Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2017:2780
2017-10-27
Bestuursrecht; Belastingrecht
17/01786
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2017:2780 → ECLI:NL:GHDHA:2017:960
Inhoudsindicatie
HR: 81.1 RO.
Citeert (4)
- ECLI:NL:HR:2010:BO8495 Hoge Raad 24-12-2010
- ECLI:NL:HR:2010:BO8496 Hoge Raad 24-12-2010
- ECLI:NL:HR:2014:1005 Hoge Raad 25-04-2014
- ECLI:NL:HR:2014:1007 Hoge Raad 25-04-2014
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (3.691 tekens)
27 oktober 2017
Nr. 17/01786
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 1 maart 2017, nrs. BK‑15/01095 en BK-15/01096, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nrs. SGR 15/1463 en SGR 15/1464) betreffende de aan belanghebbende voor de jaren 2003 en 2005 opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente.
1Het eerste en tweede geding in cassatie
Bij arresten van de Hoge Raad van 24 december 2010, nrs. 09/04801 en 09/04802, ECLI:NL:HR:2010:BO8495 en ECLI:NL:HR:2010:BO8496, zijn vernietigd de uitspraken van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage (nrs. BK-09/00281 en BK‑09/00282), met verwijzing van de gedingen naar het Gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaken met inachtneming van die arresten. Bij arresten van de Hoge Raad van 25 april 2014, nrs. 13/05574 en 13/05575, ECLI:NL:HR:2014:1005 en ECLI:NL:HR:2014:1007, zijn de principale en incidentele beroepen in cassatie tegen de uitspraken van het laatstgenoemde Hof (nrs. 10/00962 en 10/00963) ongegrond verklaard. Bijgevolg zijn de beslissingen van dat Hof om de zaken te verwijzen naar de Rechtbank Den Haag in stand gebleven.
2Het derde geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal middelen voorgesteld.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft tevens incidenteel beroep in cassatie ingesteld en daarbij een middel voorgesteld.
Belanghebbende heeft schriftelijk haar zienswijze omtrent het incidenteel beroep naar voren gebracht.
De Staatssecretaris heeft nadien middelonderdeel b in het incidenteel beroep ingetrokken.
3Beoordeling van de in het principale beroep voorgestelde middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4Beoordeling van het in het incidenteel beroep voorgestelde middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5Proceskosten
Wat betreft het principale cassatieberoep acht de Hoge Raad geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
Wat betreft het incidenteel cassatieberoep zal de Staatssecretaris worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
6Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart beide beroepen in cassatie ongegrond, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende voor zover betrekking hebbend op het incidenteel cassatieberoep, vastgesteld op € 990 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, op de voet van artikel 8:75, lid 2, Awb te voldoen aan de rechtsbijstandverlener.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2017.
Nr. 17/01786
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 1 maart 2017, nrs. BK‑15/01095 en BK-15/01096, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nrs. SGR 15/1463 en SGR 15/1464) betreffende de aan belanghebbende voor de jaren 2003 en 2005 opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente.
1Het eerste en tweede geding in cassatie
Bij arresten van de Hoge Raad van 24 december 2010, nrs. 09/04801 en 09/04802, ECLI:NL:HR:2010:BO8495 en ECLI:NL:HR:2010:BO8496, zijn vernietigd de uitspraken van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage (nrs. BK-09/00281 en BK‑09/00282), met verwijzing van de gedingen naar het Gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaken met inachtneming van die arresten. Bij arresten van de Hoge Raad van 25 april 2014, nrs. 13/05574 en 13/05575, ECLI:NL:HR:2014:1005 en ECLI:NL:HR:2014:1007, zijn de principale en incidentele beroepen in cassatie tegen de uitspraken van het laatstgenoemde Hof (nrs. 10/00962 en 10/00963) ongegrond verklaard. Bijgevolg zijn de beslissingen van dat Hof om de zaken te verwijzen naar de Rechtbank Den Haag in stand gebleven.
2Het derde geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal middelen voorgesteld.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft tevens incidenteel beroep in cassatie ingesteld en daarbij een middel voorgesteld.
Belanghebbende heeft schriftelijk haar zienswijze omtrent het incidenteel beroep naar voren gebracht.
De Staatssecretaris heeft nadien middelonderdeel b in het incidenteel beroep ingetrokken.
3Beoordeling van de in het principale beroep voorgestelde middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4Beoordeling van het in het incidenteel beroep voorgestelde middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5Proceskosten
Wat betreft het principale cassatieberoep acht de Hoge Raad geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
Wat betreft het incidenteel cassatieberoep zal de Staatssecretaris worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
6Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart beide beroepen in cassatie ongegrond, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende voor zover betrekking hebbend op het incidenteel cassatieberoep, vastgesteld op € 990 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, op de voet van artikel 8:75, lid 2, Awb te voldoen aan de rechtsbijstandverlener.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2017.