Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2017:871
2017-05-12
Civiel recht; Personen- en familierecht
16/04411
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2017:871 → ECLI:NL:PHR:2017:176 gevolgd
Inhoudsindicatie
Personen- en familierecht. Wijziging alimentatie met terugwerkende kracht; behoedzaamheid vereist. Vaste rechtspraak Hoge Raad.
Citeert (3)
- ECLI:NL:HR:2014:1001 Hoge Raad 25-04-2014
- ECLI:NL:HR:2015:232 Hoge Raad 06-02-2015
- ECLI:NL:HR:2016:365 Hoge Raad 04-03-2016
Geciteerd door (56)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:27130 Rechtbank Den Haag 18-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:11777 Rechtbank Den Haag 14-04-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:209 Parket bij de Hoge Raad 27-02-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2025:24651 Rechtbank Den Haag 20-11-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:1255 Parket bij de Hoge Raad 14-11-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:1255 Parket bij de Hoge Raad 14-11-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:2715 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 02-10-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:1047 Parket bij de Hoge Raad 26-09-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:16825 Rechtbank Den Haag 12-09-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:957 Parket bij de Hoge Raad 05-09-2025
- ECLI:NL:RBOVE:2025:5370 Rechtbank Overijssel 01-09-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:499 Parket bij de Hoge Raad 25-04-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:1815 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 27-03-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:1815 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 27-03-2025
- ECLI:NL:PHR:2023:1036 Parket bij de Hoge Raad 17-11-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:640 Parket bij de Hoge Raad 30-06-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:640 Parket bij de Hoge Raad 30-06-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:5088 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15-06-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:1633 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 23-02-2023
- ECLI:NL:PHR:2022:719 Parket bij de Hoge Raad 15-07-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:719 Parket bij de Hoge Raad 15-07-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:719 Parket bij de Hoge Raad 15-07-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:611 Parket bij de Hoge Raad 03-06-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:611 Parket bij de Hoge Raad 03-06-2022
- ECLI:NL:HR:2021:594 Hoge Raad 16-04-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:159 Parket bij de Hoge Raad 26-02-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:1385 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 11-02-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:90 Parket bij de Hoge Raad 29-01-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:90 Parket bij de Hoge Raad 29-01-2021
- ECLI:NL:PHR:2020:1107 Parket bij de Hoge Raad 13-11-2020
- ECLI:NL:HR:2020:1081 Hoge Raad 19-06-2020
- ECLI:NL:HR:2020:748 Hoge Raad 17-04-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:6065 Rechtbank Den Haag 25-03-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:142 Parket bij de Hoge Raad 14-02-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:142 Parket bij de Hoge Raad 14-02-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:190 Parket bij de Hoge Raad 31-01-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:190 Parket bij de Hoge Raad 31-01-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:190 Parket bij de Hoge Raad 31-01-2020
- ECLI:NL:GHARL:2019:9846 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12-11-2019
- ECLI:NL:GHARL:2019:2858 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 28-03-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:171 Parket bij de Hoge Raad 22-02-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:171 Parket bij de Hoge Raad 22-02-2019
- ECLI:NL:GHDHA:2019:330 Gerechtshof Den Haag 30-01-2019
- ECLI:NL:GHSHE:2018:2204 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 22-05-2018
- ECLI:NL:HR:2018:695 Hoge Raad 04-05-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:142 Parket bij de Hoge Raad 09-02-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:49 Parket bij de Hoge Raad 19-01-2018
- ECLI:NL:PHR:2017:1428 Parket bij de Hoge Raad 22-12-2017
- ECLI:NL:PHR:2017:1428 Parket bij de Hoge Raad 22-12-2017
- ECLI:NL:PHR:2017:1428 Parket bij de Hoge Raad 22-12-2017
- ECLI:NL:PHR:2017:1428 Parket bij de Hoge Raad 22-12-2017
- ECLI:NL:RBROT:2017:9080 Rechtbank Rotterdam 22-11-2017
- ECLI:NL:PHR:2017:1255 Parket bij de Hoge Raad 10-11-2017
- ECLI:NL:GHARL:2017:9339 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 24-10-2017
- ECLI:NL:PHR:2017:989 Parket bij de Hoge Raad 22-09-2017
- ECLI:NL:GHDHA:2017:1611 Gerechtshof Den Haag 24-05-2017
Volledige tekst
Volledige tekst (6.805 tekens)
12 mei 2017
Eerste Kamer
16/04411
LZ/AR
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[de vrouw],wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. C.G.A. van Stratum,
t e g e n
[de man],wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de vrouw en de man.
1Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de beschikking in de zaken C/16/360924/FA RK 14-333 en C/16/360925/FA RK 14-334 van de rechtbank Midden-Nederland van 11 februari 2015;
b. de beschikkingen in de zaak 200.169.639/01 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 23 juni 2015 en 31 mei 2016 alsmede de aan laatstgenoemde beschikking gehechte herstelbeschikking van 2 februari 2017.
De beschikkingen van het hof zijn aan deze beschikking gehecht.
2Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof van 31 mei 2016 heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De man heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing naar een ander gerechtshof.
De advocaat van de vrouw heeft bij brief van 17 maart 2017 op die conclusie gereageerd.
3Beoordeling van het middel
3.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) De vrouw en de man zijn met elkaar gehuwd geweest.
(ii) Het huwelijk is op 15 oktober 2015 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 11 februari 2015 in de registers van de burgerlijke stand.
3.2.1
De rechtbank heeft in de echtscheidingsbeschikking bepaald, voor zover in cassatie van belang, dat de man een partneralimentatie dient te betalen van € 1.170,-- bruto per maand met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking.
3.2.2
Het hof heeft bepaald dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking een partneralimentatie dient te betalen van € 322,-- per maand. In de herstelbeschikking van 2 februari 2017 heeft het hof laatstgenoemd bedrag wegens een kennelijke rekenfout gewijzigd in € 528,-- per maand.
3.3.1
Onderdeel 1 klaagt dat het hof heeft miskend dat het gehouden was om aan de hand van hetgeen ten processe is gebleken, ambtshalve en kenbaar te onderzoeken of een terugbetalingsverplichting ten laste van de vrouw in redelijkheid van haar kan worden gevergd, nu het de door de rechtbank vastgestelde partneralimentatie heeft gewijzigd met ingang van een vóór zijn uitspraak gelegen datum. Het onderdeel wijst erop dat de vrouw in hoger beroep heeft gesteld dat de man na 15 oktober 2015 is aangevangen met het betalen van partneralimentatie, dat het van de man ontvangen bedrag is uitgegeven aan levensonderhoud, en dat de vrouw geld moet lenen om in haar behoefte te voorzien en niet in staat is het van de man ontvangen bedrag terug te betalen.
3.4
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad – zie onder meer HR 25 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:1001, NJ 2014/225, HR 6 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:232, NJ 2015/92 en HR 4 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:365 – gelden met betrekking tot de door de rechter te bepalen ingangsdatum van een (gewijzigde) onderhoudsverplichting de volgende regels:
(i) De rechter die beslist op een verzoek tot wijziging van een eerder vastgestelde bijdrage in het levensonderhoud, zal in het algemeen behoedzaam gebruik moeten maken van zijn bevoegdheid de wijziging te laten ingaan op een vóór zijn uitspraak gelegen datum, met name indien dit ingrijpende gevolgen kan hebben voor de onderhoudsgerechtigde in verband met een daardoor in het leven geroepen verplichting tot terugbetaling van hetgeen in de daaraan voorafgaande periode in feite is betaald of verhaald.
(ii) Deze behoedzaamheid geldt ook voor de rechter in hoger beroep die met ingang van een vóór zijn uitspraak gelegen datum een zodanige wijziging brengt in de door de rechter in eerste aanleg vastgestelde of gewijzigde bijdrage dat zij kan leiden tot de hiervoor bedoelde ingrijpende gevolgen.
(iii) Deze behoedzaamheid brengt mee dat de rechter naar aanleiding van hetgeen partijen hebben aangevoerd, zal moeten beoordelen of, en in hoeverre, in redelijkheid van de onderhoudsgerechtigde terugbetaling kan worden verlangd van hetgeen in overeenstemming met diens behoefte aan levensonderhoud reeds is uitgegeven, en dat de rechter, indien dit naar zijn oordeel het geval is, van zijn beoordeling rekenschap zal moeten geven in de motivering.
In deze regels (i)-(iii) ligt besloten dat de rechter die een onderhoudsverplichting verlaagt met ingang van een vóór zijn uitspraak gelegen datum, steeds aan de hand van hetgeen ten processe is gebleken, zal moeten beoordelen in hoeverre een daaruit voortvloeiende terugbetalingsverplichting in redelijkheid kan worden aanvaard. Hij is derhalve bij die beoordeling niet afhankelijk van een door de onderhoudsgerechtigde gevoerd, op die terugbetaling betrekking hebbend verweer.
3.5
In de bestreden beschikking heeft het hof niet kenbaar de hiervoor in 3.4 bedoelde regels toegepast. Evenmin heeft het hof kenbaar onderzocht of een terugbetalingsverplichting ten laste van de vrouw in redelijkheid kan worden aanvaard. Voor zover het oordeel van het hof aldus moet worden verstaan dat de uit de verlaging voortvloeiende terugbetalingsplicht van de vrouw in redelijkheid kan worden aanvaard, is dat oordeel, gelet op de hiervoor in 3.3 weergegeven stellingen van de vrouw, onvoldoende gemotiveerd.
3.6
Onderdeel 1 is dan ook gegrond. De overige onderdelen behoeven geen behandeling.
4Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 31 mei 2016;
verwijst het geding naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en G. Snijders, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 12 mei 2017.
Eerste Kamer
16/04411
LZ/AR
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[de vrouw],wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. C.G.A. van Stratum,
t e g e n
[de man],wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de vrouw en de man.
1Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de beschikking in de zaken C/16/360924/FA RK 14-333 en C/16/360925/FA RK 14-334 van de rechtbank Midden-Nederland van 11 februari 2015;
b. de beschikkingen in de zaak 200.169.639/01 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 23 juni 2015 en 31 mei 2016 alsmede de aan laatstgenoemde beschikking gehechte herstelbeschikking van 2 februari 2017.
De beschikkingen van het hof zijn aan deze beschikking gehecht.
2Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof van 31 mei 2016 heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De man heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing naar een ander gerechtshof.
De advocaat van de vrouw heeft bij brief van 17 maart 2017 op die conclusie gereageerd.
3Beoordeling van het middel
3.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) De vrouw en de man zijn met elkaar gehuwd geweest.
(ii) Het huwelijk is op 15 oktober 2015 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 11 februari 2015 in de registers van de burgerlijke stand.
3.2.1
De rechtbank heeft in de echtscheidingsbeschikking bepaald, voor zover in cassatie van belang, dat de man een partneralimentatie dient te betalen van € 1.170,-- bruto per maand met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking.
3.2.2
Het hof heeft bepaald dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking een partneralimentatie dient te betalen van € 322,-- per maand. In de herstelbeschikking van 2 februari 2017 heeft het hof laatstgenoemd bedrag wegens een kennelijke rekenfout gewijzigd in € 528,-- per maand.
3.3.1
Onderdeel 1 klaagt dat het hof heeft miskend dat het gehouden was om aan de hand van hetgeen ten processe is gebleken, ambtshalve en kenbaar te onderzoeken of een terugbetalingsverplichting ten laste van de vrouw in redelijkheid van haar kan worden gevergd, nu het de door de rechtbank vastgestelde partneralimentatie heeft gewijzigd met ingang van een vóór zijn uitspraak gelegen datum. Het onderdeel wijst erop dat de vrouw in hoger beroep heeft gesteld dat de man na 15 oktober 2015 is aangevangen met het betalen van partneralimentatie, dat het van de man ontvangen bedrag is uitgegeven aan levensonderhoud, en dat de vrouw geld moet lenen om in haar behoefte te voorzien en niet in staat is het van de man ontvangen bedrag terug te betalen.
3.4
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad – zie onder meer HR 25 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:1001, NJ 2014/225, HR 6 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:232, NJ 2015/92 en HR 4 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:365 – gelden met betrekking tot de door de rechter te bepalen ingangsdatum van een (gewijzigde) onderhoudsverplichting de volgende regels:
(i) De rechter die beslist op een verzoek tot wijziging van een eerder vastgestelde bijdrage in het levensonderhoud, zal in het algemeen behoedzaam gebruik moeten maken van zijn bevoegdheid de wijziging te laten ingaan op een vóór zijn uitspraak gelegen datum, met name indien dit ingrijpende gevolgen kan hebben voor de onderhoudsgerechtigde in verband met een daardoor in het leven geroepen verplichting tot terugbetaling van hetgeen in de daaraan voorafgaande periode in feite is betaald of verhaald.
(ii) Deze behoedzaamheid geldt ook voor de rechter in hoger beroep die met ingang van een vóór zijn uitspraak gelegen datum een zodanige wijziging brengt in de door de rechter in eerste aanleg vastgestelde of gewijzigde bijdrage dat zij kan leiden tot de hiervoor bedoelde ingrijpende gevolgen.
(iii) Deze behoedzaamheid brengt mee dat de rechter naar aanleiding van hetgeen partijen hebben aangevoerd, zal moeten beoordelen of, en in hoeverre, in redelijkheid van de onderhoudsgerechtigde terugbetaling kan worden verlangd van hetgeen in overeenstemming met diens behoefte aan levensonderhoud reeds is uitgegeven, en dat de rechter, indien dit naar zijn oordeel het geval is, van zijn beoordeling rekenschap zal moeten geven in de motivering.
In deze regels (i)-(iii) ligt besloten dat de rechter die een onderhoudsverplichting verlaagt met ingang van een vóór zijn uitspraak gelegen datum, steeds aan de hand van hetgeen ten processe is gebleken, zal moeten beoordelen in hoeverre een daaruit voortvloeiende terugbetalingsverplichting in redelijkheid kan worden aanvaard. Hij is derhalve bij die beoordeling niet afhankelijk van een door de onderhoudsgerechtigde gevoerd, op die terugbetaling betrekking hebbend verweer.
3.5
In de bestreden beschikking heeft het hof niet kenbaar de hiervoor in 3.4 bedoelde regels toegepast. Evenmin heeft het hof kenbaar onderzocht of een terugbetalingsverplichting ten laste van de vrouw in redelijkheid kan worden aanvaard. Voor zover het oordeel van het hof aldus moet worden verstaan dat de uit de verlaging voortvloeiende terugbetalingsplicht van de vrouw in redelijkheid kan worden aanvaard, is dat oordeel, gelet op de hiervoor in 3.3 weergegeven stellingen van de vrouw, onvoldoende gemotiveerd.
3.6
Onderdeel 1 is dan ook gegrond. De overige onderdelen behoeven geen behandeling.
4Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 31 mei 2016;
verwijst het geding naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en G. Snijders, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 12 mei 2017.