Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2018:1321
2018-01-30
Strafrecht
16/00546
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2018:1321 → ECLI:NL:PHR:2017:1640
Inhoudsindicatie
Feitelijk leiding geven aan opzettelijk onjuist doen van aangifte omzetbelasting en valsheid in geschrift (meermalen gepleegd) door als bestuurder van onderneming verkoopfacturen te vervalsen en o.b.v. vervalste facturen aangiften omzetbelasting in te dienen. 1. OM n-o in vervolging t.a.v. valsheid in geschrift gelet op art. 69.4 AWR, nu feit louter fiscale functie heeft en daarmee enkel vervolgbaar is via AWR. 2. OM n-o in vervolging t.a.v. beide feiten, omdat o.b.v. AWR administratie van verdachte is gevorderd terwijl reeds sprake was van verdenking ex art. 27 Sv. 3. Strafmotivering in het licht van uos en art. 359.5 Sv. HR: art. 81.1 RO.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (7)
- ECLI:NL:GHSHE:2025:2210 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 08-08-2025
- ECLI:NL:RBOVE:2023:1245 Rechtbank Overijssel 06-04-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:40 Parket bij de Hoge Raad 10-01-2023
- ECLI:NL:PHR:2021:166 Parket bij de Hoge Raad 02-03-2021
- ECLI:NL:PHR:2020:631 Parket bij de Hoge Raad 23-06-2020
- ECLI:NL:PHR:2019:516 Parket bij de Hoge Raad 05-03-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:516 Parket bij de Hoge Raad 05-03-2019
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.704 tekens)
30 januari 2018
Strafkamer
nr. S 16/00546
SB
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, van 27 januari 2016, nummer 21/006211-13, in de strafzaak tegen:
[verdachte]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963.
1Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben W. de Vries en M.J. van Essen, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld.
De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde straf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadsman W. de Vries heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2Beoordeling van het vijfde middel
2.1.
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
2.2.
Het middel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
3Beoordeling van de overige middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4Slotsom
Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
5Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
vermindert deze in die zin dat deze zeventien maanden en een week, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren beloopt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 januari 2018.
Strafkamer
nr. S 16/00546
SB
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, van 27 januari 2016, nummer 21/006211-13, in de strafzaak tegen:
[verdachte]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963.
1Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben W. de Vries en M.J. van Essen, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld.
De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde straf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadsman W. de Vries heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2Beoordeling van het vijfde middel
2.1.
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
2.2.
Het middel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
3Beoordeling van de overige middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4Slotsom
Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
5Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
vermindert deze in die zin dat deze zeventien maanden en een week, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren beloopt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 januari 2018.