Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

ECLI:NL:GHSHE:2025:2715

2025-10-02 Civiel recht; Personen- en familierecht 200.345.523_01
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Uitspraakdatum
2025-10-02
Publicatiedatum
2025-10-02
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
200.345.523_01
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

inkomensverlies van de man niet door hem zelf teweeggebracht. Geen onbenutte verdiencapaciteit man. Verdiencapaciteit vrouw die reeds in 2021 in het kader van de partneralimentatie is vastgesteld, moet ook bij de kinderalimentatie worden betrokken. Terugbetalingsverplichting.

Citeert (4)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (38.673 tekens)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH




Team familie- en jeugdrecht



zaaknummer : 200.345.523/01
zaaknummer rechtbank : C/03/314919 / FA RK 23-658




beschikking van de meervoudige kamer van 2 oktober 2025




inzake





[de vrouw] , geboren [naam],
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in het principaal hoger beroep,
verweerster in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. S.C. van Heerd te Venlo,



tegen





[de man]
,
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in het principaal hoger beroep,
verzoeker in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. A.M. Holmes te Heerlen .






1Het verloop van het geding in eerste aanleg


Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg (Maastricht) van 4 juni 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.





2Het geding in hoger beroep


2.1.
De vrouw is op 2 september 2024 in hoger beroep gekomen van voornoemde beschikking van 4 juni 2024.



2.2.
De man heeft op 1 november 2024 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.



2.3.
De vrouw heeft op 12 december 2024 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.



2.4.
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
- een journaalbericht van de zijde van de man van 29 april 2025 met bijlagen, ingekomen op 30 april 2025;
- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 5 mei 2025 met bijlagen.



2.5.
De mondelinge behandeling heeft op 15 mei 2025 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten en hun tolken.





3De feiten


3.1.
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.



3.2.
Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Bij beschikking van de rechtbank Limburg (Maastricht) van 17 juli 2020 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 23 oktober 2020 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.



3.3.
De vrouw heeft de Japanse nationaliteit. De man heeft de Britse nationaliteit.



3.4.

Partijen zijn de ouders van:
- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2017 (hierna: [minderjarige] ).




3.5.
Bij de echtscheidingsbeschikking is, voor zover thans van belang, bepaald dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van [minderjarige] een bedrag dient te betalen van € 533,- per maand en als bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw een bedrag van € 2.666,- bruto per maand.



3.6.
Bij beschikking van dit hof van 22 juli 2021 is voornoemde beschikking vernietigd voor zover het de partnerbijdrage betreft en heeft het hof deze vastgesteld op € 4.714,- bruto per maand met ingang van 23 oktober 2020.





4De omvang van het geschil


4.1.
Bij de bestreden beschikking is het verzoek van de man tot verlaging van de kinderalimentatie afgewezen en is de door de man te betalen bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw nader vastgesteld op € 929,- bruto per maand met ingang van 1 maart 2023.



4.2.
De vrouw verzoekt in hoger beroep de bestreden beschikking te vernietigen voor zover deze ziet op de partneralimentatie en, opnieuw rechtdoende, de man alsnog niet ontvankelijk te verklaren althans het verzoek van de man alsnog af te wijzen.


De grieven van de vrouw zien op:

- niet in behandeling genomen stukken (grief 1);
- rechtens relevante wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) (grief 2);
- draagkracht van de man (grief 3 t/m 10)
- ingangsdatum van de wijziging (grief 11).
Grief 12 betreft een conclusie van alle voorgaande grieven en heeft aldus geen zelfstandige betekenis.



4.3.

De man heeft in principaal hoger beroep geconcludeerd tot afwijzing van de grieven van de vrouw.
De man verzoekt in incidenteel hoger beroep:
I. de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het de kinderalimentatie betreft en, opnieuw rechtdoende, met wijziging van de beschikking van de rechtbank Limburg van 17 juli 2020 te bepalen dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van [minderjarige] een bedrag dient te voldoen van maximaal € 399,- per maand met ingang van 1 maart 2023, onder bepaling dat de vrouw de door de man aan haar teveel betaalde bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] aan de man dient terug te betalen binnen 14 dagen na de ten dezen af te geven beschikking, bij gebreke waarvan de vrouw heeft te dulden dat de man die teveel betaalde bijdragen kan en mag verrekenen met de toekomstig te betalen maandelijkse kinderalimentatie, te vermeerderen met de wettelijke rente over die teveel betaalde alimentatie te rekenen vanaf de datum van onverschuldigde betaling tot de dag der algehele voldoening;
II. de vrouw te veroordelen tot betaling aan de man van een bedrag van € 55.677,51 ten titel van veel betaalde partneralimentatie binnen 14 dagen na de ten dezen af te geven beschikking, bij gebreke waarvan de vrouw heeft te dulden dat de man die teveel betaalde bijdragen kan en mag verrekenen met de toekomstig te betalen maandelijkse
partneralimentatie, te vermeerderen met de wettelijke rente over die teveel betaalde alimentatie te rekenen vanaf de datum van onverschuldigde betaling tot de dag der algehele voldoening;
III. de vrouw te veroordelen in de kosten van hoger beroep ten principale en in incidenteel
appel op basis van het liquidatietarief.



De grieven van de man zien op:

- de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] ;
- de terugbetalingsverplichting.



4.4.
Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken.





5De motivering van de beslissing



Rechtsmacht en toepasselijk recht




5.1.

Omdat partijen een buitenlandse nationaliteit hebben en [minderjarige] twee buitenlandse nationaliteiten heeft, dient het hof ambtshalve vast te stellen of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft. Op grond van artikel 3 sub a van de Alimenatieverordening heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht omdat de vrouw en [minderjarige] hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben.
In hoger beroep staat tussen partijen vast dat het Nederlandse recht van toepassing is.




Niet in behandeling genomen stukken (grief 1 in principaal hoger beroep)





5.2.
Omdat de herstelfunctie van het hoger beroep ook bedoeld is om eigen fouten in eerste aanleg te herstellen, de betreffende stukken bij beroepschrift in het geding zijn gebracht en dus onderdeel uitmaken van het procesdossier in hoger beroep, zal het hof deze in zijn beoordeling betrekken. Het hof zal de eerste grief van de vrouw dan ook afwijzen wegens gebrek aan belang.



Wijziging van omstandigheden (grief 2)





5.3.
De rechtbank heeft geoordeeld dat aan de hand van de stukken en de verklaringen van partijen ter zitting genoegzaam is gebleken dat de financiële situatie van de man is gewijzigd met ingang van 1 maart 2023, zodat sprake is van een wijziging van omstandigheden en de man ontvangen kan worden in zijn verzoek. De wijziging is er in gelegen dat de man, die sinds 1 oktober 2014 duurzaam en in opdracht van [bedrijf 1] via opeenvolgende inleenovereenkom-sten werkzaam was bij [bedrijf 2] als Developer Alternative Investment Services, met ingang van 1 maart 2023 via een rechtstreekse arbeidsovereenkomst in dienst is getreden bij [bedrijf 2] , omdat de laatste inleenovereenkomst niet is verlengd.


5.3.1.
In de tweede grief voert de vrouw aan dat geen sprake is van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden, zodat de man niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard althans zijn verzoek afgewezen had moeten worden. Zij voert hiertoe aan dat om vast te stellen of sprake is van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden duidelijk moet zijn wat de beginsituatie en de eindsituatie is. Omdat de man in eerdere procedures nooit volledige openheid van zaken heeft willen geven over zijn financiële- en inkomenssituatie is deze duidelijkheid er niet en kan niet worden vastgesteld dat zijn inkomenssituatie zodanig is veranderd dat sprake is van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden en hij de destijds door het hof vastgestelde onderhoudsbijdrage niet langer kan voldoen.



5.3.2.

Het hof oordeelt als volgt.
De man heeft gewijzigde omstandigheden aangevoerd die rechtvaardigen dat zijn onderhouds-bijdragen opnieuw worden beoordeeld, namelijk een wijziging in zijn arbeidssituatie. De man is daarmee ontvankelijk in zijn verzoek. Vervolgens heeft de rechtbank onderzocht of de gewijzigde omstandigheden tot gevolg hebben dat de onderhoudsbijdragen moeten worden gewijzigd, dus of er sprake is van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden. De rechtbank heeft geoordeeld dat ten aanzien van de kinderalimentatie geen sprake was van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden, omdat de man de vastgestelde bijdrage nog altijd kan betalen. Ten aanzien van de partneralimentatie heeft de rechtbank geoordeeld dat wel sprake was van een rechtens relevante wijziging, omdat de man de geldende bijdrage niet langer kan betalen. Beide partijen hebben tegen dit oordeel van de rechtbank grieven gericht die in het navolgende zullen worden besproken.
De tweede grief van de vrouw faalt.




Ingangsdatum van de wijziging (grief 11)





5.4.
De rechtbank is voor wat betreft de wijzigingsdatum aangesloten bij de datum waarop de man rechtstreeks in dienst is getreden bij [bedrijf 2] , te weten 1 maart 2023. De rechtbank heeft geoordeeld dat de daaruit voortvloeiende terugbetalingsverplichting van de vrouw in redelijkheid kan worden aanvaard en betrekt daarbij dat het inleidend verzoek in deze procedure dateert van 24 februari 2023 en de vrouw op 30 januari 2023 al schriftelijk was geïnformeerd van de aanstaande wijziging, zodat zij in ieder geval vanaf die datum rekening heeft kunnen houden met een eventuele terugbetalingsverplichting. De maatregelen die de vrouw vervolgens ten opzichte van de man heeft genomen om toch de alimentatie (volledig) te kunnen innen – waarbij zij niet alleen bank- en loonbeslag heeft gelegd, maar ook op de woning van de man beslag heeft gelegd – acht de rechtbank buitenproportioneel, temeer nu dit niet alleen een grote weerslag heeft (gehad) op de man maar ook op [minderjarige] , die de helft van de tijd bij de man verblijft.


5.4.1.

De vrouw verwijst naar de uitspraak van de Hoge Raad van 12 mei 2017 (ECLI:NL:HR:2017:871), waarin is bepaald (overeenkomstig vaste rechtspraak van de Hoge raad, o.a. HR 25 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:l00l, NJ 2014/225, HR 6 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:232, NJ 2015/92 en HR 4 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:365) dat de
rechter die beslist op een verzoek tot wijziging van een eerder vastgestelde bijdrage in het algemeen behoedzaam gebruik zal moeten maken van zijn bevoegdheid de wijziging te laten ingaan op een vóór zijn uitspraak gelegen datum, met name indien dit ingrijpende gevolgen kan hebben voor de onderhoudsgerechtigde in verband met een daardoor in het leven geroepen verplichting tot terugbetaling van hetgeen in de daaraan voorafgaande periode in feite is betaald of verhaald.



5.4.2.

De man voert het volgende verweer.
De man heeft de vrouw al bij brief van 30 januari 2023 geïnformeerd over het feit dat zijn overstap van inleenovereenkomst naar een dienstverband gevolgen zou hebben voor de hoogte van zijn inkomen en dus voor de kinder- en partneralimentatie. De vrouw heeft hiermee dus rekening kunnen houden. Dat de vrouw er desondanks voor heeft gekozen om executiemaatregelen te treffen, dient voor haar rekening en risico te blijven.




5.4.3.

Het hof oordeelt als volgt.
Artikel 1:402 BW laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Vier data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum waarop de wijziging van omstandigheden aan de andere partij zijn medegedeeld en bewijsstukken hiervan zijn toegestuurd zodat de andere partijen kan berekenen wat de gevolgen van de wijziging zijn, de datum van het inleidend processtuk en de datum waarop de rechter beslist.
Het hof hanteert – evenals de rechtbank – als ingangsdatum de datum van indiensttreding bij [bedrijf 2] . Deze datum ligt ná de datum van indiening van het inleidend verzoek en de man had voordat hij het verzoek indiende, op 30 januari 2023, al een met stukken onderbouwde brief gestuurd aan de vrouw waarin hij aankondigde dat zijn inkomen lager zou worden. Vanaf de datum van deze brief heeft de vrouw er dus rekening mee kunnen houden dat de onderhoudsbijdragen gewijzigd zouden kunnen worden. Het hof acht het onder deze omstandigheden redelijk om de datum van indiensttreding bij [bedrijf 2] als ingangsdatum van de wijziging te hanteren, te weten 1 maart 2023.




Kinderalimentatie





Behoefte van [minderjarige]






5.5.
Tussen partijen is niet in geschil dat de behoefte van [minderjarige] in 2020 € 830,- per maand bedraagt. Rekening houdend met de jaarlijkse verhoging analoog aan de wettelijke indexering bedraagt de behoefte van [minderjarige] met ingang van 1 januari 2023 € 900,76 per maand, met ingang van 1 januari 2024 € 956,61 per maand en met ingang van 1 januari 2025 € 1.018,79 per maand.



Draagkracht van de vrouw (grief in incidenteel hoger beroep)





5.6.
De man voert aan dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de door het hof reeds in zijn beschikking van 22 juli 2021 aangenomen verdiencapaciteit ter hoogte van ten minste het minimumloon aan de zijde van de vrouw en ten onrechte geen draagkrachtvergelijking heeft gemaakt.


5.6.2.

De vrouw voert het volgende verweer.
Partijen hebben elkaar in Dubai leren kennen en de vrouw is voor de man naar Nederland gekomen. Partijen hebben er tijdens het huwelijk voor gekozen dat dat de vrouw zou stoppen met haar baan als stewardess om voor het huishouden en [minderjarige] te zorgen. Deze keuze heeft het voor de man mogelijk gemaakt zijn carrière op te bouwen. De vrouw heeft het door het hof in 2021 vastgestelde fictieve inkomen nooit gehad. De vrouw heeft door jaren niet te hebben gewerkt een achterstand op de arbeidsmarkt en spreekt onvoldoende Nederlands, hetgeen haar kansen op de arbeidsmarkt verder beperkt. Ze heeft maar een beperkte opleiding en haar oude functie van stewardess is moeilijk te combineren met de (gedeelde) zorg voor [minderjarige] . De vrouw heeft wel degelijk gezocht naar werk en gesolliciteerd, maar zonder succes. Haar draagkracht is beperkt tot € 25,- per maand.



5.6.3.

Het hof is van oordeel dat de man terecht heeft aangevoerd dat er een draagkrachtvergelijking gemaakt had moeten worden op basis van de door dit hof reeds met ingang van 22 juli 2021 vastgestelde verdiencapaciteit van de vrouw. Weliswaar is deze verdiencapaciteit destijds vanwege de grenzen van de rechtsstrijd niet meegenomen bij de berekening van de kinderalimentatie, maar omdat de man dit in de onderhavige wijzigingsprocedure wel aanvoert in het kader van de kinderalimentatie, dient er een draagkrachtvergelijking plaats te vinden op basis van de destijds vastgestelde verdiencapaciteit. Hetgeen de vrouw heeft aangevoerd in haar verweer in incidenteel hoger beroep maakt dat niet anders. Blijkens de door de vrouw overgelegde stukken is ze voor het eerst in 2023 gaan solliciteren en heeft ze in totaal 19 sollicitatiepogingen gedaan. Ze heeft hiermee niet laten zien dat ze zich voldoende heeft ingespannen de door het hof in 2021 vastgestelde verdiencapaciteit van € 21.436,- bruto per jaar te verwerven.
Nu de wijzigingsdatum in 2023 is gelegen zal het hof dit inkomen indexeren naar 2023, hetgeen neerkomt op een bedrag van € 22.586,- bruto per jaar.
Met dit inkomen heeft de vrouw een netto besteedbaar inkomen (NBI) van € 2.341,- per maand. Dit levert een draagkracht op volgens de formule van € 325,- (bijlage I).




Omvang van het geschil in hoger beroep






5.7.
De rechtbank heeft het verzoek van de man tot verlaging van de kinderalimentatie afgewezen, omdat hij ook met het lagere inkomen in staat is de vastgestelde bijdrage te blijven voldoen. De grieven van de vrouw in principaal hoger beroep richten zich om die reden slechts tegen de draagkracht van de man voor partneralimentatie. Echter, nu de incidentele grief van de man met betrekking tot de verdiencapaciteit slaagt en er in het kader van de kinderalimentatie een draagkrachtvergelijking moet worden gemaakt, worden de grieven van de vouw met betrekking tot de draagkracht van de man ook relevant in het kader van de kinderalimentatie. Het hof zal deze grieven dus ook in het kader van de kinderalimentatie bespreken.



Draagkracht van de man (grief 3 t/m 10 in principaal hoger beroep)




5.8.

De vrouw voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het inkomensverlies van de man niet voor herstel vatbaar en ook niet verwijtbaar is en daarom ten onrechte de draagkracht van de man heeft berekend op basis van zijn feitelijk inkomen in dienstverband bij [bedrijf 2] met ingang van 1 juli 2023. Zij voert het volgende aan.
De vrouw heeft in haar verweerschrift in eerste aanleg een groot aantal concrete vacatures genoemd die aansluiten bij de ervaring en opleiding van de man. In al deze vacatures liggen de salarissen hoger dan het huidige salaris van de man en zou de man een inkomen kunnen genieten van meer dan € 11.000,- bruto per maand, aldus meer dan hij bij [bedrijf 1] heeft verdiend en zeker meer dan hij thans bij [bedrijf 2] zou verdienen.
Het is niet geloofwaardig dat de inlener ( [bedrijf 2] ) eerst een aanzienlijk hoger salaris (plus de bijkomende kosten voor de uitlener) heeft willen betalen, maar bij indiensttreding niet ten minste een gelijkwaardig salaris zou betalen. [bedrijf 2] zou dan immers nog altijd goedkoper uit zijn dan in het geval van de inleenconstructie. De vrouw kan zich niet aan de indruk onttrekken dat de man het met [bedrijf 2] op een akkoord heeft gegooid, waardoor hij (op papier) een lager inkomen ontvangt en hij, als de alimentatieprocedure voorbij is, weer in inkomen zal stijgen.
Voor zover de specifieke expertise van de man thans minder gevraagd zou zijn en dus minder beloond zou worden, dan geldt dat de man zijn inkomen op peil had kunnen houden (zo niet verbeteren) door een minder specifieke functie te zoeken. Dan kan hij immers met vergelijkbare werkzaamheden substantieel meer verdienen. Er zijn voldoende andere
functies bij andere bedrijven die de man kan vervullen, waardoor hij ten minste het inkomen zou kunnen verdienen dat hij in ieder geval tot 1 maart 2023 verdiend heeft. De vrouw is van mening dat van de man gevergd kan worden dat hij zo nodig bij een ander bedrijf in een andere functie in dienst treedt, waarmee hij ten minste een vergelijkbaar inkomen kan verdienen als voorheen.
Nu - anders dan de rechtbank heeft geoordeeld - sprake is van een voor herstel vatbaar
inkomensverlies, dient de bestreden beschikking te worden vernietigd en dient het verzoek van de man alsnog te worden afgewezen.



Voor zover het hof van oordeel zou zijn dat het inkomensverlies van de man niet voor herstel vatbaar is, voert de vrouw het volgende aan. Op grond van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is bepalend of de onderhoudsplichtige (in casu de man) zich uit hoofde van zijn verhouding tot de onderhoudsgerechtigde (in casu de vrouw) en diens belangen, had behoren te onthouden van de gedragingen die tot de inkomstenvermindering hebben geleid. De vrouw is van mening dat de man niet zonder meer rechtstreeks in dienst had mogen treden bij [bedrijf 2] tegen een (substantieel) lager salaris. Er waren genoeg opties om zijn inkomen op peil te houden. De man heeft geenszins aannemelijk gemaakt dat hij – mede gelet op zijn opleiding, achtergrond en ervaring – niet op andere, beter betaalde functies (bij andere werkgevers) kan en kon solliciteren. De keuze van de man om rechtstreeks in dienst te treden bij [bedrijf 2] tegen een lager salaris is dus verwijtbaar en de inkomensdaling dient buiten beschouwing te blijven.



5.8.1.

De man voert het volgende verweer.
De man voert aan dat hij voldoende heeft aangetoond dat hij hoog gespecialiseerd werk verricht op het gebied van eFront/FrontInvest, waardoor de vacatures die de vrouw heeft aangedragen niet door hem kunnen worden ingevuld. Daarnaast heeft de rechtbank in haar oordeel terecht betrokken dat:

- de man niet in Nederland zal kunnen worden geplaatst/uitgeleend;
- dat het inkomen dat de man bij mogelijke werkgever [bedrijf 3] in [plaats 1] (het enige bedrijf in Nederland dat naast [bedrijf 2] gebruik maakt van eFrontsoftware) zou kunnen verdienen na aftrek van kosten niet substantieel hoger zal zijn dan het inkomen dat hij momenteel bij [bedrijf 2] verdient;
- een dergelijke overstap mede gelet op de afstand de co-ouderschapsregeling/zorg voor [minderjarige] onevenredig onder druk zal zetten;
- de man gemotiveerd heeft weersproken dat de door de vrouw overgelegde vacatures bij zijn werkervaring en expertise aansluiten, omdat hij voldoende heeft onderbouwd dat hij in een niche werkzaam is en zeer gespecialiseerd IT-werk op het gebied van eFront/FrontInvest verricht dat wereldwijd slechts in een beperkt aantal bedrijven wordt gedaan.

De door de vrouw overgelegde vacatures sluiten geen van allen aan bij de niche waarin de man werkzaam is. De vrouw stelt ten onrechte dat de man met zijn specifieke expertise juist meer moet kunnen verdienen. Immers, de vraag naar medewerkers die gespecialiseerd zijn op het gebied van eFront/FrontInvest neemt af door de overname van eFront in mei 2019 door het bedrijf [bedrijf 4] . Vanaf dat moment is [bedrijf 4] de specifieke vaardigheden op het vlak van eFront gaan tegenwerken, door de applicatie te veranderen in een Software als Service-platform in plaats van een aanpasbaar intern product, zoals voor de overname het geval was.
De man heeft zijn zoektocht naar een geschikte baan gedurende een periode van acht jaren uitgebreid en gedocumenteerd met stukken onderbouwd. Ettelijke vacatures, sollicitaties over de hele wereld (inclusief hybride- en telewerk) zijn door de man onderzocht, maar de conclusie is dat er geen beter betaalde baan bestaat en er ook geen alternatief is voor een fulltime baan met de specifieke vaardigheden van de man dan bij zijn huidige werkgever [bedrijf 2] .
Zorgvuldig kijkend naar de tweeëndertig door de vrouw aangedragen vacatures (twee vacatures blijken doublures te zijn en in één vacature is het maandloon door de vrouw als weekloon vermeld), blijken elf vacatures voormalige interne [bedrijf 1] -vacatures (oftewel Look 4-contract) te zijn, waar de ex-werkgever [bedrijf 1] de man al had proberen onder te brengen, hetgeen niet is gelukt omdat de man niet de juiste vaardigheden had. Twee andere vacatures zijn ongeschikt omdat de man niet in zakelijk Nederlands kan communiceren, naast het feit dat die vacatures een andere expertise verlangen dan de man in huis heeft. Voor nog eens twee andere vacatures blijkt een actieve speciale veiligheidsmachtiging van de Britse overheid vereist, die de man niet heeft noch kan verkrijgen. De overige zeventien vacatures blijken betrekking te hebben gespecialiseerde niche 'goeroe'-niveau posities met technologieën in de functieomschrijving die zo’n vijf tot tien jaar in beslag nemen om onder de knie te krijgen, welke kwalificaties de man gewoonweg niet heeft. Alle door de vrouw genoemde functies zijn overigens tijdelijke ZZP/Freelance constructies, waarbij er geen enkel vangnet voor de werknemer bestaat en waarbij de man per uur zou worden betaald met een contractduur van hoogstens zes tot twaalf maanden. De door de vrouw aangedragen vacatures betreffen alle tijdelijke functies met een variabel inkomen.
Er zijn voor de man geen mogelijkheden om een hoger inkomen te genereren dan hij nu heeft. Er is daarom geen sprake van voor herstel vatbaar inkomensverlies en evenmin is het inkomensverlies verwijtbaar.




5.8.2.

Het hof oordeelt als volgt.
Het hof stelt voorop dat het de beslissing van de opdrachtgever is geweest om de inleenovereenkomst van de man niet te verlengen. Dit maakt dat het inkomensverlies niet door de man zelf teweeg is gebracht.
Omdat volgens vaste jurisprudentie bij het bepalen van draagkracht niet alleen van belang is welk inkomen de onderhoudsgerechtigde heeft maar ook welk inkomen hij gelet op zijn zwaarwegende onderhoudsverplichting redelijkerwijs kan verwerven, dient het hof te beoordelen of er sprake is van verdiencapaciteit die de man onbenut laat. Met andere woorden: zou de man elders meer kunnen verdienen dan hij nu in dienstverband bij [bedrijf 2] verdient.
Tussen partijen is niet in geschil dat de man zeer specialistische kennis en werkervaring heeft op het gebied van eFront/Frontlnvest. De door de man geschetste marktomstandig-heden in deze branche zijn door de vrouw niet betwist. In het licht van deze marktomstandig-heden en de zeer gespecialiseerde kennis en werkervaring van de man, was het in dienst treden bij [bedrijf 2] een logische stap die de man kon en mocht nemen toen [bedrijf 2] de inleenovereenkomst niet wilde verlengen. De door de vrouw aangedragen vacatures zijn alle door de man gemotiveerd betwist, in die zin dat hiervoor specialistische kennis en vaardigheden worden gevraagd die de man niet heeft. Bovendien betreft het allemaal tijdelijke freelance functies die geen inkomenszekerheid bieden. De man heeft diverse malen gesolliciteerd, maar is keer op keer afgewezen.
Tenslotte neemt het hof in overweging dat de man in [woonplaats] woont en werkzaam is in [plaats 2] . Gelet op de zorgregeling waarbij [minderjarige] de helft van de tijd bij de man verblijft, is het in het belang van [minderjarige] dat de man niet te ver van zijn woonplaats werkt, ook niet als hybride werken mogelijk zou zijn.
Dat sprake is van (inkomsten uit) vermogen die / dat in het kader van de draagkracht moet(en) worden betrokken heeft de vrouw tegenover de gemotiveerde betwisting van de man onvoldoende onderbouwd.
Op basis van het voorgaande is het hof van oordeel dat geen sprake is van extra verdien-capaciteit aan de zijde van de man. De rechtbank heeft de draagkracht van de man dus terecht berekend op basis van het feitelijke inkomen van de man.
De grieven van de vrouw falen daarmee.




5.8.3.

De man voert in incidenteel hoger beroep aan dat de rechtbank ten onrechte rekening heeft gehouden met de inkomensafhankelijke combinatiekorting van € 2.694,- per jaar.
Het hof is van oordeel dat de man in aanmerking komt voor de inkomensafhankelijke combinatiekorting, omdat partijen een co-ouderschap hebben. Deze grief faalt eveneens.




Woonlasten (grief 10 in principaal hoger beroep)






5.9.

De vrouw voert aan dat afgeweken moet worden van het woonbudget en gerekend dient te worden met de werkelijke (gedeelde) woonlasten van de man omdat hij samenwoont.
De man betwist dat afgeweken moet worden van het woonbudget. Hij heeft in eerste aanleg al aangetoond dat hij niet samenwoont.



5.9.1.

Niet gesteld of gebleken is dat de woonlasten van de man duurzaam aanmerkelijk lager zijn dan het woonbudget. De vrouw heeft slechts gesteld dat de man samenwoont, maar heeft dit tegenover de gemotiveerde betwisting door de man niet onderbouwd. Het overleggen van een detectiverapport waaruit blijkt dat de partner van de man een bepaalde periode bij de man verblijft is onvoldoende om aan te tonen dat de man met haar samenwoont en hij zijn woonlasten deelt.
De rechtbank is dus terecht uitgegaan van de forfaitaire woonlast.




Draagkrachtvergelijking






5.10.

Nu alle grieven van de vrouw met betrekking tot de draagkracht van de man falen, gaat het hof uit van de door de rechtbank vastgestelde draagkracht van de man voor kinderalimentatie, te weten € 1.726,- in 2023.
Omdat de incidentele grief van de man met betrekking tot de verdiencapaciteit van de vrouw slaagt, dient er een draagkrachtvergelijking te worden gemaakt.
Na vergelijking van de draagkracht van partijen (volgens de formule: draagkracht / totale draagkracht x behoefte) bedraagt het aandeel van de man in de kosten van [minderjarige] :
€ 1.726,- / € 2.051,- x € 900,76 = € 758,- per maand.




Zorgkorting





5.11.
Tussen partijen is niet in geschil dat een zorgkorting van 35% toegepast moet worden. Dit correspondeert met een bedrag van (35% van € 900,76 =) afgerond € 315,-. De door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] bedraagt (€ 758,- -/- 315,- =) € 443,- per maand.



5.12.
Ingevolge de wettelijke indexering bedraagt deze bijdrage met ingang van 1 januari 2024 € 470,47 per maand en met ingang van 1 januari 2025 € 501,05 per maand.



Partneralimentatie





5.13.
De grieven van de vrouw ter zake van de partneralimentatie zien alle op de draagkracht van de man. Deze grieven zijn reeds behandeld in het kader van de kinderalimentatie (rov. 5.8.2. t/m 5.9.1.) en falen allen. Het hof zal de door de rechtbank vastgestelde partneralimentatie dan ook bekrachtigen.



Terugbetaling





5.14.

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dient de rechter die beslist op een verzoek tot wijziging van een eerder vastgestelde bijdrage in het algemeen behoedzaam gebruik te maken van zijn bevoegdheid de wijziging te laten ingaan op een vóór zijn uitspraak gelegen datum, met name indien dit ingrijpende gevolgen kan hebben voor de onderhoudsgerechtigde in verband met een daardoor in het leven geroepen verplichting tot terugbetaling van hetgeen in de daaraan voorafgaande periode in feite is betaald of verhaald.
De rechter zal steeds aan de hand van hetgeen ten processe is gebleken moeten beoordelen in hoeverre een daaruit voortvloeiende terugbetalingsverplichting in redelijkheid kan worden aanvaard.
De vrouw voert aan dat zelfs indien ervan uitgegaan wordt dat zij het minimum loon zou kunnen verdienen, zij nog altijd een aanzienlijke aanvullende behoefte heeft waarin niet wordt voorzien. De vrouw heeft en had de ontvangen alimentatie nodig om in haar behoefte te voorzien. Zij heeft de ontvangen alimentatie volledig opgesoupeerd.
Het feit dat de vrouw vanaf de ontvangst van de brief van 30 januari 2023 rekening had kunnen houden met een wijziging van de alimentatie betekent niet dat van haar verwacht mag worden dat zij vanaf dat moment de ontvangen alimentatie grotendeels zou hebben gereserveerd in afwachting van de uitkomst van de procedure.
De rechtbank bestraft de vrouw voor het feit dat zij executiemaatregelen heeft getroffen, nadat de man eigenmachtig de alimentatie had verlaagd en houdt er ten onrechte geen rekening mee dat de voorzieningenrechter van diezelfde rechtbank tot twee maal toe voorlopige voorzieningen over de opschorting van de executie heeft afgewezen en daarbij heeft geoordeeld dat de vrouw gerechtigd was (zo nodig door middel van het treffen van
executiemaatregelen) om de nakoming van de beschikking van dit hof af te dwingen.



5.14.1.

Het hof is van oordeel dat terugbetaling van teveel ontvangen partneralimentatie in dit geval van de vrouw kan worden gevergd. De vrouw heeft er voor gekozen om de partneralimentatie te executeren terwijl de man al op 30 januari 2023 met stukken onderbouwd had aangekondigd dat hij minder zou gaan verdienen. Het risico van een wijziging van de onderhoudsbijdragen en een daarbij horende terugbetalingsverplichting was groot en de vrouw is desalniettemin gaan incasseren. De vrouw had vermogen vanuit de verdeling en ze had de inkomensschade kunnen beperken door zich vanaf de uitspraak van dit hof van 22 juli 2021 in te spannen om zelf inkomsten te gaan verwerven. Ze heeft niet laten zien dat ze zich hiervoor voldoende heeft ingespannen. Voor zover de vrouw heeft aangevoerd dat de procedure in eerste aanleg lang heeft geduurd, wijst het hof er op dat deze procedure langer heeft geduurd omdat de vrouw heeft afgezien van de mogelijkheid om digitaal te procederen.
Het hof is van oordeel dat al deze omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, maken dat van de vrouw gevergd kan worden dat ze de teveel ontvangen partneralimentatie aan de man terugbetaalt. De man mag het teveel betaalde bedrag verrekenen met de toekomstige door hem verschuldigde partneralimentatie. Voor zover de man vermeerdering met de wettelijke rente heeft verzocht wijst het hof dit verzoek af, nu gesteld noch gebleken is dat aan de zijde van de vrouw sprake is van verzuim.
De man heeft in hoger beroep ook terugbetaling van door hem teveel betaalde kinderalimentatie verzocht. Dit verzoek zal het hof afwijzen. Feitelijk heeft de vrouw het inkomen op basis waarvan het hof de bijdrage voor [minderjarige] heeft berekend niet gehad en het hof gaat ervan uit dat de ontvangen kinderalimentatie is besteed om in de kosten van [minderjarige] te voorzien. Van de vrouw kan niet verlangd worden dat zij ook deze bedragen terugbetaalt.







6De slotsom


in het principaal en het incidenteel hoger beroep



6.1.
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen gedeeltelijk vernietigen en beslissen als hierna onder 7. staat.



6.2.
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren nu partijen gewezen echtgenoten zijn.



6.3.
Het hof heeft een berekening van de draagkracht van de vrouw gemaakt. Een gewaarmerkt exemplaar van deze berekening is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.





7De beslissing


Het hof:



vernietigt de beschikking van de rechtbank Limburg (Maastricht) van 4 juni 2024, voor zover daarbij het verzoek tot wijziging van de kinderalimentatie is afgewezen, en in zoverre opnieuw beschikkende:



wijzigt de beschikking van de rechtbank Limburg (Maastricht) van 17 juli 2020 en bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2017, zal voldoen:

- met ingang van 1 maart 2023 tot 1 januari 2024 € 443,- per maand;
- met ingang van 1 januari 2024 tot 1 januari 2025 € 470,47 per maand;
- met ingang van 1 januari 2025 € 501,05 per maand, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;


bepaalt dat de vrouw de teveel ontvangen kinderalimentatie niet hoeft terug te betalen;



bepaalt dat de man het door hem vanaf de ingangsdatum (1 maart 2023) teveel betaalde bedrag aan bijdragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw mag verrekenen met de toekomstige door hem te betalen termijnen ter zake van zijn bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw;



verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;



bekrachtigt de beschikking van de rechtbank voor het overige;



wijst het meer of anders verzochte af;



compenseert de kosten van het geding in hoger beroep instanties in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt;



wijst af het meer of anders verzochte.



Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M. Bossink, G.M. Goes en K.A. Boshouwers, en is op 2 oktober 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.