregel anderszins niet meer aan de orde is. De appelrechter dient ook in een dergelijk geval te beslissen over de in eerste aanleg uitgesproken proceskostenveroordeling. Daartoe moet hij onderzoeken of de vordering die in eerste aanleg ter beoordeling voorlag, terecht is toe- of afgewezen, met inachtneming van het in appel gevoerde debat en naar de toestand zoals die zich voordoet ten tijde van zijn beslissing in hoger beroep. (Vgl. HR 3 september 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1050, NJ 1993/714 en HR 15 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:666, NJ 2016/211.)
Het voorgaande betekent dat het hof in deze zaak had te beoordelen of de vorderingen van [eiser] c.s. in eerste aanleg terecht zijn afgewezen.
3.4.1
De Gemeente heeft in deze zaak aangevoerd dat [eiser] c.s. niet een voldoende belang bij hun cassatieberoep hebben, en heeft daartoe gewezen op haar aanbod om af te zien van inning van het bedrag van de door haar gemaakte proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep, tot betaling waarvan [eiser] c.s. zijn veroordeeld.
3.4.2
Een aanbod als hiervoor in 3.4.1 bedoeld, brengt niet mee dat geen belang (meer) bestaat bij een rechtsmiddel. Daarvoor is vereist dat het aanbod ook vergoeding van de proceskosten omvat van de partij die het rechtsmiddel heeft aangewend, zowel in de vorige instantie(s) als in het kader van dat rechtsmiddel. De beoordeling door de hogere rechter van de toewijsbaarheid van de in vorige instantie(s) voorliggende vordering kan immers ook leiden tot het oordeel dat de wederpartij had moeten worden veroordeeld in de kosten van die instantie(s).
3.4.3
Bij procederen op eigen kosten zou het hiervoor bedoelde aanbod een vergoeding van de verrichte proceshandelingen volgens het liquidatietarief moeten behelzen; bij procederen op basis van een toevoeging, een vergoeding van de kosten van de eigen bijdrage.
4Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt het arrest van het gerechtshof Den Haag van 30 mei 2017;
verwijst het geding naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;
veroordeelt de Gemeente in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] c.s. begroot op € 502,49 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien de Gemeente deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren M.V. Polak, M.J. Kroeze, C.H. Sieburgh en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op 28 september 2018.