Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:27130
2026-08-18
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/09/695179 / FA RK 25-8920
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Voorlopige partneralimentatie over een periode in het verleden tot datum afwijzing echtscheiding vanwege geslaagd pensioen verweer, IPR.
Citeert (2)
- ECLI:NL:HR:2017:871 Hoge Raad 12-05-2017
- ECLI:NL:HR:2025:1165 Hoge Raad 18-07-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (27.357 tekens)
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 25-8920
Zaaknummers: C/09/695179
Datum beschikking: 18 augustus 2026
Voorlopige voorzieningen ex artikel 822 Rv
Beschikking op het op 26 november 2025 ingekomen verzoekschrift van:
[de vrouw] ,
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. C.M. Sett in Rotterdam (voorheen: mr. K.A. Boshouwers in Utrecht).
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de man] ,
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. Ch.M. van Beuningen in Den Haag.
Procedure
De vrouw heeft op 26 november 2025 het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening in deze zaak ingediend. De eerste mondelinge behandeling was 26 januari 2026. Op die zitting is door de rechtbank om proceseconomische redenen beslist dit verzoek samen met de zaken met nummers C/09/698932 en C/09/698347 op 8 april 2026 verder te behandelen. In laatstgenoemde twee zaken heeft de rechtbank een afzonderlijke beschikking gegeven.
De rechtbank heeft na 26 januari 2026 kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook van:
het F3-formulier van de man van 20 februari 2026 met verweerschrift en bijlagen;
het F9-formulier van de vrouw van 29 maart 2026 met bijlagen;
het F9-formulier van de man van 30 maart 2026 met bijlagen;
het F9-formulier van de vrouw van 30 maart 2026 met bijlagen;
het F9-formulier van de vrouw van 31 maart 2026 met bijlage;
Op 8 april 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank verder behandeld. Hierbij zijn verschenen:
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en tolk;
de man, bijgestaan door zijn advocaat en tolk.
Zowel van de zijde van de man als van de vrouw is een pleitnotitie overgelegd en voorgedragen.
Na de zitting zijn de volgende stukken ontvangen:
het F9-formulier van de man van 24 april 2026 met bijlage;
het F2-formulier van de voormalige advocaat van de vrouw van 13 mei 2026 met bijlage;
het F9D-formulier van de vrouw van 25 juni 2026 met bijlagen;
het F9-formulier van de man van 2 juli 2026 met bijlage;
het F9D-formulier van de vrouw van 3 juli 2026 met bijlage;
het F9D-formulier van de man van 6 juli 2026 met bijlage;
het F9D-formulier van de vrouw van 8 juli 2026 met bijlage;
het F9D-formulier van de man van 24 juli 2026 met bijlage;
het F9D-formulier van de vrouw van 10 augustus 2026 met bijlage.
Feiten
De man en de vrouw zijn gehuwd op [datum] 2001 in [plaats 1] , Frankrijk.
Partijen hebben beiden de Franse nationaliteit.
Partijen zijn gehuwd onder huwelijkse voorwaarden.
Partijen wonen vanaf april 2022 gescheiden.
Bij beschikking van 7 januari 2026 van deze rechtbank is het verzoek tot echtscheiding afgewezen omdat het pensioenverweer van de vrouw is geslaagd.
Tegen de beschikking van 7 januari 2026 is geen hoger beroep ingesteld.
Bij brief van 3 april 2026 is de man op de hoogte gesteld van de echtscheiding die de vrouw bij de Franse rechter heeft verzocht.
Verzoek en verweer
De vrouw heeft op 25 november 2025, bij wijze van voorlopige voorziening voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens verzocht te bepalen dat:
gedurende de periode dat de man met € 1.600,- per maand bijdraagt in de kosten van het levensonderhoud en studie van [de jong-meerderjarige 1] , met een bedrag van € 8.627,- per maand dient bij te dragen in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw, welke bijdrage met ingang van 1 januari 2026 jaarlijks is geïndexeerd;
vanaf het moment dat de man niet meer met € 1.600,- per maand bijdraagt in de kosten van levensonderhoud en studie van [de jong-meerderjarige 1] , met een bedrag van € 10.227,- per maand dient bij te dragen in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw, welke bijdrage met ingang van 1 januari 2026 jaarlijks is geïndexeerd.
De man voert verweer welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
Aanvullende stukken
De man heeft bezwaar gemaakt tegen de door de vrouw ingediende akte en stukken van 31 maart 2026 omdat de stukken minder dan tien dagen voor de zitting zijn ingediend en daarmee de termijn voor indiening is overschreden. Daarnaast betreft het een dermate omvangrijk pakket aan stukken dat het volgens de man in strijd is met de goede procesorde om deze stukken te betrekken in de beoordeling.
De rechtbank zal de stukken wel betrekken in haar beoordeling. Tijdens de mondelinge behandeling van 8 april 2026 is namelijk gebleken dat de man voldoende in staat was om adequaat op de stukken te reageren en zijn ook een deel van de stukken uitgebreid besproken geweest. De man is daarnaast in de gelegenheid gesteld om op de overige overgelegde stukken te reageren. Dat heeft de man op 24 juli 2026 gedaan.
De vrouw heeft vervolgens op 10 augustus 2026 gereageerd in een nieuwe akte van uitlating. Aan de vrouw was alleen geen gelegenheid gegeven door de rechtbank om de akte in te dienen. De rechtbank zal daarom voorbij gaan aan deze akte.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Op grond van artikel 4, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is met de bevoegdheid van de Nederlandse echtscheidingsrechter steeds tevens de bevoegdheid tot het treffen van voorlopige en bewarende maatregelen gegeven, voor zover die verband houden met de echtscheiding. Nu uit de Basisregistratie Personen blijkt dat zowel de man als de vrouw hun gewone verblijfplaats hebben in Nederland, komt de Nederlandse rechter ingevolge artikel 3 van de EG-Verordening nr. 2201/2003 van 27 november 2003 (Brussel II bis) rechtsmacht toe met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding en zodoende ook ten aanzien van het verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen. De rechtbank past in deze voorlopige voorzieningenprocedure Nederlands recht toe.
Ontvankelijkheid
De man stelt dat de vrouw niet-ontvankelijk is in haar verzoek. De vrouw heeft het verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen gedaan in het kader van de door de man ingediende echtscheidingsprocedure, waarin op 7 januari 2026 een afwijzende eindbeschikking is gegeven. In Nederland is geen nieuwe echtscheidingsprocedure aanhangig gemaakt waardoor de vrouw volgens de man niet-ontvankelijk is in haar verzoek.
De vrouw stelt dat zij wel kan worden ontvangen in haar verzoek omdat bij het aanhangig maken van deze voorlopige voorzieningenprocedure de bodemprocedure, waarin op 7 januari 2026 beschikking is gegeven, nog geen beslissing was gegeven. Tot aan de datum dat de eindbeslissing in de bodemprocedure in kracht van gewijsde is gegaan, kan volgens de vrouw een partneralimentatie in deze procedure worden vastgesteld.
De rechtbank stelt voorop dat op grond van artikel 821 lid 1 Rv een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening kan worden gedaan tot het tijdstip waarop zo’n voorziening haar kracht verliest. Op grond van artikel 826 lid 2 Rv verliest een voorlopige voorziening haar kracht zodra een beschikking, waarbij een verzoek tot echtscheiding of tot scheiding van tafel en bed wordt afgewezen, in kracht van gewijsde gaat. De vrouw heeft dit verzoek gedaan op 26 november 2025 in samenhang met voornoemde bodemprocedure. De vrouw heeft dus tijdig het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend. Een voorlopige voorziening heeft werking tot de echtscheidingsbeschikking in kracht van gewijsde is gegaan. In dit geval is dat op 7 april 2026. Dat de rechtbank dit verzoek niet eerder heeft behandeld, maakt dat niet anders. De rechtbank zal de vrouw dan ook ontvangen in haar verzoek voor zover dit betrekking heeft op de periode 26 november 2025 tot 7 april 2026.
Inhoudelijke beoordeling
Ingangsdatum
Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen.
De vrouw stelt zich op het standpunt dat de ingangsdatum de datum van de indiening van het verzoek, 26 november 2025, moet zijn, nu de man vanaf dat moment rekening heeft kunnen houden met het feit dat hij een onderhoudsbijdrage aan de vrouw dient te voldoen. De man stelt zich op het standpunt dat er niet met terugwerkende kracht een alimentatieverplichting kan worden vastgesteld in een voorlopige voorzieningenprocedure waarbij in de bodemprocedure al een eindbeschikking is gegeven.
De rechtbank overweegt dat volgens vaste jurisprudentie de rechtbank terughoudend moet omgaan met het vaststellen van een alimentatieverplichting met terugwerkende kracht (bijvoorbeeld: Hoge Raad 12 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:871). De rechtbank is van oordeel dat in deze situatie sprake is van zodanige omstandigheden die vaststelling van de voorlopige partneralimentatie met terugwerkende kracht tot indiening van het verzoekschrift rechtvaardigen. De rechtbank overweegt daartoe dat de man – ondanks dat hij kon weten dat de vrouw behoefte had aan een bijdrage – geen onderhoudsbijdrage aan de vrouw betaalde, terwijl hij vanaf 26 november 2025 wel rekening heeft kunnen houden met het feit dat de vrouw er aanspraak op maakte. De rechtbank zal 26 november 2025 daarom als ingangsdatum te hanteren.
Aanhechten berekeningen
De rechtbank zal de alimentatieberekeningen aan deze beschikking hechten. De berekeningen maken onderdeel van deze beschikking uit.
Behoefte
Tussen partijen is de behoefte van de vrouw in geschil.
De rechtbank overweegt als volgt. Anders dan door de man is betoogd, zal de rechtbank uitgaan van de Hofnorm. Naast het feit dat de man geen behoeftelijst van de vrouw heeft overgelegd, is de rechtbank van oordeel dat de Hofnorm als ‘vuistregel’ kan worden gebruikt, tenzij er sprake is van bijzondere feiten en/of omstandigheden waardoor die vuistregel niet geacht kan worden een representatief beeld te geven van de behoefte. De man heeft onvoldoende feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat de volgens die maatstaf vastgestelde behoefte niet juist zou zijn. Uit de stukken en hetgeen besproken is tijdens de mondelinge behandelingen zijn de rechtbank ook geen omstandigheden gebleken waaruit zou volgen dat een andere wijze van behoefteberekening gehanteerd moet worden.
Ten aanzien van de inkomensgegevens van partijen zal de rechtbank uitgaan van het jaar 2021 en de tarieven 2021-II, aangezien dit het volledige kalenderjaar betreft waarbij partijen voor het laatst in gezinsverband samenleefden.
Het Nederlandse inkomen van de man in 2021 van € 14.418,- netto per maand is tussen partijen niet in geschil.
De vrouw stelt dat de man naast zijn Nederlandse inkomen toen ook inkomsten had in Tunesië. De vrouw heeft een Tunesische advocaat ingeschakeld die onderzoek heeft verricht naar de vermogenspositie van de man in Tunesië. Volgens dit onderzoek zou de man naar schatting € 31.927,- netto per jaar genereren uit zijn ondernemingen in [plaats 2] en [plaats 3] ; € 46.332,- netto per jaar aan inkomsten uit zijn hotel in Boufichia en € 31.455,- aan inkomsten uit het perceel landbouwgrond in Boufichia dat de man medio 2021 in eigendom heeft verkregen.
De man betwist dat hij dergelijke inkomsten heeft in Tunesië en stelt dat hij enkel een gering bedrag verdient aan het landbouwperceel, dat blijkt ook uit zijn Tunesische belastingaangifte.
De rechtbank stelt voorop dat een vaststelling van de partneralimentatie in een voorlopige voorzieningenprocedure het karakter heeft van een ordemaatregel. Daarbij is het uitgangspunt dat wordt uitgegaan van de actuele situatie van partijen, voor zover de rechtbank daar voldoende inzicht in heeft. De vraag of, en zo ja hoeveel inkomen de man in Tunesië genereert, vergt naar het oordeel van de rechtbank nader onderzoek waarvoor in deze voorlopige voorzieningenprocedure geen ruimte is. De rechtbank gaat daarom voorbij aan de stelling van de vrouw op dit punt en zal uitsluitend rekening houden met het Nederlandse inkomen van de man.
Aan de hand van deze uitgangspunten bedraagt het netto besteedbaar inkomen (hierna: NBI) van de man in 2021 een bedrag van € 14.418 ,- per maand.
Ten aanzien van de inkomsten van de vrouw zal de rechtbank als uitgangspunt de door de vrouw overgelegde belastingaangiften uit Nederland en Frankrijk over 2021 nemen. Hieruit blijkt een winst uit onderneming van € 11.928,- bruto per jaar in Nederland in 2021 en een winst uit onderneming, minus belasting van € 34.177,- netto per jaar in Frankrijk in 2021.
Aan de hand van deze uitgangspunten bedroeg het NBI van de vrouw in 2021 een bedrag van € 3.820 ,- per maand.
Het netto besteedbaar gezinsinkomen (hierna: NBGI) voor scheiding bedroeg gezien het bovenstaande € 18.238,- per maand.
Partijen verschillen van mening over de vraag of en voor welk bedrag er rekening moet worden gehouden met de kosten van de kinderen, die in 2021 nog minderjarig waren.
Voor zover de rechtbank begrijpt, betoogt de man dat de voor kinderen in 2021 extra kosten zijn betaald. Die kosten zouden tot een hoge behoefte hebben geleid. De rechtbank overweegt dat in de tabelbedragen van ‘de Expertgroep Alimentatie’ alle normale kosten van de kinderen zijn inbegrepen. Bepaalde extra kosten kunnen zo uitzonderlijk dat deze niet begrepen kunnen zijn in de standaardbedragen voor de kosten van kinderen en dat deze niet (volledig) gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten. In dat geval kan dat leiden tot in totaal hogere kosten van kinderen dan het tabelbedrag. De man heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende omstandigheden gesteld waaruit zou moeten blijken dat de kosten van de kinderen hoger waren dan het standaard tabelbedrag. De rechtbank zal de kosten van de kinderen daarom berekenen aan de hand van de behoeftetabel (2021) en nul kinderbijslagpunten. Dit leidt bij een netto besteedbaar gezinsinkomen van € 6.000,- of hoger tot een gemaximeerde totale behoefte van € 1.340,- per maand.
Voor het levensonderhoud van partijen was aldus een bedrag van € 16.898,- per maand(18.238 – 1.340) beschikbaar. Bij de Hofnorm wordt de behoefte van de vrouw berekend op 60% van het NBGI, daarom bedraagt de behoefte van de vrouw € 10.139,- netto per maand in 2021. Geïndexeerd naar 2025 bedraagt de behoefte van de vrouw € 12.083,- netto per maand.
Aanvullende behoefte
De rechtbank stelt voorop dat het hier gaat om een voorlopige partneralimentatie in het kader van voorlopige voorzieningen. In dat kader sluit de rechtbank zoveel mogelijk aan bij de feitelijke situatie van partijen. Daarbij is naar het oordeel van de rechtbank geen plaats voor de beoordeling van een verdiencapaciteit van de vrouw, zoals door de man is betoogd.
Op de hiervoor berekende netto behoefte van de vrouw van € 12.083,- per maand in 2025 moet haar NBI in mindering worden gebracht. Voor de berekening van het NBI van de vrouw zal de rechtbank al uitgangspunt het gemiddelde van het resultaat over de laatste drie jaren nemen. De rechtbank gaat ervan uit dat dit gemiddelde een goede indicatie geeft van haar draagkracht.
JaarOnderneming NederlandOnderneming Frankrijk
2023 12.892 11.103
2024 17.610 8.294
2025 22.027 3.041
-------- --------
Totaal 52.529 -232
Gemiddeld 17.510 -77
Gelet op de resultaten van de afgelopen drie jaar verwacht de rechtbank dat de vrouw geen inkomsten uit de Franse onderneming kan genereren. De rechtbank neemt daarom alleen het bedrag van € 17.510,- in aanmerking voor de berekening van de draagkracht van de vrouw.
Verder houdt de rechtbank rekening met de volgende fiscale heffingskortingen voor het Nederlandse inkomen:
de zelfstandigenaftrek;
de algemene heffingskorting;
de arbeidskorting.
Uitgaande van bovenstaande gegevens, berekent de rechtbank het NBI van de vrouw in 2025 op € 1.402,- per maand.
Dit leidt tot een aanvullende behoefte van (12.083 – 1.402 =) € 10.681,- netto per maand in 2025.
Draagkracht man
De man is werkzaam bij de EPO (European Patent Office) en is daarom in Nederland niet belastingplichtig voor wat betreft de inkomstenbelasting. De rechtbank zal voor de berekening van zijn draagkracht een netto berekening maken.
De vrouw stelt voor de draagkracht van de man dat rekening moet worden gehouden met inkomsten in Tunesië en Monaco. Zoals hiervoor overwogen stelt de rechtbank voorop dat een vaststelling van de partneralimentatie in een voorlopige voorzieningenprocedure het karakter heeft van een ordemaatregel. Omdat naar het oordeel van de rechtbank nader onderzoek moet worden verricht naar de vraag of, en zo ja hoeveel inkomen de man in Tunesië dan wel in Monaco genereert, zal de rechtbank ook voor de berekening van de draagkracht van de man enkel uitgaan van zijn inkomen in Nederland.
De rechtbank zal, anders dan de vrouw stelt, voor de berekening van de draagkracht van de man uitgaan van zijn salarisstrook van december 2025. De rechtbank is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de man de door de vrouw aangevoerde salarisverhoging, niet zijnde indexatie, in 2026 heeft ontvangen.
De rechtbank neemt gelet op het voorgaande als uitgangspunt voor de berekening van de draagkracht van de man de berekening van de vrouw over. De rechtbank gaat dan uit van een netto salaris: € 14.460,- netto per maand, waarbij onderstaande allowances als inkomsten worden gerekend en de overige e posten in mindering strekken op het inkomen:
household allowance: € 868,- netto per maand;
expatriation allowance: € 2.892,- netto per maand;
healthcare insurance: € 455,- netto per maand.
pension contribution: € 1.547,- netto per maand in mindering;
death insurance: € 14,- netto per maand in mindering;
long-term care insurance: € 87,- netto per maand in mindering.
De rechtbank berekent het NBI van de man op € 16.117 per maand in 2025.
De man stelt dat er een aantal andere noodzakelijke lasten ook op zijn NBI in mindering moeten worden gebracht, te weten:
reiskosten van € 250,- per maand;
niet-vergoede zorgkosten van € 2.803,- per jaar;
bijdrage aan ouders van € 1.100,- per maand;
kosten voor de meerderjarige kinderen van € 3.930,- per maand;
aflossing van de lening bij DEFAM voor het onderhoud van de woning:
€ 1.481,- per maand.
De vrouw voert verweer tegen de bovengenoemde lasten.
Reis- en zorgkosten
De rechtbank overweegt dat de man de reiskosten en de niet vergoede zorgkosten onvoldoende heeft onderbouwd waardoor de rechtbank hier geen rekening mee zal houden.
Bovendien heeft de man niet gesteld – en dat is ook niet gebleken – dat de man deze kosten niet kan voldoen uit zijn draagkrachtloos inkomen.
Onderhoudsbijdrage ouders
De rechtbank zal geen rekening houden met de onderhoudsbijdrage van de man aan zijn ouders. De man heeft niet aangetoond dat zijn ouders behoeftig zijn en redelijkerwijs niet in staat om in hun eigen levensonderhoud te voorzien.
Kosten voor de jong meerderjarige kinderen
De man stelt dat hij in totaal € 4.367 per maand voor de jong meerderjarige kinderen betaalt. Hierop brengt hij de bijdrage in mindering die hij ontvangt van zijn werkgever van € 436,94 per maand. De vrouw stelt dat de kosten van de jong meerderjarige kinderen niet op werkelijke kosten zijn gebaseerd. Het ligt dan ook volgens de vrouw voor de hand om rekening te houden met € 800,- voor [de jong-meerderjarige 2] en € 1.700,- per maand voor [de jong-meerderjarige 1] . De allowances, die de man ontvangt voor de kinderen, dienen volgens haar hierop in mindering te worden gebracht.
De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 1:395a BW ouders verplicht zijn te voorzien in de kosten van levensonderhoud en studie van hun jongmeerderjarige kinderen die de leeftijd van 21 jaren nog niet hebben bereikt. Indien een jongmeerderjarige studeert wordt voor de behoeftebepaling in het algemeen aansluiting gezocht bij de WSF-norm. [de jong-meerderjarige 2] heeft de leeftijd van 21 jaar nog niet bereikt maar volgt momenteel geen opleiding. Voor niet-studerende jongmeerderjarigen kan voor de berekening van de behoefte aansluiting worden gezocht bij het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud uit de WSF-norm, onder aftrek van de daarin begrepen studiekosten (boeken en leermiddelen). Indien jongmeerderjarigen structurele eigen inkomsten ontvangen kan dit als behoefte verlagend worden aangemerkt. De WSF-norm voor thuiswonende MBO-studenten bedroeg vanaf september 2025 een bedrag van € 636,- per maand minus lesgelden. Omdat de vrouw een hogere bijdrage stelt voor [de jong-meerderjarige 2] , te weten € 800,- per maand, zal de rechtbank met dat bedrag rekening houden.
Hoewel [de jong-meerderjarige 1] de leeftijd van 21 jaar al heeft bereikt, zijn partijen het eens dat er rekening moet worden gehouden met de bijdrage van de man aan [de jong-meerderjarige 1] . Uit de door de man als productie 20 overgelegde bankafschrift blijkt dat het om een bijdrage van € 1.700,- per maand gaat. De rechtbank zal dan ook van dit bedrag uitgaan.
De rechtbank heeft verder bij het inkomen van de man geen rekening gehouden met de dependants allowance van € 436,- netto per maand en een education allowance van € 612,- netto per maand. De rechtbank zal deze allowances, die zien op een tegemoetkoming voor de (meerderjarige) kinderen, in mindering brengen op de bijdrage aan de meerderjarige kinderen van de man. De rechtbank zal dan rekening houden met € 1.452,- [(800 + 1.700) – (436 + 612)]. Dat bedrag zal de rechtbank als extra last in aanmerking nemen.
Lening DEFAM
De man stelt dat hij vanwege een onvoorziene reparatie aan de woning genoodzaakt is geweest om een lening van € 75.000,- af te sluiten. De man lost hier momenteel € 1.450,- per maand voor af. Volgens de man dient bij de berekening van zijn draagkracht rekening te worden gehouden met deze aflossing. Volgens de vrouw is het niet duidelijk waarom de man deze lening heeft afgesloten en kan daarom niet gesteld worden dat er sprake is van een niet verwijtbare en niet vermijdbare last.
De rechtbank zal wegens gebrek aan voldoende onderbouwing dat de lening niet verwijtbaar en/of vermijdbaar is, geen rekening houden met de aflossing daarvan in het kader van deze voorlopige voorzieningenprocedure.
Wooonbudget
De vrouw stelt dat de man niet volledig in de behoefte van de vrouw kan voldoen en zijn werkelijke woonlast aanmerkelijk lager zijn dan het woonbudget. De vrouw acht het daarom redelijk om rekening te houden met een woonlast van € 1.750,- per maand.
De rechtbank overweegt dat het forfaitair woonbudget als uitgangspunt geldt. Voor een geslaagd beroep om daarvan af te wijken is nodig dat er een compleet beeld is van de werkelijke lasten. De rechtbank beschikt niet over een compleet beeld van de woonlasten en ziet verder ook geen aanleiding om af te wijken van het forfaitaire woonbudget van 30 % van het NBI.
Conclusie draagkracht
Gelet op het voorgaande volgt een draagkracht van de man van € 5.112,- per maand (60% x [16.117 – (0,3 x 16.117) + 1.310 – 1.452]. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht. Omdat de draagkracht van de man lager is dan de aanvullende behoefte van de vrouw, wordt de partneralimentatie van de vrouw begrensd tot de hoogte van de draagkracht van de man.
Indexatie
Gelet op de uitspraak van de Hoge Raad van 18 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1165, zal de rechtbank de voorlopige partneralimentatie, zoals is verzocht door de vrouw, verhogen met de jaarlijkse indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW. Met ingang van 1 januari 2026 bedraagt de partneralimentatie dan een bedrag van € 5.347,-
Conclusie partneralimentatie
Uitgaande van het bovenstaande zal de rechtbank de door de man aan de vrouw te betalen voorlopige partneralimentatie vanaf 26 november 2026 vaststellen op € 5.112,- netto per maand en vanaf 1 januari 2026 tot 7 april 2026 op € 5.347,- netto per maand.
Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.
Beslissing
De rechtbank:
*
bepaalt dat de man aan de vrouw een voorlopige partneralimentatie is verschuldigd, vanaf 26 november 2025 een nettobedrag van € 5.112,- per maand en vanaf 1 januari 2026 tot 7 april 2026 een nettobedrag van € 5.347,- per maand;
*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.S. Perniciaro, rechter, in tegenwoordigheid van mr. T.D. Somer als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 18 augustus 2026.
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 25-8920
Zaaknummers: C/09/695179
Datum beschikking: 18 augustus 2026
Voorlopige voorzieningen ex artikel 822 Rv
Beschikking op het op 26 november 2025 ingekomen verzoekschrift van:
[de vrouw] ,
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. C.M. Sett in Rotterdam (voorheen: mr. K.A. Boshouwers in Utrecht).
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de man] ,
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. Ch.M. van Beuningen in Den Haag.
Procedure
De vrouw heeft op 26 november 2025 het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening in deze zaak ingediend. De eerste mondelinge behandeling was 26 januari 2026. Op die zitting is door de rechtbank om proceseconomische redenen beslist dit verzoek samen met de zaken met nummers C/09/698932 en C/09/698347 op 8 april 2026 verder te behandelen. In laatstgenoemde twee zaken heeft de rechtbank een afzonderlijke beschikking gegeven.
De rechtbank heeft na 26 januari 2026 kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook van:
het F3-formulier van de man van 20 februari 2026 met verweerschrift en bijlagen;
het F9-formulier van de vrouw van 29 maart 2026 met bijlagen;
het F9-formulier van de man van 30 maart 2026 met bijlagen;
het F9-formulier van de vrouw van 30 maart 2026 met bijlagen;
het F9-formulier van de vrouw van 31 maart 2026 met bijlage;
Op 8 april 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank verder behandeld. Hierbij zijn verschenen:
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en tolk;
de man, bijgestaan door zijn advocaat en tolk.
Zowel van de zijde van de man als van de vrouw is een pleitnotitie overgelegd en voorgedragen.
Na de zitting zijn de volgende stukken ontvangen:
het F9-formulier van de man van 24 april 2026 met bijlage;
het F2-formulier van de voormalige advocaat van de vrouw van 13 mei 2026 met bijlage;
het F9D-formulier van de vrouw van 25 juni 2026 met bijlagen;
het F9-formulier van de man van 2 juli 2026 met bijlage;
het F9D-formulier van de vrouw van 3 juli 2026 met bijlage;
het F9D-formulier van de man van 6 juli 2026 met bijlage;
het F9D-formulier van de vrouw van 8 juli 2026 met bijlage;
het F9D-formulier van de man van 24 juli 2026 met bijlage;
het F9D-formulier van de vrouw van 10 augustus 2026 met bijlage.
Feiten
De man en de vrouw zijn gehuwd op [datum] 2001 in [plaats 1] , Frankrijk.
Partijen hebben beiden de Franse nationaliteit.
Partijen zijn gehuwd onder huwelijkse voorwaarden.
Partijen wonen vanaf april 2022 gescheiden.
Bij beschikking van 7 januari 2026 van deze rechtbank is het verzoek tot echtscheiding afgewezen omdat het pensioenverweer van de vrouw is geslaagd.
Tegen de beschikking van 7 januari 2026 is geen hoger beroep ingesteld.
Bij brief van 3 april 2026 is de man op de hoogte gesteld van de echtscheiding die de vrouw bij de Franse rechter heeft verzocht.
Verzoek en verweer
De vrouw heeft op 25 november 2025, bij wijze van voorlopige voorziening voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens verzocht te bepalen dat:
gedurende de periode dat de man met € 1.600,- per maand bijdraagt in de kosten van het levensonderhoud en studie van [de jong-meerderjarige 1] , met een bedrag van € 8.627,- per maand dient bij te dragen in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw, welke bijdrage met ingang van 1 januari 2026 jaarlijks is geïndexeerd;
vanaf het moment dat de man niet meer met € 1.600,- per maand bijdraagt in de kosten van levensonderhoud en studie van [de jong-meerderjarige 1] , met een bedrag van € 10.227,- per maand dient bij te dragen in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw, welke bijdrage met ingang van 1 januari 2026 jaarlijks is geïndexeerd.
De man voert verweer welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
Aanvullende stukken
De man heeft bezwaar gemaakt tegen de door de vrouw ingediende akte en stukken van 31 maart 2026 omdat de stukken minder dan tien dagen voor de zitting zijn ingediend en daarmee de termijn voor indiening is overschreden. Daarnaast betreft het een dermate omvangrijk pakket aan stukken dat het volgens de man in strijd is met de goede procesorde om deze stukken te betrekken in de beoordeling.
De rechtbank zal de stukken wel betrekken in haar beoordeling. Tijdens de mondelinge behandeling van 8 april 2026 is namelijk gebleken dat de man voldoende in staat was om adequaat op de stukken te reageren en zijn ook een deel van de stukken uitgebreid besproken geweest. De man is daarnaast in de gelegenheid gesteld om op de overige overgelegde stukken te reageren. Dat heeft de man op 24 juli 2026 gedaan.
De vrouw heeft vervolgens op 10 augustus 2026 gereageerd in een nieuwe akte van uitlating. Aan de vrouw was alleen geen gelegenheid gegeven door de rechtbank om de akte in te dienen. De rechtbank zal daarom voorbij gaan aan deze akte.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Op grond van artikel 4, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is met de bevoegdheid van de Nederlandse echtscheidingsrechter steeds tevens de bevoegdheid tot het treffen van voorlopige en bewarende maatregelen gegeven, voor zover die verband houden met de echtscheiding. Nu uit de Basisregistratie Personen blijkt dat zowel de man als de vrouw hun gewone verblijfplaats hebben in Nederland, komt de Nederlandse rechter ingevolge artikel 3 van de EG-Verordening nr. 2201/2003 van 27 november 2003 (Brussel II bis) rechtsmacht toe met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding en zodoende ook ten aanzien van het verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen. De rechtbank past in deze voorlopige voorzieningenprocedure Nederlands recht toe.
Ontvankelijkheid
De man stelt dat de vrouw niet-ontvankelijk is in haar verzoek. De vrouw heeft het verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen gedaan in het kader van de door de man ingediende echtscheidingsprocedure, waarin op 7 januari 2026 een afwijzende eindbeschikking is gegeven. In Nederland is geen nieuwe echtscheidingsprocedure aanhangig gemaakt waardoor de vrouw volgens de man niet-ontvankelijk is in haar verzoek.
De vrouw stelt dat zij wel kan worden ontvangen in haar verzoek omdat bij het aanhangig maken van deze voorlopige voorzieningenprocedure de bodemprocedure, waarin op 7 januari 2026 beschikking is gegeven, nog geen beslissing was gegeven. Tot aan de datum dat de eindbeslissing in de bodemprocedure in kracht van gewijsde is gegaan, kan volgens de vrouw een partneralimentatie in deze procedure worden vastgesteld.
De rechtbank stelt voorop dat op grond van artikel 821 lid 1 Rv een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening kan worden gedaan tot het tijdstip waarop zo’n voorziening haar kracht verliest. Op grond van artikel 826 lid 2 Rv verliest een voorlopige voorziening haar kracht zodra een beschikking, waarbij een verzoek tot echtscheiding of tot scheiding van tafel en bed wordt afgewezen, in kracht van gewijsde gaat. De vrouw heeft dit verzoek gedaan op 26 november 2025 in samenhang met voornoemde bodemprocedure. De vrouw heeft dus tijdig het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend. Een voorlopige voorziening heeft werking tot de echtscheidingsbeschikking in kracht van gewijsde is gegaan. In dit geval is dat op 7 april 2026. Dat de rechtbank dit verzoek niet eerder heeft behandeld, maakt dat niet anders. De rechtbank zal de vrouw dan ook ontvangen in haar verzoek voor zover dit betrekking heeft op de periode 26 november 2025 tot 7 april 2026.
Inhoudelijke beoordeling
Ingangsdatum
Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen.
De vrouw stelt zich op het standpunt dat de ingangsdatum de datum van de indiening van het verzoek, 26 november 2025, moet zijn, nu de man vanaf dat moment rekening heeft kunnen houden met het feit dat hij een onderhoudsbijdrage aan de vrouw dient te voldoen. De man stelt zich op het standpunt dat er niet met terugwerkende kracht een alimentatieverplichting kan worden vastgesteld in een voorlopige voorzieningenprocedure waarbij in de bodemprocedure al een eindbeschikking is gegeven.
De rechtbank overweegt dat volgens vaste jurisprudentie de rechtbank terughoudend moet omgaan met het vaststellen van een alimentatieverplichting met terugwerkende kracht (bijvoorbeeld: Hoge Raad 12 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:871). De rechtbank is van oordeel dat in deze situatie sprake is van zodanige omstandigheden die vaststelling van de voorlopige partneralimentatie met terugwerkende kracht tot indiening van het verzoekschrift rechtvaardigen. De rechtbank overweegt daartoe dat de man – ondanks dat hij kon weten dat de vrouw behoefte had aan een bijdrage – geen onderhoudsbijdrage aan de vrouw betaalde, terwijl hij vanaf 26 november 2025 wel rekening heeft kunnen houden met het feit dat de vrouw er aanspraak op maakte. De rechtbank zal 26 november 2025 daarom als ingangsdatum te hanteren.
Aanhechten berekeningen
De rechtbank zal de alimentatieberekeningen aan deze beschikking hechten. De berekeningen maken onderdeel van deze beschikking uit.
Behoefte
Tussen partijen is de behoefte van de vrouw in geschil.
De rechtbank overweegt als volgt. Anders dan door de man is betoogd, zal de rechtbank uitgaan van de Hofnorm. Naast het feit dat de man geen behoeftelijst van de vrouw heeft overgelegd, is de rechtbank van oordeel dat de Hofnorm als ‘vuistregel’ kan worden gebruikt, tenzij er sprake is van bijzondere feiten en/of omstandigheden waardoor die vuistregel niet geacht kan worden een representatief beeld te geven van de behoefte. De man heeft onvoldoende feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat de volgens die maatstaf vastgestelde behoefte niet juist zou zijn. Uit de stukken en hetgeen besproken is tijdens de mondelinge behandelingen zijn de rechtbank ook geen omstandigheden gebleken waaruit zou volgen dat een andere wijze van behoefteberekening gehanteerd moet worden.
Ten aanzien van de inkomensgegevens van partijen zal de rechtbank uitgaan van het jaar 2021 en de tarieven 2021-II, aangezien dit het volledige kalenderjaar betreft waarbij partijen voor het laatst in gezinsverband samenleefden.
Het Nederlandse inkomen van de man in 2021 van € 14.418,- netto per maand is tussen partijen niet in geschil.
De vrouw stelt dat de man naast zijn Nederlandse inkomen toen ook inkomsten had in Tunesië. De vrouw heeft een Tunesische advocaat ingeschakeld die onderzoek heeft verricht naar de vermogenspositie van de man in Tunesië. Volgens dit onderzoek zou de man naar schatting € 31.927,- netto per jaar genereren uit zijn ondernemingen in [plaats 2] en [plaats 3] ; € 46.332,- netto per jaar aan inkomsten uit zijn hotel in Boufichia en € 31.455,- aan inkomsten uit het perceel landbouwgrond in Boufichia dat de man medio 2021 in eigendom heeft verkregen.
De man betwist dat hij dergelijke inkomsten heeft in Tunesië en stelt dat hij enkel een gering bedrag verdient aan het landbouwperceel, dat blijkt ook uit zijn Tunesische belastingaangifte.
De rechtbank stelt voorop dat een vaststelling van de partneralimentatie in een voorlopige voorzieningenprocedure het karakter heeft van een ordemaatregel. Daarbij is het uitgangspunt dat wordt uitgegaan van de actuele situatie van partijen, voor zover de rechtbank daar voldoende inzicht in heeft. De vraag of, en zo ja hoeveel inkomen de man in Tunesië genereert, vergt naar het oordeel van de rechtbank nader onderzoek waarvoor in deze voorlopige voorzieningenprocedure geen ruimte is. De rechtbank gaat daarom voorbij aan de stelling van de vrouw op dit punt en zal uitsluitend rekening houden met het Nederlandse inkomen van de man.
Aan de hand van deze uitgangspunten bedraagt het netto besteedbaar inkomen (hierna: NBI) van de man in 2021 een bedrag van € 14.418 ,- per maand.
Ten aanzien van de inkomsten van de vrouw zal de rechtbank als uitgangspunt de door de vrouw overgelegde belastingaangiften uit Nederland en Frankrijk over 2021 nemen. Hieruit blijkt een winst uit onderneming van € 11.928,- bruto per jaar in Nederland in 2021 en een winst uit onderneming, minus belasting van € 34.177,- netto per jaar in Frankrijk in 2021.
Aan de hand van deze uitgangspunten bedroeg het NBI van de vrouw in 2021 een bedrag van € 3.820 ,- per maand.
Het netto besteedbaar gezinsinkomen (hierna: NBGI) voor scheiding bedroeg gezien het bovenstaande € 18.238,- per maand.
Partijen verschillen van mening over de vraag of en voor welk bedrag er rekening moet worden gehouden met de kosten van de kinderen, die in 2021 nog minderjarig waren.
Voor zover de rechtbank begrijpt, betoogt de man dat de voor kinderen in 2021 extra kosten zijn betaald. Die kosten zouden tot een hoge behoefte hebben geleid. De rechtbank overweegt dat in de tabelbedragen van ‘de Expertgroep Alimentatie’ alle normale kosten van de kinderen zijn inbegrepen. Bepaalde extra kosten kunnen zo uitzonderlijk dat deze niet begrepen kunnen zijn in de standaardbedragen voor de kosten van kinderen en dat deze niet (volledig) gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten. In dat geval kan dat leiden tot in totaal hogere kosten van kinderen dan het tabelbedrag. De man heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende omstandigheden gesteld waaruit zou moeten blijken dat de kosten van de kinderen hoger waren dan het standaard tabelbedrag. De rechtbank zal de kosten van de kinderen daarom berekenen aan de hand van de behoeftetabel (2021) en nul kinderbijslagpunten. Dit leidt bij een netto besteedbaar gezinsinkomen van € 6.000,- of hoger tot een gemaximeerde totale behoefte van € 1.340,- per maand.
Voor het levensonderhoud van partijen was aldus een bedrag van € 16.898,- per maand(18.238 – 1.340) beschikbaar. Bij de Hofnorm wordt de behoefte van de vrouw berekend op 60% van het NBGI, daarom bedraagt de behoefte van de vrouw € 10.139,- netto per maand in 2021. Geïndexeerd naar 2025 bedraagt de behoefte van de vrouw € 12.083,- netto per maand.
Aanvullende behoefte
De rechtbank stelt voorop dat het hier gaat om een voorlopige partneralimentatie in het kader van voorlopige voorzieningen. In dat kader sluit de rechtbank zoveel mogelijk aan bij de feitelijke situatie van partijen. Daarbij is naar het oordeel van de rechtbank geen plaats voor de beoordeling van een verdiencapaciteit van de vrouw, zoals door de man is betoogd.
Op de hiervoor berekende netto behoefte van de vrouw van € 12.083,- per maand in 2025 moet haar NBI in mindering worden gebracht. Voor de berekening van het NBI van de vrouw zal de rechtbank al uitgangspunt het gemiddelde van het resultaat over de laatste drie jaren nemen. De rechtbank gaat ervan uit dat dit gemiddelde een goede indicatie geeft van haar draagkracht.
JaarOnderneming NederlandOnderneming Frankrijk
2023 12.892 11.103
2024 17.610 8.294
2025 22.027 3.041
-------- --------
Totaal 52.529 -232
Gemiddeld 17.510 -77
Gelet op de resultaten van de afgelopen drie jaar verwacht de rechtbank dat de vrouw geen inkomsten uit de Franse onderneming kan genereren. De rechtbank neemt daarom alleen het bedrag van € 17.510,- in aanmerking voor de berekening van de draagkracht van de vrouw.
Verder houdt de rechtbank rekening met de volgende fiscale heffingskortingen voor het Nederlandse inkomen:
de zelfstandigenaftrek;
de algemene heffingskorting;
de arbeidskorting.
Uitgaande van bovenstaande gegevens, berekent de rechtbank het NBI van de vrouw in 2025 op € 1.402,- per maand.
Dit leidt tot een aanvullende behoefte van (12.083 – 1.402 =) € 10.681,- netto per maand in 2025.
Draagkracht man
De man is werkzaam bij de EPO (European Patent Office) en is daarom in Nederland niet belastingplichtig voor wat betreft de inkomstenbelasting. De rechtbank zal voor de berekening van zijn draagkracht een netto berekening maken.
De vrouw stelt voor de draagkracht van de man dat rekening moet worden gehouden met inkomsten in Tunesië en Monaco. Zoals hiervoor overwogen stelt de rechtbank voorop dat een vaststelling van de partneralimentatie in een voorlopige voorzieningenprocedure het karakter heeft van een ordemaatregel. Omdat naar het oordeel van de rechtbank nader onderzoek moet worden verricht naar de vraag of, en zo ja hoeveel inkomen de man in Tunesië dan wel in Monaco genereert, zal de rechtbank ook voor de berekening van de draagkracht van de man enkel uitgaan van zijn inkomen in Nederland.
De rechtbank zal, anders dan de vrouw stelt, voor de berekening van de draagkracht van de man uitgaan van zijn salarisstrook van december 2025. De rechtbank is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de man de door de vrouw aangevoerde salarisverhoging, niet zijnde indexatie, in 2026 heeft ontvangen.
De rechtbank neemt gelet op het voorgaande als uitgangspunt voor de berekening van de draagkracht van de man de berekening van de vrouw over. De rechtbank gaat dan uit van een netto salaris: € 14.460,- netto per maand, waarbij onderstaande allowances als inkomsten worden gerekend en de overige e posten in mindering strekken op het inkomen:
household allowance: € 868,- netto per maand;
expatriation allowance: € 2.892,- netto per maand;
healthcare insurance: € 455,- netto per maand.
pension contribution: € 1.547,- netto per maand in mindering;
death insurance: € 14,- netto per maand in mindering;
long-term care insurance: € 87,- netto per maand in mindering.
De rechtbank berekent het NBI van de man op € 16.117 per maand in 2025.
De man stelt dat er een aantal andere noodzakelijke lasten ook op zijn NBI in mindering moeten worden gebracht, te weten:
reiskosten van € 250,- per maand;
niet-vergoede zorgkosten van € 2.803,- per jaar;
bijdrage aan ouders van € 1.100,- per maand;
kosten voor de meerderjarige kinderen van € 3.930,- per maand;
aflossing van de lening bij DEFAM voor het onderhoud van de woning:
€ 1.481,- per maand.
De vrouw voert verweer tegen de bovengenoemde lasten.
Reis- en zorgkosten
De rechtbank overweegt dat de man de reiskosten en de niet vergoede zorgkosten onvoldoende heeft onderbouwd waardoor de rechtbank hier geen rekening mee zal houden.
Bovendien heeft de man niet gesteld – en dat is ook niet gebleken – dat de man deze kosten niet kan voldoen uit zijn draagkrachtloos inkomen.
Onderhoudsbijdrage ouders
De rechtbank zal geen rekening houden met de onderhoudsbijdrage van de man aan zijn ouders. De man heeft niet aangetoond dat zijn ouders behoeftig zijn en redelijkerwijs niet in staat om in hun eigen levensonderhoud te voorzien.
Kosten voor de jong meerderjarige kinderen
De man stelt dat hij in totaal € 4.367 per maand voor de jong meerderjarige kinderen betaalt. Hierop brengt hij de bijdrage in mindering die hij ontvangt van zijn werkgever van € 436,94 per maand. De vrouw stelt dat de kosten van de jong meerderjarige kinderen niet op werkelijke kosten zijn gebaseerd. Het ligt dan ook volgens de vrouw voor de hand om rekening te houden met € 800,- voor [de jong-meerderjarige 2] en € 1.700,- per maand voor [de jong-meerderjarige 1] . De allowances, die de man ontvangt voor de kinderen, dienen volgens haar hierop in mindering te worden gebracht.
De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 1:395a BW ouders verplicht zijn te voorzien in de kosten van levensonderhoud en studie van hun jongmeerderjarige kinderen die de leeftijd van 21 jaren nog niet hebben bereikt. Indien een jongmeerderjarige studeert wordt voor de behoeftebepaling in het algemeen aansluiting gezocht bij de WSF-norm. [de jong-meerderjarige 2] heeft de leeftijd van 21 jaar nog niet bereikt maar volgt momenteel geen opleiding. Voor niet-studerende jongmeerderjarigen kan voor de berekening van de behoefte aansluiting worden gezocht bij het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud uit de WSF-norm, onder aftrek van de daarin begrepen studiekosten (boeken en leermiddelen). Indien jongmeerderjarigen structurele eigen inkomsten ontvangen kan dit als behoefte verlagend worden aangemerkt. De WSF-norm voor thuiswonende MBO-studenten bedroeg vanaf september 2025 een bedrag van € 636,- per maand minus lesgelden. Omdat de vrouw een hogere bijdrage stelt voor [de jong-meerderjarige 2] , te weten € 800,- per maand, zal de rechtbank met dat bedrag rekening houden.
Hoewel [de jong-meerderjarige 1] de leeftijd van 21 jaar al heeft bereikt, zijn partijen het eens dat er rekening moet worden gehouden met de bijdrage van de man aan [de jong-meerderjarige 1] . Uit de door de man als productie 20 overgelegde bankafschrift blijkt dat het om een bijdrage van € 1.700,- per maand gaat. De rechtbank zal dan ook van dit bedrag uitgaan.
De rechtbank heeft verder bij het inkomen van de man geen rekening gehouden met de dependants allowance van € 436,- netto per maand en een education allowance van € 612,- netto per maand. De rechtbank zal deze allowances, die zien op een tegemoetkoming voor de (meerderjarige) kinderen, in mindering brengen op de bijdrage aan de meerderjarige kinderen van de man. De rechtbank zal dan rekening houden met € 1.452,- [(800 + 1.700) – (436 + 612)]. Dat bedrag zal de rechtbank als extra last in aanmerking nemen.
Lening DEFAM
De man stelt dat hij vanwege een onvoorziene reparatie aan de woning genoodzaakt is geweest om een lening van € 75.000,- af te sluiten. De man lost hier momenteel € 1.450,- per maand voor af. Volgens de man dient bij de berekening van zijn draagkracht rekening te worden gehouden met deze aflossing. Volgens de vrouw is het niet duidelijk waarom de man deze lening heeft afgesloten en kan daarom niet gesteld worden dat er sprake is van een niet verwijtbare en niet vermijdbare last.
De rechtbank zal wegens gebrek aan voldoende onderbouwing dat de lening niet verwijtbaar en/of vermijdbaar is, geen rekening houden met de aflossing daarvan in het kader van deze voorlopige voorzieningenprocedure.
Wooonbudget
De vrouw stelt dat de man niet volledig in de behoefte van de vrouw kan voldoen en zijn werkelijke woonlast aanmerkelijk lager zijn dan het woonbudget. De vrouw acht het daarom redelijk om rekening te houden met een woonlast van € 1.750,- per maand.
De rechtbank overweegt dat het forfaitair woonbudget als uitgangspunt geldt. Voor een geslaagd beroep om daarvan af te wijken is nodig dat er een compleet beeld is van de werkelijke lasten. De rechtbank beschikt niet over een compleet beeld van de woonlasten en ziet verder ook geen aanleiding om af te wijken van het forfaitaire woonbudget van 30 % van het NBI.
Conclusie draagkracht
Gelet op het voorgaande volgt een draagkracht van de man van € 5.112,- per maand (60% x [16.117 – (0,3 x 16.117) + 1.310 – 1.452]. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht. Omdat de draagkracht van de man lager is dan de aanvullende behoefte van de vrouw, wordt de partneralimentatie van de vrouw begrensd tot de hoogte van de draagkracht van de man.
Indexatie
Gelet op de uitspraak van de Hoge Raad van 18 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1165, zal de rechtbank de voorlopige partneralimentatie, zoals is verzocht door de vrouw, verhogen met de jaarlijkse indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW. Met ingang van 1 januari 2026 bedraagt de partneralimentatie dan een bedrag van € 5.347,-
Conclusie partneralimentatie
Uitgaande van het bovenstaande zal de rechtbank de door de man aan de vrouw te betalen voorlopige partneralimentatie vanaf 26 november 2026 vaststellen op € 5.112,- netto per maand en vanaf 1 januari 2026 tot 7 april 2026 op € 5.347,- netto per maand.
Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.
Beslissing
De rechtbank:
*
bepaalt dat de man aan de vrouw een voorlopige partneralimentatie is verschuldigd, vanaf 26 november 2025 een nettobedrag van € 5.112,- per maand en vanaf 1 januari 2026 tot 7 april 2026 een nettobedrag van € 5.347,- per maand;
*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.S. Perniciaro, rechter, in tegenwoordigheid van mr. T.D. Somer als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 18 augustus 2026.