Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2017:249
2017-02-17
Bestuursrecht; Belastingrecht
16/01006
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2017:249 → ECLI:NL:GHDHA:2016:111 (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
- verwijzing ECLI:NL:GHAMS:2017:3737 → ECLI:NL:HR:2017:249
Inhoudsindicatie
Inkomstenbelasting; artikel 16, lid 1, AWR; navordering, nieuw feit, ambtelijk verzuim. In (digitaal) dossier IB/PVV geen aanleiding voor Inspecteur om aangifte Vpb van de BV van belanghebbende te raadplegen.
Citeert (2)
- ECLI:NL:HR:2001:AB2890 Hoge Raad 06-06-2001
- ECLI:NL:HR:2015:1515 Hoge Raad 12-06-2015
Geciteerd door (98)
- ECLI:NL:GHARL:2026:4637 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14-07-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:2718 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 28-04-2026
- ECLI:NL:RBGEL:2026:1547 Rechtbank Gelderland 27-02-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:188 Parket bij de Hoge Raad 20-02-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:680 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 06-02-2026
- ECLI:NL:RBNNE:2026:261 Rechtbank Noord-Nederland 29-01-2026
- ECLI:NL:GHSHE:2025:3548 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 10-12-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:3249 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 12-11-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:2909 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 22-10-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:2588 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 24-09-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:4987 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 31-07-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:4301 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 09-07-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:4033 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 30-06-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:3526 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 05-06-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:878 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 17-02-2025
- ECLI:NL:GHAMS:2024:3391 Gerechtshof Amsterdam 19-11-2024
- ECLI:NL:RBNNE:2024:2861 Rechtbank Noord-Nederland 25-07-2024
- ECLI:NL:GHAMS:2024:1948 Gerechtshof Amsterdam 09-07-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:2117 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 28-06-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:567 Gerechtshof Den Haag 09-04-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:567 Gerechtshof Den Haag 09-04-2024
- ECLI:NL:RBGEL:2024:604 Rechtbank Gelderland 01-02-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:40 Parket bij de Hoge Raad 12-01-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2023:9142 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 27-12-2023
- ECLI:NL:HR:2023:1343 Hoge Raad 27-10-2023
- ECLI:NL:GHARL:2023:5428 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 27-06-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:9564 Rechtbank Den Haag 22-06-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:9567 Rechtbank Den Haag 22-06-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:4181 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 15-06-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:1102 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 17-02-2023
- ECLI:NL:RBNHO:2023:1373 Rechtbank Noord-Holland 31-01-2023
- ECLI:NL:GHARL:2022:10082 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 22-11-2022
- ECLI:NL:GHARL:2022:7920 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 13-09-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2022:2941 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 11-08-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2022:2941 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 11-08-2022
- ECLI:NL:RBGEL:2022:3534 Rechtbank Gelderland 13-07-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2022:2261 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 01-06-2022
- ECLI:NL:RBGEL:2022:1607 Rechtbank Gelderland 31-03-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:380 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 31-01-2022
- ECLI:NL:RBGEL:2021:7076 Rechtbank Gelderland 27-12-2021
- ECLI:NL:GHAMS:2021:3491 Gerechtshof Amsterdam 09-11-2021
- ECLI:NL:GHAMS:2021:4102 Gerechtshof Amsterdam 03-11-2021
- ECLI:NL:RBNNE:2021:3158 Rechtbank Noord-Nederland 22-07-2021
- ECLI:NL:GHSHE:2021:1678 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 03-06-2021
- ECLI:NL:GHAMS:2021:1319 Gerechtshof Amsterdam 11-05-2021
- ECLI:NL:GHAMS:2021:1318 Gerechtshof Amsterdam 11-05-2021
- ECLI:NL:GHAMS:2021:1371 Gerechtshof Amsterdam 29-04-2021
- ECLI:NL:GHDHA:2021:800 Gerechtshof Den Haag 28-04-2021
- ECLI:NL:GHDHA:2021:800 Gerechtshof Den Haag 28-04-2021
- ECLI:NL:GHDHA:2021:780 Gerechtshof Den Haag 20-04-2021
- ECLI:NL:RBZWB:2021:1831 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 13-04-2021
- ECLI:NL:RBZWB:2021:4609 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 26-03-2021
- ECLI:NL:RBNNE:2021:737 Rechtbank Noord-Nederland 11-03-2021
- ECLI:NL:RBZWB:2020:6382 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 17-12-2020
- ECLI:NL:RBZWB:2020:6382 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 17-12-2020
- ECLI:NL:GHDHA:2020:2731 Gerechtshof Den Haag 01-12-2020
- ECLI:NL:GHAMS:2020:1423 Gerechtshof Amsterdam 02-06-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:4095 Rechtbank Den Haag 22-04-2020
- ECLI:NL:GHARL:2020:2879 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 07-04-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:1851 Rechtbank Den Haag 18-02-2020
Volledige tekst
Volledige tekst (6.903 tekens)
17 februari 2017
nr. 16/01006
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 20 januari 2016, nr. BK-14/01622, op het hoger beroep van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. AWB 14/3069) betreffende de aan belanghebbende over het jaar 2007 opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV). De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
De Staatssecretaris heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
De Staatssecretaris heeft een conclusie van repliek ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van dupliek ingediend.
2Beoordeling van het middel
2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende, geboren [in] 1942, heeft in 1991 een ontslagvergoeding gekregen in de vorm van een stamrecht als bedoeld in artikel 32 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 in samenhang met artikel 11, lid 1, letter g, van de Wet op de loonbelasting 1964 (tekst 2007; hierna: Wet LB). Het stamrecht is ondergebracht in [B] B.V. (hierna: de BV), van welke vennootschap belanghebbende enig aandeelhouder was.
2.1.2.
De BV heeft in de periode 1994 – 2013 als loon aangeduide betalingen gedaan aan belanghebbende. Deze betalingen zijn tot en met het jaar 2008 ten laste van de winst van de BV gebracht.
2.1.3.
Belanghebbende heeft in zijn aangifte IB/PVV 2007 de in dat jaar van de BV ontvangen betaling van € 46.182 aangegeven als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking, zonder de gegevens van de BV in het daartoe bestemde vakje ‘werkgever’ in te voeren.
2.1.4.
De Inspecteur heeft de aanslag IB/PVV 2007 overeenkomstig de aangifte opgelegd, zonder daarbij de aangifte vennootschapsbelasting (hierna: Vpb) van de BV voor dat jaar te raadplegen.
2.1.5.
De aangifte Vpb 2007 van de BV gaf aan het einde van dat jaar als waarde van de stamrechtverplichting aan € 691.773, hetgeen een afname van € 227.967 inhield ten opzichte van de waarde einde 2006. Deze afname werd niet tot de fiscale winst gerekend, maar rechtstreeks ten gunste van het eigen vermogen geboekt.
2.1.6.
De Inspecteur heeft bij de onderhavige navorderingsaanslag het inkomen uit werk en woning van belanghebbende verhoogd met € 767.198, zijnde de waarde van de stamrechtaanspraak die hij met toepassing van artikel 3.82 van de Wet IB 2001 in samenhang met artikel 19b van de Wet LB tot het loon heeft gerekend.
2.1.7.
Voor het Hof was, voor zover hier van belang, in geschil of de Inspecteur beschikt over een de navordering rechtvaardigend nieuw feit.
2.2.1.
Het Hof heeft geoordeeld dat indien de Inspecteur bij het vaststellen van de aanslag IB/PVV 2007 kennis had genomen van de aangifte Vpb 2007 van de BV, het voor hem direct waarneembaar zou zijn geweest dat de stamrechtverplichting in dat jaar met een bedrag van € 227.967 was gedaald, welke afname niet in de winst van de BV over het jaar 2007 tot uitdrukking kwam. Deze afname van aanzienlijke omvang had volgens het Hof voor de Inspecteur bij het vaststellen van de aanslag Vpb 2007 van de BV aanleiding moeten vormen onderzoek te doen naar de oorzaak daarvan. Daarbij waren het onzuiver worden van de aanspraak en het prijsgeven van de rechten uit de stamrechtverplichting aan de orde gekomen, aldus het Hof. De Inspecteur heeft bij het vaststellen van de aanslag Vpb 2007 niet zo gehandeld. Bij het vaststellen van de aanslag IB/PVV 2007 heeft de Inspecteur de aangifte noch de aanslag Vpb 2007 geraadpleegd.
2.2.2.
Op die gronden heeft het Hof geoordeeld dat de Inspecteur alvorens de aanslag IB/PVV 2007 op te leggen nader onderzoek had moeten verrichten. Daaraan heeft het Hof de conclusie verbonden dat de Inspecteur een ambtelijk verzuim heeft begaan. Op die grond heeft het Hof de navorderingsaanslag vernietigd. Het middel komt tegen deze oordelen op met rechts- en motiveringsklachten.
2.3.
Bij de beoordeling van het middel wordt vooropgesteld dat de inspecteur bij het regelen van een aanslag IB/PVV in het algemeen kan volstaan met het raadplegen van het (digitale) dossier dat de aangiften en andere gegevens bevat met betrekking tot de heffing van IB/PVV van de desbetreffende belastingplichtige. Met name bestaat voor de inspecteur niet de verplichting tot het raadplegen van (digitale) dossiers die zijn aangelegd voor andere belastingplichtigen of andere belastingen, ook al zouden daarin mogelijkerwijs gegevens kunnen worden aangetroffen die voor het regelen van de bedoelde aanslag in de IB/PVV van belang zijn. De inspecteur is slechts dan tot een onderzoek buiten het eerstbedoelde (digitale) dossier gehouden, indien de daarin aanwezige gegevens daartoe redelijkerwijs aanleiding geven (vgl. HR 6 juni 2001, nr. 36306, ECLI:NL:HR:2001:AB2890, BNB 2001/397, en HR 12 juni 2015, nr. 14/04015, ECLI:NL:HR:2015:1515, BNB 2015/166).
2.4.
Het Hof heeft hetgeen hiervoor onder 2.3 is overwogen miskend. Het middel slaagt en ’s Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. De stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat de gegevens uit het (digitale) dossier IB/PVV van belanghebbende de Inspecteur geen aanleiding behoefden te geven het (digitale) dossier Vpb van de BV te raadplegen. Van een ambtelijk verzuim is daarom geen sprake. Verwijzing moet volgen ter behandeling van de geschilpunten waaraan het Hof niet is toegekomen.
3Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof en van het geding voor de Rechtbank een vergoeding dient te worden toegekend.
4Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, en
verwijst het geding naar het Gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra en Th. Groeneveld, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2017.
nr. 16/01006
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 20 januari 2016, nr. BK-14/01622, op het hoger beroep van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. AWB 14/3069) betreffende de aan belanghebbende over het jaar 2007 opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV). De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
De Staatssecretaris heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
De Staatssecretaris heeft een conclusie van repliek ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van dupliek ingediend.
2Beoordeling van het middel
2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende, geboren [in] 1942, heeft in 1991 een ontslagvergoeding gekregen in de vorm van een stamrecht als bedoeld in artikel 32 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 in samenhang met artikel 11, lid 1, letter g, van de Wet op de loonbelasting 1964 (tekst 2007; hierna: Wet LB). Het stamrecht is ondergebracht in [B] B.V. (hierna: de BV), van welke vennootschap belanghebbende enig aandeelhouder was.
2.1.2.
De BV heeft in de periode 1994 – 2013 als loon aangeduide betalingen gedaan aan belanghebbende. Deze betalingen zijn tot en met het jaar 2008 ten laste van de winst van de BV gebracht.
2.1.3.
Belanghebbende heeft in zijn aangifte IB/PVV 2007 de in dat jaar van de BV ontvangen betaling van € 46.182 aangegeven als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking, zonder de gegevens van de BV in het daartoe bestemde vakje ‘werkgever’ in te voeren.
2.1.4.
De Inspecteur heeft de aanslag IB/PVV 2007 overeenkomstig de aangifte opgelegd, zonder daarbij de aangifte vennootschapsbelasting (hierna: Vpb) van de BV voor dat jaar te raadplegen.
2.1.5.
De aangifte Vpb 2007 van de BV gaf aan het einde van dat jaar als waarde van de stamrechtverplichting aan € 691.773, hetgeen een afname van € 227.967 inhield ten opzichte van de waarde einde 2006. Deze afname werd niet tot de fiscale winst gerekend, maar rechtstreeks ten gunste van het eigen vermogen geboekt.
2.1.6.
De Inspecteur heeft bij de onderhavige navorderingsaanslag het inkomen uit werk en woning van belanghebbende verhoogd met € 767.198, zijnde de waarde van de stamrechtaanspraak die hij met toepassing van artikel 3.82 van de Wet IB 2001 in samenhang met artikel 19b van de Wet LB tot het loon heeft gerekend.
2.1.7.
Voor het Hof was, voor zover hier van belang, in geschil of de Inspecteur beschikt over een de navordering rechtvaardigend nieuw feit.
2.2.1.
Het Hof heeft geoordeeld dat indien de Inspecteur bij het vaststellen van de aanslag IB/PVV 2007 kennis had genomen van de aangifte Vpb 2007 van de BV, het voor hem direct waarneembaar zou zijn geweest dat de stamrechtverplichting in dat jaar met een bedrag van € 227.967 was gedaald, welke afname niet in de winst van de BV over het jaar 2007 tot uitdrukking kwam. Deze afname van aanzienlijke omvang had volgens het Hof voor de Inspecteur bij het vaststellen van de aanslag Vpb 2007 van de BV aanleiding moeten vormen onderzoek te doen naar de oorzaak daarvan. Daarbij waren het onzuiver worden van de aanspraak en het prijsgeven van de rechten uit de stamrechtverplichting aan de orde gekomen, aldus het Hof. De Inspecteur heeft bij het vaststellen van de aanslag Vpb 2007 niet zo gehandeld. Bij het vaststellen van de aanslag IB/PVV 2007 heeft de Inspecteur de aangifte noch de aanslag Vpb 2007 geraadpleegd.
2.2.2.
Op die gronden heeft het Hof geoordeeld dat de Inspecteur alvorens de aanslag IB/PVV 2007 op te leggen nader onderzoek had moeten verrichten. Daaraan heeft het Hof de conclusie verbonden dat de Inspecteur een ambtelijk verzuim heeft begaan. Op die grond heeft het Hof de navorderingsaanslag vernietigd. Het middel komt tegen deze oordelen op met rechts- en motiveringsklachten.
2.3.
Bij de beoordeling van het middel wordt vooropgesteld dat de inspecteur bij het regelen van een aanslag IB/PVV in het algemeen kan volstaan met het raadplegen van het (digitale) dossier dat de aangiften en andere gegevens bevat met betrekking tot de heffing van IB/PVV van de desbetreffende belastingplichtige. Met name bestaat voor de inspecteur niet de verplichting tot het raadplegen van (digitale) dossiers die zijn aangelegd voor andere belastingplichtigen of andere belastingen, ook al zouden daarin mogelijkerwijs gegevens kunnen worden aangetroffen die voor het regelen van de bedoelde aanslag in de IB/PVV van belang zijn. De inspecteur is slechts dan tot een onderzoek buiten het eerstbedoelde (digitale) dossier gehouden, indien de daarin aanwezige gegevens daartoe redelijkerwijs aanleiding geven (vgl. HR 6 juni 2001, nr. 36306, ECLI:NL:HR:2001:AB2890, BNB 2001/397, en HR 12 juni 2015, nr. 14/04015, ECLI:NL:HR:2015:1515, BNB 2015/166).
2.4.
Het Hof heeft hetgeen hiervoor onder 2.3 is overwogen miskend. Het middel slaagt en ’s Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. De stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat de gegevens uit het (digitale) dossier IB/PVV van belanghebbende de Inspecteur geen aanleiding behoefden te geven het (digitale) dossier Vpb van de BV te raadplegen. Van een ambtelijk verzuim is daarom geen sprake. Verwijzing moet volgen ter behandeling van de geschilpunten waaraan het Hof niet is toegekomen.
3Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof en van het geding voor de Rechtbank een vergoeding dient te worden toegekend.
4Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, en
verwijst het geding naar het Gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra en Th. Groeneveld, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2017.