Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

ECLI:NL:GHSHE:2025:2688

2025-09-30 Civiel recht; Verbintenissenrecht 200.350.908_01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Uitspraakdatum
2025-09-30
Publicatiedatum
2025-09-30
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Hoger beroep kort geding
Zaaknummer
200.350.908_01
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Veroordeling in kort geding tot ontruiming van in het kader van een “laatste kans” gehuurde huurwoning, wegens overlast.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (37.793 tekens)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.350.908/01



arrest van 30 september 2025



in de zaak van




[persoon A] en [persoon B] ,
beiden vennoot van [xx] Bewindvoering V.O.F.,

in hun hoedanigheid van bewindvoerders over de goederen van [persoon C],gevestigd te [vestigingsplaats] ,
appellanten,
hierna aan te duiden als de bewindvoerders en [persoon C] ,
advocaat: mr. P.F.M. Gulickx te Breda,


tegen



Vereniging Laurentius,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als Laurentius,
advocaat: mr. K.A.M. Jaspers te Rotterdam.


als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 15 april 2025 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, rechtdoende als voorzieningenrechter, onder zaaknummer 11429596 \ VV EXPL 24-85 gewezen kortgedingvonnis van 15 januari 2025.



5Het vervolg van de procedure in hoger beroep


Het vervolg van de procedure in hoger beroep blijkt uit:



het tussenarrest van 15 april 2025;


de memorie van antwoord.




Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.





6De verdere beoordeling



Het tussenarrest van 15 april 2025 en het vervolg van de procedure in hoger beroep




6.1.1.
Bij het tussenarrest van 15 april 2025 heeft het hof:


de incidentele vordering van de bewindvoerders tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden kortgedingvonnis afgewezen;


de beslissing over de proceskosten van het incident aangehouden tot de einduitspraak in de hoofdzaak;


verstaan dat de hoofdzaak naar de rol van 15 april 2025 is verwezen voor memorie van antwoord.





6.1.2.
Laurentius heeft op de genoemde datum haar memorie van antwoord met producties 18 en 19 genomen.



6.1.3.
Het hof heeft vervolgens een datum voor arrest bepaald en zal nu overgaan tot de beoordeling van de hoofdzaak. Het hof doet recht op de stukken van het hoger beroep en de stukken van de eerste aanleg.



De vaststaande feiten en de kern van het geschil





6.2.1.

Het gaat in dit kort geding naar de kern genomen om het volgende.

[persoon C] heeft in het kader van een “laatste kans” van Laurentius een woning gehuurd. Aan de orde is de vraag of de door Laurentius gevorderde veroordeling van de bewindvoerders tot ontruiming van die woning moet worden toegewezen vanwege door [persoon C] veroorzaakte overlast.




6.2.2.
In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.


a. Tussen partijen heeft vanaf 15 mei 2018 een huurovereenkomst bestaan met betrekking tot de woning aan [adres A] . Over de periode dat [persoon C] op dat adres heeft gewoond (tot in 2024) staat in de hierna onder d te noemen allonge onder 1 en 2 samengevat dat [persoon C] hier jarenlang overlast heeft veroorzaakt in de vorm van onder meer geluidsoverlast, ruzies, geweld tegen medebewoners en het dumpen van afval.


b. Bij beschikking van 10 januari 2023 heeft de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, een bewind ingesteld over alle goederen die toebehoren of zullen toebehoren aan [persoon C] , en beide bewindvoerders tot bewindvoerder benoemd.


c. Laurentius heeft aan [persoon C] een tweede kans gegeven om een nieuwe woning in een andere buurt te huren. In dat kader heeft Laurentius bij huurovereenkomst van 3 juni 2024 met ingang van die datum aan [persoon C] de woning aan [adres B] verhuurd.


d. Bij de huurovereenkomst hoort een allonge die door beide partijen is ondertekend. In deze allonge staat onder meer het volgende:




“
Overwegingen:


1) Vanuit omwonenden heeft Laurentius in de periode van 2018 tot januari 2024 een groot aantal meldingen van (ernstige) overlast veroorzaakt door huurder ontvangen. In deze periode was huurder woonachtig aan [adres A] .


2) De meldingen bestaan uit het veroorzaken van geluidsoverlast, ruzies, meerdere


geweldsincidenten tegen medebewoners, het dumpen van afval in gang en buitenterrein en het niet opvolgen van aanwijzingen van Laurentius. Naast de ervaren overlast voelden omwonenden zich ook zeer onveilig door het gedrag van huurder en haar bezoek.


3) Laurentius is hierover het gesprek met huurder aangegaan en heeft met huurder vastgesteld dal er een reëel risico is, gelet op de specifieke achtergronden van huurder, dal huurder zich opnieuw niet zal gaan gedragen zoals een goed huurder betaamt. Huurder realiseert zich dat dat niet toelaatbaar is.


4) Met huurder is daarom overeengekomen dat verhuizing van huurder uit het complex is noodzakelijk is voor de veiligheid van omwonenden en van huurder zelf. Huurder heeft hiervoor de woning aan [adres B] toegewezen gekregen.


5) Huurder heeft daarnaast aangegeven bereid te zijn, haar woon- en leefgedrag ingrijpend aan te passen waardoor Laurentius bereid is om aan huurder een laatste kans te bieden onder strikte voorwaarden, waaronder het tekenen en het naleven van een zogenaamde gedragsaanwijzing.


(…)





Artikel 2. gedragsaanwijzing



a. Huurder zal aan omwonenden geen enkele overlast meer veroorzaken door, meer in het bijzonder maar niet beperkt tot, het veroorzaken van geluidsoverlast, ruzies, geweld tegen medebewoners, het dumpen van afval en het niet opvolgen van aanwijzingen van Laurentius.


b. Huurder zal zich hij conflicten van omwonenden onthouden van ongewenst gedrag richting omwonenden en huurder zal de situatie vervolgens bespreken met Laurentius.


c. Huurder dient in algemene zin rekening te houden met zijn omgeving en dient zich in de contacten met omwonenden, medewerkers van Laurentius en instanties constructief en welwillend op te stellen


d. Huurder zal de woning als goed huurder in de zin van de huurovereenkomst bewonen.”

- e. In de algemene huurvoorwaarden behorende bij de huurovereenkomst staat onder meer het volgende:

“
Artikel 6 Wat zijn uw plichten?




Artikel 6.7 U zorgt ervoor dat omwonenden geen overlast van u hebben


(…)





Artikel 6.8 U behandelt ons en onze medewerkers met respect


Dut betekent dat u ander andere:





niet scheldt:




niemand bedreigt:




geen geweld gebruikt;




geen discriminerende of beledigende opmerkingen maakt. Dit geldt ook voor uw huisgenoten en bezoekers.”





f. [persoon C] heeft eerst werkzaamheden in de woning aan [adres B] uitgevoerd alvorens die woning te betrekken.


g. Bij e-mail van 3 oktober 2024 heeft een omwonende (hierna: omwonende A) aan Laurentius onder meer het volgende meegedeeld:




“Vanmorgen werd de voordeur op [adres B] eruit getrapt door de politie.


Waarvoor geen idee.


Ze wonen er een maand.


Hebben we nog geen genoeg ellende in de straat gehad de laatste 5 jaar ?”


- h. Bij e-mail van 5 oktober 2024 heeft een omwonende (hierna: omwonende B) aan Laurentius onder meer het volgende meegedeeld:


“Op 3 oktober zat mevrouw om 9.30 op het dak schreeuwend terwijl de politie voor de deur stond. Toen haar vriend naar buiten liep riep ze hoerenloper als ik je tegenkom steek ik je neer en weet ik veel wat. Ik lag meteen klaarwakker in bed.


Verder heb ik haar regelmatig dezelfde woorden schreeuwend over straat horen roepen hier heb ik geen data van en het is regelmatig voorgekomen.


Ook haar honden blaffen soms uren achter elkaar ook dit is regelmatig en is door heel de straat te horen.”


- i. Bij e-mail van 5 oktober 2024 heeft omwonende A aan Laurentius onder meer het volgende meegedeeld:


“Maar nu dit weer, het begint weer met melden…melden en nog eens melden.


De nieuwe mensen op [adres B] waren bekend bij jullie en toch worden die weer op [straatnaam A] gezet.


Onze straat is het afvoerputje van [A] geworden.


Dankjewel Laurentius.”


- j. Bij e-mail van 11 oktober 2024 heeft omwonende A onder meer het volgende meegedeeld aan Laurentius:


“Net als je wil gaan slapen gaat het weer tekeer buiten.


De bewoners van [adres B] hebben knallende ruzie op straat.”


- k. Laurentius heeft naar aanleiding van deze klachten [persoon C] uitgenodigd voor een gesprek op haar kantoor op 16 oktober 2024. In een intern memo van Laurentius over dit gesprek staat onder meer het volgende:


“Gesprek gehad samen met [persoon D] op kantoor met [persoon C] en haar moeder. Vorige week


maandag is [persoon C] verteld dat zij haar gedragsaanwijzing heeft geschonden door de


openlijke ruzie met haar vriend op straat. Ook is er eerder ruzie geweest in de woning. Er is toen aan haar duidelijk gemaakt dat dit niet de bedoeling is en dat we eigenlijk nu al naar de rechter kunnen gaan met het verzoek om het contract te ontbinden. Aangezien het de eerste periode (waarvan ze er de eerste maanden niet heeft gewoond) goed is gegaan op [straatnaam A] , hebben we besloten om [persoon C] nog één kans te geven. Wel duidelijk aangegeven dat we alsnog een procedure opstarten als [persoon C] zich opnieuw niet aan de afspraken houdt. Afgelopen vrijdag ging het opnieuw mis tussen [persoon C] en haar vriend. Meerdere buren bevestigen dit. Het verhaal dat de buren vertellen komt ook overeen met elkaar. [persoon C] kreeg tijdens het gesprek de boodschap van ons dat wij een procedure op gaan starten. [persoon C] vindt dit onterecht. [persoon C] en haar moeder reageerde zeer emotioneel op ons besluit. Moeder staat op en wil [persoon D] over de tafel aanvliegen. [persoon C] houdt haar op dat moment nog tegen. [persoon C] en haar moeder werden intimiderend,


agressief en dreigend. Zie camerabeelden. Zij hebben o.a. ook aangegeven dat zij heel



[straatnaam A] en ons kantoor in de brand gaan steken. [persoon D] heeft op de noodknop


gedrukt en we hebben de ruimte verlaten. [persoon C] en haar moeder hebben hun agressie nog


geuit op het meubilair in de ruimte, waarna ze ons achtervolgde. Het AOT stond in de hal en na nog meer schreeuwen, schelden en dreigingen uiten hebben [persoon C] en haar moeder ons kantoor verlaten. Daarna hebben we het kantoor afgesloten. Zij hebben nog even voor de deur gestaan en met hun scooterhelmen tegen het glas geslagen waarna zij zijn vertrokken. Wij hebben beveiliging ingeschakeld en de melders geïnformeerd over


mogelijke escalaties op [straatnaam A] aangezien mevrouw geroepen heeft dat ze


verhaal gaat halen bij de omwonenden om er achter te komen wie haar erbij genaaid


heeft en vanwege het feit dat ze gezegd heeft dat ze [straatnaam A] in brand zou


steken.”


- l. Op 23 en 24 oktober 2024 hebben drie verschillende omwonenden per e-mail onder meer het volgende aan Laurentius meegedeeld.

E-mail 1:

“Hierbij mijn verhaal over [adres B] :



[persoon C] is hier komen wonen en zag meteen al regelmatig s avonds auto's voor de deur stoppen en [persoon C] of haar vriend die in en uit stapt (dealers dus). Ook blaffen haar honden regelmatig uren achter elkaar die ik dus een paar huizen verderop ook hoor. Een paar weken geleden stonden er 3 a 4 politie auto’s in de straat en zat zij op het dak. Schreeuwend, politie die de deur intrapt en zij die daarna nog schreeuwde naar haar vriend dat ze hem neer ging steken etc. Ook hoor je haar regelmatig schreeuwen buiten terwijl ze alleen is. Ofwel met iemand waar ze dan tegen schreeuwt.”

E-mail 2:

“Na een hoop ellende met een bewoner in het verleden was het eindelijk rustig in de straat.


Tot de nieuwe bewoners van [adres B] hun intrede maakte.


Binnen een maand ging het al mis.


Ruzies op straat politie aan de deur mevr. ging zelfs op dak zitten.


De straat kon er weer van mee genieten.


Ik ben een slechte slaper en ben blij als ik slaap.


En dan wakker worden van ruzies is alles behalve prettig.


Dit kan zo niet langer.


Het enige wat ik vraag is rust 's nachts.”

E-mail 3:

“Sinds midden juni is de nieuwe buurvrouw op [adres B] komen wonen.


Toen ze er een aantal weken woonde hoorde ik haar en haar vriend op straat ruzie maken en elkaar uitschelden voor hoerenjong enz..


Tijdens de vakantie ben ik een aantal weken weggeweest en weet ik niet hoe het toen is gegaan in de straat.


(…)


Intussen hebben de buurvrouw van [adres B] regelmatig ruzie en horen wij ze regelmatig ’s avonds op straat schelden. Ik weet hier geen precieze data van omdat ik dit niet heb opgeschreven.


Op 3 oktober in de ochtend is het weer geëscaleerd op [adres B] , de buurvrouw was geslagen door haar vriend, zij was op het dak geklommen en mocht niet naar beneden van vriend, politie is gebeld en hebben de deur ingetrapt.


Op vrijdag 11 oktober hoorde ik ze weer schelden op straat, dit was ‘s avonds rond een uurtje of 11.


(…)


Op deze manier voel ik me niet veilig in de straat.”




m. Bij brief van 6 november 2024 heeft de (toenmalig) advocaat van Laurentius aan [persoon C] meegedeeld dat Laurentius vanwege de aanhoudende overlast de huurovereenkomst wil beëindigen en dat [persoon C] een gerechtelijke procedure kan voorkomen door zelf via haar bewindvoerders de huurovereenkomst op te zeggen.


n. Bij e-mail van 8 november 2024 heeft omwonende B aan Laurentius het volgende meegedeeld:



“Nou moet ik toch nog even wat melden. Ik werd vannacht om 4 uur wakker omdat de deurbel ging. Dus ik keek uit het raam staat er een drugsdealer die opzoek was naar [persoon C] . Normaal wordt ik wel vaker wakker omdat er auto's midden in de nacht zijn met draaiende motors voor haar deur staan maar dit vond ik wel heel extreem en dacht ik ga dit toch even melden.”

- o. Bij e-mail van 27 november 2024 heeft omwonende A aan Laurentius het volgende meegedeeld:


“Mevr van [adres B] stond hierop een avond aan de deur om een soort van petitie te tekenen. Als ik vond dat ze geen overlast meer veroorzaakte moest ik tekenen.


Ik vond dat allesbehalve prettig.


Eigenlijk wilde ik niet tekenen maar was bang voor represailles.”


- p. Bij e-mail van 27 november 2024 heeft omwonende C aan Laurentius onder meer het volgende meegedeeld:

“Op donderdagavond 21 november rond 18u ging de bel, de bewoonster van [adres B] stond aan de deur. Zij gaf aan dat ze handtekeningen aan het verzamelen was, wanneer we geen overlast van haar hadden gehad de laatste tijd of we dan onze naam en adres op het briefje wilden schrijven en onze handtekening. Wij hebben dit ondertekend maar het voelde hierin niet alsof we een keus hadden, enerzijds omdat het bezoek heel onverwachts was en we ons voor het blok gezet voelden, en anderzijds omdat we weten waartoe bewoonster in staat is.”

- q. De bewindvoerders hebben een deel van het medisch dossier van [persoon C] overgelegd. Daarin staat onder meer het volgende:

“02-2024 Borderline persoonlijkheidsstoornis?”




Het geding bij de voorzieningenrechter





6.3.1.
In het kort geding bij de kantonrechter vorderde Laurentius als onmiddellijke voorziening bij voorraad in de zin van artikel 254 Rv, samengevat, veroordeling van de bewindvoerders tot ontruiming van het gehuurde, met veroordeling van de bewindvoerders in de proceskosten.



6.3.2.

Aan deze vordering heeft Laurentius, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd.

[persoon C] is ernstig tekortgeschoten in de nakoming van de huurovereenkomst, de allonge in het kader van de laatste kans en de daarin opgenomen gedragsaanwijzingen en de algemene huurvoorwaarden. Ook heeft zij zich niet als goed huurder gedragen. Zij heeft immers ook vanuit haar woning aan [straatnaam A] weer overlast veroorzaakt voor omwonenden in de vorm van geluidsoverlast, ruzies, geweld en drugs-gerelateerde activiteiten. Verder heeft zij tijdens de bespreking van 16 oktober 2024 op het kantoor van Laurentius medewerkers uitgescholden en bedreigd, en vernielingen aangericht. Deze tekortkomingen rechtvaardigen de ontbinding van de huurovereenkomst en de veroordeling van de bewindvoerders tot ontruiming van de woning. Laurentius heeft daarbij een spoedeisend belang omdat de omwonenden, die ook huurders zijn van Laurentius, zich niet meer veilig voelen en omdat het risico bestaat op verdere escalatie.




6.3.3.
De bewindvoerders hebben gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.



6.3.4.
In het bestreden kortgedingvonnis heeft de kantonrechter, samengevat, als volgt geoordeeld.


Laurentius heeft een spoedeisend belang bij beoordeling van haar vordering in kort geding (rov. 4.3).


Op grond van de huurovereenkomst van 3 juni 2024 mocht [persoon C] geen overlast meer veroorzaken. Dat heeft [persoon C] wel gedaan. Ook heeft [persoon C] zich op 16 oktober 2024 dreigend uitgelaten ten kantore van Laurentius. Het verweer van [persoon C] dat geen sprake meer is van ernstige overlast moet worden verworpen (rov. 4.4).


In de allonge bij de huurovereenkomst zijn duidelijke gedragsaanwijzingen opgenomen. [persoon C] was een gewaarschuwd mens. Toch is kort na haar intrek in het gehuurde sprake van overlastmeldingen en heeft zij medewerkers van Laurentius geïntimideerd en bedreigd. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter rechtvaardigen deze tekortkomingen in een bodemprocedure ontbinding van de huurovereenkomst en een ontruiming van het gehuurde (rov. 4.5).


Gelet op de omstandigheden van dit geval moet het recht van de omwonenden op ongestoord huur- en woongenot zwaarder wegen dan het belang van [persoon C] bij gebruik van de woning (rov. 4.7).


Het is daarom boven redelijke twijfel verheven dat de huurovereenkomst door de rechter in een bodemprocedure zal worden ontbonden, zodat daar in dit kort geding op vooruit kan worden gelopen. De vordering tot ontruiming zal daarom worden toegewezen (rov. 4.8).


Op grond van deze oordelen heeft de kantonrechter, rechtdoende als voorzieningenrechter, samengevat:


de bewindvoerders veroordeeld om de woning binnen 14 dagen na betekening van het vonnis te ontruimen;


de bewindvoerders in de proceskosten veroordeeld;


het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard.





Gebeurtenissen na het beroepen vonnis en belang bij het hoger beroep





6.4.1.
Nadat het beroepen kortgedingvonnis van 15 januari 2025 was gewezen, heeft zich op hoofdlijnen nog het volgende voorgedaan:


De bewindvoerders hebben Laurentius bij dagvaarding van 13 februari 2025 in kort geding betrokken en, naar de kern genomen, schorsing van de tenuitvoerlegging van het kortgedingvonnis van 15 januari 2025 gevorderd.


Laurentius heeft bij conclusie van antwoord van 18 februari 2025 verweer gevoerd in dat kort geding, en geconcludeerd tot afwijzing van de door de bewindvoerders gevorderde voorziening.


Bij kortgedingvonnis van 21 februari 2025 heeft de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, rechtdoende als voorzieningenrechter, de vorderingen van [persoon C] afgewezen en [persoon C] in de proceskosten veroordeeld.


Laurentius heeft de woning vervolgens op 25 februari 2025 laten ontruimen.





6.4.2.
Dat de ontruiming van de woning inmiddels heeft plaatsgevonden, ontneemt aan de bewindvoerders niet hun belang bij beoordeling van de grieven die zij tegen het kortgedingvonnis van 15 januari 2025 hebben aangevoerd. Volgens vaste rechtspraak levert voor een partij die in eerste aanleg in de proceskosten is veroordeeld, deze veroordeling reeds een voldoende belang op bij het instellen van hoger beroep tegen die uitspraak. Dat geldt ook als de appelrechter in kort geding oordeelt dat spoedeisend belang ontbreekt bij de in hoger beroep te beoordelen vordering of dat een ordemaatregel anderszins niet meer aan de orde is. De appelrechter dient ook in een dergelijk geval te beslissen over de in eerste aanleg uitgesproken proceskostenveroordeling. Daartoe moet hij onderzoeken of de vordering die in eerste aanleg ter beoordeling voorlag, terecht is toe- of afgewezen, met inachtneming van het in appel gevoerde debat en naar de toestand zoals die zich voordoet ten tijde van zijn beslissing in hoger beroep (zie onder meer HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1782, rov. 3.3.2). Dit betekent dat het hof in deze zaak moet beoordelen of de vorderingen van Laurentius in eerste aanleg terecht zijn toegewezen. Het hof zal dat in het navolgende beoordelen aan de hand van de door de bewindvoerders aangevoerde grieven.



Het geding in hoger beroep





6.5.1.
Wat betreft de incidentele vordering die de bewindvoerders in hoger beroep hebben ingesteld, volstaat het hof hier met een verwijzing naar hetgeen in rov 6.1.1 van dit arrest is overwogen.



6.5.2.
De bewindvoerders hebben in de memorie van grieven één grief aangevoerd tegen het kortgedingvonnis van 15 januari 2025. Op basis van die grief hebben zij geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van Laurentius, met veroordeling van Laurentius in de proceskosten.



6.5.3.
Laurentius heeft de grief bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis, met veroordeling van de bewindvoerders in de proceskosten.



Over de grief: heeft [persoon C] overlast veroorzaakt?





6.6.
In de door de bewindvoerders aangevoerde grief zijn verschillende onderdelen te onderkennen. Het hof zal die onderdelen hieronder behandelen.



Overlast vanuit de woning aan [straatnaam B] ?




6.7.1.
In het eerste deel van de toelichting op de grief, meer in het bijzonder in punt 4 van de memorie van grieven, betwisten de bewindvoerders dat [persoon C] “gedurende meerdere jaren overlast heeft veroorzaakt, onder andere in de vorm van ruzies, geweld tegen medebewoners en het dumpen van afval.”



6.7.2.
Het hof stelt naar aanleiding van dit onderdeel van de grief het volgende voorop. [persoon C] is de woning aan [adres B] , tot ontruiming waarvan zijn bij het bestreden vonnis is veroordeeld, met ingang van 3 juni 2024 gaan huren. Op grond van het bestreden vonnis is de woning vervolgens op 25 februari 2025 ontruimd. In deze woning heeft [persoon C] slechts ruim een half jaar gewoond. Het door Laurentius gestelde “gedurende meerdere jaren” veroorzaken van overlast was aan de orde ten aanzien van de woning aan [adres A] , die [persoon C] met ingang van 15 mei 2018 is gaan huren.



6.7.3.

Over de periode dat [persoon C] aan [straatnaam B] heeft gewoond, staat in de allonge bij de op 3 juni 2024 ondertekende huurovereenkomst, samengevat, dat [persoon C] daar jarenlang overlast heeft veroorzaak in de vorm van onder meer geluidsoverlast, ruzies, geweld tegen medebewoners en het dumpen van afval. [persoon C] heeft deze allonge ondertekend. Op grond daarvan kan voorshands worden aangenomen dat [persoon C] op het betreffende adres daadwerkelijk jarenlang overlast heeft veroorzaakt. Dat geldt te meer omdat de bewindvoerders in onderdeel 2 van hun pleitnota in het geding bij de voorzieningenrechter het volgende hebben opgenomen:

“In de kort gedingdagvaarding wordt aangegeven dat gedaagde op haar oude adres veel overlast heeft veroorzaakt. Dit klopt en wordt door gedaagde erkend. In dat kader hebben beide partijen de allonge met elkaar afgesproken (productie 1 bij de dagvaarding). Dat is juist en gedaagde erkent dit.”

Tegen de achtergrond hiervan hebben de bewindvoerders in de toelichting op de grief onvoldoende gemotiveerd betwist dat [persoon C] vanuit de woning aan [straatnaam B] jarenlang overlast heeft veroorzaakt. Het heeft er veeleer de schijn van dat zij de beide huurperiodes, aan [straatnaam B] en aan [straatnaam A] , met elkaar verwarren. Het hof verwerpt daarom het eerste onderdeel van de grief.




Tekortkoming door gedrag [persoon C] op kantoor Laurentius op 16 oktober 2024?





6.8.1.

In rov. 4.4 van het bestreden vonnis heeft de kantonrechter over de gedragingen van [persoon C] onder meer als volgt geoordeeld:

“Ook heeft zij zich op 16 oktober 2024 dreigend uitgelaten ten kantore van Laurentius toen Laurentius met haar over de overlastmeldingen in gesprek ging. Daarmee handelt [persoon C] ook in strijd met de afspraken in de allonge en artikel 6.8 van de algemene voorwaarden.”





6.8.2.
Één van de onderdelen van de grief (tweede alinea van blz. 4 van de memorie van grieven) is tegen dit oordeel gericht. De bewindvoerders betogen daar dat [persoon C] met haar gedrag op het kantoor van Laurentius de laatste kans overeenkomst niet heeft geschonden, aangezien de ruzie op het kantoor van Laurentius heeft geleid tot overlast op het kantoor van Laurentius en dus niet in de door [persoon C] gehuurde woning.



6.8.3.
Het hof verwerpt dit onderdeel van de grief omdat in artikel 6.8 van de allonge bij de huurovereenkomst uitdrukkelijk is overeengekomen dat [persoon C] de medewerkers van Laurentius met respect moet behandelen en dat dit onder meer meebrengt dat [persoon C] niet scheldt tegen die medewerkers, die medewerkers niet bedreigt en geen geweld gebruikt jegens Laurentius. Laurentius heeft gesteld dat [persoon C] zich tijdens het gesprek van 16 oktober 2024 op het kantoor van Laurentius agressief en bedreigend heeft opgesteld tegenover medewerkers van Laurentius en spullen op het kantoor heeft vernield. Naar het voorshands oordeel van het hof heeft [persoon C] dat onvoldoende gemotiveerd betwist. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de door Laurentius als producties 7 en 8 bij de inleidende dagvaarding (op een USB-stick) overgelegde videobeelden de door Laurentius geschetste gang van zaken bevestigen. Dit levert een ernstige tekortkoming op van [persoon C] in de nakoming van de huurovereenkomst en de daarbij gemaakte afspraken. De enkele omstandigheid dat deze gedragingen hebben plaatsgevonden in het kantoor van Laurentius en niet in of bij de gehuurde woning, doet daar niet aan af.



Tekortkomingen [persoon C] door overlast vanuit de woning aan [straatnaam A] ?





6.9.1.
In de toelichting op de grief hebben de bewindvoerders verder betwist dat [persoon C] overlast heeft veroorzaakt in de periode waarin zij de woning aan [straatnaam A] huurde. De bewindvoerders hebben daartoe allereerst aangevoerd dat [persoon C] “gedurende de periode van deze meldingen tot overlast in het ziekenhuis verbleef”.



6.9.2.
Het hof constateert dat de bewindvoerders op geen enkele wijze hebben onderbouwd dat [persoon C] gedurende de periode van de meldingen in het ziekenhuis verbleef. De bewindvoerders hebben in hoger beroep ook niet gesteld van welke datum tot welke datum die ziekenhuisopname dan geduurd zou hebben. In hun pleitnota in het geding bij de kantonrechter hebben de bewindvoerders wel melding gemaakt van een ziekenhuisopname van één dag, op 10 oktober 2024, maar ook ten aanzien van die stelling hebben zij niet op voldoende duidelijke wijze verwezen naar enig bewijsstuk. Laurentius heeft uitdrukkelijk betwist dat [persoon C] gedurende de periode van de overlastmeldingen in het ziekenhuis verbleef. Het hof acht de desbetreffende stelling van de bewindvoerders, die niet concreet en niet onderbouwd is, voorshands onvoldoende aannemelijk.



6.9.3.
De bewindvoerders hebben in de toelichting op de grief verder aangevoerd dat [persoon C] , kort gezegd, vanuit de woning aan [straatnaam A] geen overlast heeft veroorzaakt.



6.9.4.
Naar het oordeel van het hof heeft Laurentius echter met de door haar overgelegde meldingen, die afkomstig zijn van meerdere omwonenden, voldoende aannemelijk gemaakt dat [persoon C] in en bij het gehuurde overlast heeft veroorzaakt voor omwonenden. Het hof acht hierbij van belang dat de meldingen op elkaar aansluiten en ook in enige mate ondersteund worden door het feit dat [persoon C] ook op haar vorige woonadres langdurig overlast heeft veroorzaakt en dat [persoon C] bij gelegenheid van het bezoek aan het kantoor van Laurentius op 16 oktober 2024 heeft laten zien dat zij haar gedrag niet goed in de hand heeft. De bewindvoerders hebben niet gesteld en ook niet toegelicht dat en waarom meerdere omwonenden jegens [persoon C] zouden samenspannen door ten onrechte verklaringen over door [persoon C] veroorzaakte overlast af te leggen.



Ontruiming gerechtvaardigd





6.10.1.
Het hof is voorts, evenals de kantonrechter, van oordeel dat het zeer aannemelijk is dat een bodemrechter in deze zaak zal oordelen dat vanwege de tekortkomingen van [persoon C] in de nakoming van de huurovereenkomst, de allonge en de algemene voorwaarden, een ontbinding van de huurovereenkomst gerechtvaardigd is. Het hof verwerpt voorts het verweer van de bewindvoerders dat Laurentius aan [persoon C] nog de gelegenheid had moeten geven haar gedrag aan te passen. Laurentius heeft [persoon C] daar, ook op haar vorige woonadres voldoende gelegenheid voor gegeven. Door het aangaan van de “laatste kansovereenkomst” heeft het [persoon C] al duidelijk moeten zijn dat zij haar gedrag diende aan te passen en dat verdere misdragingen tot beëindiging van de huur van de woning aan [straatnaam A] zouden kunnen leiden. Laurentius was niet gehouden om aan [persoon C] nog meer kansen te bieden.



6.10.2.
Het hof acht het voorts juist dat de kantonrechter in dit geval op een oordeel van de bodemrechter vooruit is gelopen door de bewindvoerders in kort geding tot ontruiming van de woning te veroordelen. Hierbij is mede van belang dat Laurentius als verhuurder van de woningen van de omwonenden, moet waarborgen dat nabij het gehuurde sprake is van een goede en veilige woonomgeving. Verder kan van Laurentius niet gevergd worden dat zij haar medewerkers nog langer bloot stelt aan gedragingen van [persoon C] zoals gepleegd op 16 oktober 2024 op het kantoor van Laurentius.



6.10.3.
De omstandigheid dat [persoon C] mogelijk door de in rov. 6.2.2 onder q genoemde borderline-stoornis of door andere psychische problemen haar gedrag niet altijd in de hand kan houden, brengt het hof niet tot een ander oordeel. Dergelijke oorzaken voor het gedrag van [persoon C] komen in haar verhouding tot Laurentius voor eigen rekening van [persoon C] .



6.10.4.

[persoon C] heeft aan het slot van de memorie van grieven nog in algemene bewoordingen bewijs aangeboden van haar stellingen. Het hof passeert dat bewijsaanbod omdat een kortgedingprocedure zich in beginsel niet leent voor bewijslevering door getuigenverhoren. Het hof ziet geen aanleiding om in dit geval een uitzondering op dat uitgangspunt te maken.



Conclusie en afwikkeling





6.11.1.
Om bovenstaande redenen concludeert het hof dat de kantonrechter, rechtdoende als voorzieningenrechter, de bewindvoerders terecht tot ontruiming van de woning heeft veroordeeld. In het verlengde daarvan heeft de kantonrechter de bewindvoerders ook terecht in de proceskosten van de eerste aanleg veroordeeld. Het hof zal het beroepen vonnis daarom bekrachtigen.



6.11.2.
Het hof zal de bewindvoerders als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep. Het hof zal die kosten aan de zijde van Laurentius vaststellen op:


Griffierechten € 827,--


Salaris advocaat € 2.428,-- (2 punt(en) x tarief II)


Nakosten € 178,-- (plus de verhoging zoals vermeld in de



beslissing)

+

Totaal € 3.433,--




6.11.3.
Bij een veroordeling van twee of meer partijen tot betaling van de proceskosten, geldt als uitgangspunt dat zij ieder voor het geheel aansprakelijk zijn en dus hoofdelijk zijn verbonden tot nakoming van die veroordeling. Daartoe is niet vereist dat de in het gelijk gestelde partij heeft gevorderd of verzocht dat de veroordeling van de wederpartijen in de proceskosten hoofdelijk zal worden toegewezen (HR 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1942). Het hof zal de bewindvoerders daarom hoofdelijk in de proceskosten veroordelen. Het hof tekent hierbij volledigheidshalve wel aan dat de bewindvoerders niet in persoon, maar uitsluitend in hun hoedanigheid van bewindvoerders over de goederen van [persoon C] , in de proceskosten worden veroordeeld.






7De uitspraak


Het hof:



bekrachtigt het door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, rechtdoende als voorzieningenrechter, onder zaaknummer 11429596 \ VV EXPL 24-85 tussen partijen gewezen kortgedingvonnis van 15 januari 2025;



veroordeelt de bewindvoerders (in hun hoedanigheid) hoofdelijk, des dat de een betalend, de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten van het hoger beroep aan de zijde van Laurentius ten bedrage van € 3.433,--, te betalen binnen veertien dagen na heden; als de bewindvoerders niet tijdig aan deze proceskostenveroordeling voldoen en het arrest daarna wordt betekend, dan moeten de bewindvoerders € 92,-- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;



wijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af.



Dit arrest is gewezen door mrs. I.B.N. Keizer, J.B. Smits en C.B.M. Scholten van Aschat en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 30 september 2025.




griffier rolraadsheer