Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2017:3032
2017-11-21
Strafrecht
16/00537
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2017:3032 → ECLI:NL:PHR:2017:1297 gevolgd
Inhoudsindicatie
Profijtontneming, w.v.v. uit handel in cocaïne. Methode van eenvoudige kasopstelling. Rechtsgevolg overschrijding redelijke termijn in e.a. en in h.b. Opvatting Hof dat als "maatstaf voor de vergoeding van immateriële schade" t.g.v. overschrijding van de redelijke termijn heeft te gelden dat bij ontnemingszaken de betalingsverplichting wordt verminderd met een standaard bedrag van "€ 500,00 per halfjaar voor overschrijding van de termijn als geheel", kan niet als juist worden aanvaard (vgl. ECLI:NL:HR:2016:577). HR doet zaak zelf af door betalingsverplichting gelet op de uitzonderlijk lange duur van de overschrijding te verminderen met € 10.000,-.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2016:577 Hoge Raad 05-04-2016
Geciteerd door (15)
- ECLI:NL:RBOBR:2022:1647 Rechtbank Oost-Brabant 26-04-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:38 Parket bij de Hoge Raad 18-01-2022
- ECLI:NL:PHR:2021:1151 Parket bij de Hoge Raad 07-12-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:1126 Parket bij de Hoge Raad 30-11-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:1124 Parket bij de Hoge Raad 30-11-2021
- ECLI:NL:PHR:2020:1074 Parket bij de Hoge Raad 10-11-2020
- ECLI:NL:PHR:2019:1200 Parket bij de Hoge Raad 19-11-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:1457 Parket bij de Hoge Raad 19-11-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:390 Parket bij de Hoge Raad 16-04-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:615 Parket bij de Hoge Raad 16-04-2019
- ECLI:NL:PHR:2018:1492 Parket bij de Hoge Raad 18-12-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:529 Parket bij de Hoge Raad 29-05-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:458 Parket bij de Hoge Raad 15-05-2018
- ECLI:NL:GHAMS:2018:507 Gerechtshof Amsterdam 15-02-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:64 Parket bij de Hoge Raad 30-01-2018
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (5.048 tekens)
21 november 2017
Strafkamer
nr. S 16/00537 P
BKL
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 22 januari 2016, nummer 23/001079-13, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:
[betrokkene]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1953.
1Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft H.K. ter Brake, advocaat te Hoorn, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de betalingsverplichting, tot vermindering daarvan in die mate die de Hoge Raad aangewezen acht en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2Beoordeling van het tweede middel
2.1.
Het middel klaagt over het oordeel van het Hof met betrekking tot de overschrijding van de redelijke termijn in feitelijke aanleg.
2.2.
In de bestreden uitspraak heeft het Hof met betrekking tot de redelijke termijn het volgende overwogen:
"De raadsman heeft zich (subsidiair) op het standpunt gesteld dat het aan de staat te betalen bedrag met 5% dient te worden verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Het hof heeft acht geslagen op de omstandigheid dat in deze zaak de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is overschreden. In eerste aanleg is de ontnemingszaak aangevangen met een schriftelijke vordering van het Openbaar Ministerie op 12 augustus 2008 - welke datum het hof als aanvang neemt voor de beoordeling van de (redelijke) termijn in de ontnemingszaak - en afgerond met een eindbeslissing op 7 februari 2013. De zaak is vervolgens in hoger beroep afgerond met een eindbeslissing op 22 januari 2016, na instelling van het rechtsmiddel op 8 februari 2013.
Het hof stelt vast dat de procedure als geheel een periode van 8,5 jaren heeft bestreken en dat uitgaande van een redelijke termijn van twee jaren per instantie, deze periode is overschreden met 4,5 jaren. Het hof is melde raadsman van oordeel dat vier jaar aan termijnoverschrijding is toe te rekenen aan de justitiële autoriteiten.
Het hof ziet dienaangaande aanleiding, gelet op het uniforme aspect van behandeling van soortgelijke kwesties op andere rechtsgebieden (bestuursrecht en civiel recht), ook in het ontnemingsrecht als maatstaf voor de vergoeding van immateriële schade het (standaard)bedrag te hanteren van € 500,00 per halfjaar voor overschrijding van de termijn als geheel.
De overschrijding beloopt, zoals boven vastgesteld, 4 jaren, zodat een vergoeding van immateriële schade van € 4.000,00 (8 x € 500,00) het hof redelijk voorkomt."
2.3.
De opvatting van het Hof, dat als "maatstaf voor de vergoeding van immateriële schade" ten gevolge van overschrijding van de redelijke termijn heeft te gelden dat bij ontnemingszaken de betalingsverplichting wordt verminderd met een standaard bedrag van "€ 500,00 per halfjaar voor overschrijding van de termijn als geheel", kan niet als juist worden aanvaard (vgl. HR 5 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:577). Het middel slaagt. De Hoge Raad zal zelf de zaak afdoen. Het Hof heeft het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 625.184,32. In cassatie wordt ervan uitgegaan dat de termijn van berechting als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in eerste aanleg en in hoger beroep is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de betrokkene opgelegde betalingsverplichting. De Hoge Raad zal die betalingsverplichting gelet op de uitzonderlijk lange duur van de overschrijding in dit geval verminderen met € 10.000,-.
3Beoordeling van het eerste middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
vermindert het te betalen bedrag in die zin dat de hoogte daarvan € 615.184,32 bedraagt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-presidentW.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 november 2017.
Strafkamer
nr. S 16/00537 P
BKL
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 22 januari 2016, nummer 23/001079-13, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:
[betrokkene]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1953.
1Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft H.K. ter Brake, advocaat te Hoorn, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de betalingsverplichting, tot vermindering daarvan in die mate die de Hoge Raad aangewezen acht en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2Beoordeling van het tweede middel
2.1.
Het middel klaagt over het oordeel van het Hof met betrekking tot de overschrijding van de redelijke termijn in feitelijke aanleg.
2.2.
In de bestreden uitspraak heeft het Hof met betrekking tot de redelijke termijn het volgende overwogen:
"De raadsman heeft zich (subsidiair) op het standpunt gesteld dat het aan de staat te betalen bedrag met 5% dient te worden verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Het hof heeft acht geslagen op de omstandigheid dat in deze zaak de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is overschreden. In eerste aanleg is de ontnemingszaak aangevangen met een schriftelijke vordering van het Openbaar Ministerie op 12 augustus 2008 - welke datum het hof als aanvang neemt voor de beoordeling van de (redelijke) termijn in de ontnemingszaak - en afgerond met een eindbeslissing op 7 februari 2013. De zaak is vervolgens in hoger beroep afgerond met een eindbeslissing op 22 januari 2016, na instelling van het rechtsmiddel op 8 februari 2013.
Het hof stelt vast dat de procedure als geheel een periode van 8,5 jaren heeft bestreken en dat uitgaande van een redelijke termijn van twee jaren per instantie, deze periode is overschreden met 4,5 jaren. Het hof is melde raadsman van oordeel dat vier jaar aan termijnoverschrijding is toe te rekenen aan de justitiële autoriteiten.
Het hof ziet dienaangaande aanleiding, gelet op het uniforme aspect van behandeling van soortgelijke kwesties op andere rechtsgebieden (bestuursrecht en civiel recht), ook in het ontnemingsrecht als maatstaf voor de vergoeding van immateriële schade het (standaard)bedrag te hanteren van € 500,00 per halfjaar voor overschrijding van de termijn als geheel.
De overschrijding beloopt, zoals boven vastgesteld, 4 jaren, zodat een vergoeding van immateriële schade van € 4.000,00 (8 x € 500,00) het hof redelijk voorkomt."
2.3.
De opvatting van het Hof, dat als "maatstaf voor de vergoeding van immateriële schade" ten gevolge van overschrijding van de redelijke termijn heeft te gelden dat bij ontnemingszaken de betalingsverplichting wordt verminderd met een standaard bedrag van "€ 500,00 per halfjaar voor overschrijding van de termijn als geheel", kan niet als juist worden aanvaard (vgl. HR 5 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:577). Het middel slaagt. De Hoge Raad zal zelf de zaak afdoen. Het Hof heeft het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 625.184,32. In cassatie wordt ervan uitgegaan dat de termijn van berechting als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in eerste aanleg en in hoger beroep is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de betrokkene opgelegde betalingsverplichting. De Hoge Raad zal die betalingsverplichting gelet op de uitzonderlijk lange duur van de overschrijding in dit geval verminderen met € 10.000,-.
3Beoordeling van het eerste middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
vermindert het te betalen bedrag in die zin dat de hoogte daarvan € 615.184,32 bedraagt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-presidentW.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 november 2017.