Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2015:1515
2015-06-12
Bestuursrecht; Belastingrecht
14/04015
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2015:1515 → ECLI:NL:GHARL:2014:5312 bekrachtiging/bevestiging
Inhoudsindicatie
Inkomstenbelasting; artikel 16, lid 1, AWR; nieuw feit. Ook na de reorganisatie van de Belastingdienst per 1 januari 2003 hoeft de Inspecteur bij het opleggen van een aanslag IB/PVV in het algemeen niet akten te raadplegen die niet in het dossier aanwezig zijn.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (71)
- ECLI:NL:RBZWB:2026:6362 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 13-07-2026
- ECLI:NL:GHSHE:2026:1525 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 10-06-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:188 Parket bij de Hoge Raad 20-02-2026
- ECLI:NL:GHSHE:2025:3548 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 10-12-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:2909 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 22-10-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:2588 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 24-09-2025
- ECLI:NL:GHAMS:2024:3391 Gerechtshof Amsterdam 19-11-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:2117 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 28-06-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:567 Gerechtshof Den Haag 09-04-2024
- ECLI:NL:RBGEL:2024:604 Rechtbank Gelderland 01-02-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:40 Parket bij de Hoge Raad 12-01-2024
- ECLI:NL:HR:2023:1508 Hoge Raad 03-11-2023
- ECLI:NL:HR:2023:1343 Hoge Raad 27-10-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:7180 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 16-10-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:9564 Rechtbank Den Haag 22-06-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:9567 Rechtbank Den Haag 22-06-2023
- ECLI:NL:RBNNE:2023:953 Rechtbank Noord-Nederland 09-03-2023
- ECLI:NL:RBNHO:2023:1373 Rechtbank Noord-Holland 31-01-2023
- ECLI:NL:GHARL:2022:7920 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 13-09-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2022:2941 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 11-08-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2022:2941 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 11-08-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:2325 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 28-04-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:380 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 31-01-2022
- ECLI:NL:RBGEL:2022:266 Rechtbank Gelderland 24-01-2022
- ECLI:NL:GHAMS:2021:4102 Gerechtshof Amsterdam 03-11-2021
- ECLI:NL:RBNNE:2021:3158 Rechtbank Noord-Nederland 22-07-2021
- ECLI:NL:GHSHE:2021:1678 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 03-06-2021
- ECLI:NL:GHAMS:2021:1319 Gerechtshof Amsterdam 11-05-2021
- ECLI:NL:GHAMS:2021:1318 Gerechtshof Amsterdam 11-05-2021
- ECLI:NL:GHDHA:2021:800 Gerechtshof Den Haag 28-04-2021
- ECLI:NL:GHDHA:2021:800 Gerechtshof Den Haag 28-04-2021
- ECLI:NL:RBZWB:2021:4609 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 26-03-2021
- ECLI:NL:GHARL:2020:10815 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 29-12-2020
- ECLI:NL:GHDHA:2020:2731 Gerechtshof Den Haag 01-12-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:715 Parket bij de Hoge Raad 18-08-2020
- ECLI:NL:GHAMS:2020:1423 Gerechtshof Amsterdam 02-06-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:4095 Rechtbank Den Haag 22-04-2020
- ECLI:NL:GHARL:2019:10581 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 10-12-2019
- ECLI:NL:GHDHA:2019:3038 Gerechtshof Den Haag 12-11-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:707 Parket bij de Hoge Raad 26-06-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:707 Parket bij de Hoge Raad 26-06-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:707 Parket bij de Hoge Raad 26-06-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:708 Parket bij de Hoge Raad 26-06-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:708 Parket bij de Hoge Raad 26-06-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:708 Parket bij de Hoge Raad 26-06-2019
- ECLI:NL:GHARL:2019:3857 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 30-04-2019
- ECLI:NL:GHDHA:2019:684 Gerechtshof Den Haag 27-03-2019
- ECLI:NL:GHSHE:2019:961 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 08-03-2019
- ECLI:NL:GHAMS:2019:517 Gerechtshof Amsterdam 22-01-2019
- ECLI:NL:GHAMS:2018:4913 Gerechtshof Amsterdam 20-12-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:1374 Parket bij de Hoge Raad 13-12-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:1374 Parket bij de Hoge Raad 13-12-2018
- ECLI:NL:GHDHA:2018:3077 Gerechtshof Den Haag 07-11-2018
- ECLI:NL:GHDHA:2018:3077 Gerechtshof Den Haag 07-11-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:1215 Parket bij de Hoge Raad 30-10-2018
- ECLI:NL:GHDHA:2018:2025 Gerechtshof Den Haag 07-08-2018
- ECLI:NL:GHDHA:2018:2026 Gerechtshof Den Haag 07-08-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:180 Parket bij de Hoge Raad 20-02-2018
- ECLI:NL:RBNHO:2018:132 Rechtbank Noord-Holland 12-01-2018
- ECLI:NL:RBZWB:2017:8623 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 21-12-2017
Volledige tekst
Volledige tekst (5.919 tekens)
12 juni 2015
nr. 14/04015
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 1 juli 2014, nr. 12/00506, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Arnhem (nr. AWB 11/385) betreffende een aan belanghebbende over het jaar 2001 opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
2Beoordeling van de middelen
2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende en zijn zuster hebben op 11 december 1996 een vennootschap onder firma (hierna: de VOF) opgericht, met als doel de exploitatie van en handel in onroerende goederen in de ruimste zin van het woord. Zij hebben hun vader gemachtigd om zowel namens de VOF als namens hen beiden in privé in rechte op te treden.
2.1.2.
De vader van belanghebbende heeft op 11 november 1996 een bouwterrein gekocht op het transportcentrum [L] te [T]. Verkoper heeft de factuur op 31 januari 1997 uitgereikt aan de VOF. Het bouwterrein is op 7 februari 1997 aan de VOF geleverd.
2.1.3.
De VOF heeft het hiervoor in 2.1.2 bedoelde terrein, blijkens twee akten van levering van 12 april 2001, verkocht.
2.1.4.
Ter zake van de hiervoor in 2.1.3 bedoelde verkoop heeft belanghebbende niets opgenomen in zijn aangifte voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) voor 2001.
2.2.1.
Tussen partijen was – voor zover hier van belang – in geschil of de Inspecteur bij het opleggen van de onderhavige navorderingsaanslag beschikte over een feit dat hem niet eerder bekend was of kon zijn.
2.2.2.
Het Hof heeft de hiervoor in 2.2.1 omschreven vraag, onder verwijzing naar onder meer het arrest van de Hoge Raad van 12 april 1989, nr. 25719, BNB 1989/232, bevestigend beantwoord.
2.3.1.
Middel II bestrijdt het hiervoor in 2.2.2 weergegeven oordeel van het Hof. Het middel voert daartoe aan dat de Inspecteur de aangifte had moeten vergelijken met de gegevens die in het dossier van belanghebbende aanwezig waren dan wel aanwezig hadden moeten zijn. Het middel voert voorts aan dat de hiervoor in 2.1.3 bedoelde akten waren gedeponeerd bij de afdeling Registratie en Successie van de eenheid van de Inspecteur (hierna: de afdeling R&S), zodat deze, sinds de reorganisatie van de Belastingdienst per 1 januari 2003, tot het dossier van de Inspecteur behoorden of hadden moeten behoren.
2.3.2.
Bij de beoordeling van het middel wordt vooropgesteld dat de inspecteur bij het regelen van een aanslag in de IB/PVV van een belastingplichtige in het algemeen kan volstaan met het raadplegen van het dossier bevattende de aangiften en andere gegevens voor de IB/PVV van die belastingplichtige, dat met name voor de inspecteur niet de verplichting bestaat tot het raadplegen van al dan niet op zijn eenheid aanwezige dossiers die zijn aangelegd voor andere belastingplichtigen of andere belastingen, ook al zouden daarin mogelijkerwijs gegevens kunnen worden aangetroffen die voor het regelen van de bedoelde aanslag in de IB/PVV van belang zijn, en dat de inspecteur slechts dan tot een onderzoek buiten het bedoelde dossier is gehouden, indien de daarin aanwezige gegevens daartoe redelijkerwijs aanleiding geven (zie HR 21 april 1971, nr. 16535, BNB 1971/158). Voorts gaat het te ver in het algemeen de eis te stellen dat bij de regeling van de aanslag in de IB/PVV voor een bepaald jaar steeds, ook als daartoe geen bijzondere aanleiding bestaat, reeds op de eenheid aanwezige akten betreffende levering van onroerende zaken in het dossier voor de IB/PVV van de desbetreffende belastingplichtige aanwezig moeten zijn (vgl. HR 29 april 1987, nr. 24542, BNB 1987/236).
‘s Hofs uitspraak en de stukken van het geding bevatten geen aanwijzingen dat sprake is van een bijzondere aanleiding als zojuist bedoeld om de bij de afdeling R&S geregistreerde akten in het dossier te voegen, zodat hetgeen hiervoor is overwogen meebrengt dat ’s Hofs oordeel juist is. De onderzoeksplicht van de Inspecteur bij het opleggen van een aanslag IB/PVV gaat dan – zoals het Hof terecht heeft overwogen – niet zover dat hij ook akten, die in 2001 in het kader van de heffing van overdrachtsbelasting zijn geregistreerd bij de afdeling R&S en die niet in het dossier IB/PVV van belanghebbende zijn opgenomen, dient te raadplegen. De reorganisatie van de Belastingdienst per 1 januari 2003 heeft daarin geen verandering gebracht.
Middel II faalt derhalve.
2.4.
Middel I kan evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
4Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2015.
nr. 14/04015
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 1 juli 2014, nr. 12/00506, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Arnhem (nr. AWB 11/385) betreffende een aan belanghebbende over het jaar 2001 opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
2Beoordeling van de middelen
2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende en zijn zuster hebben op 11 december 1996 een vennootschap onder firma (hierna: de VOF) opgericht, met als doel de exploitatie van en handel in onroerende goederen in de ruimste zin van het woord. Zij hebben hun vader gemachtigd om zowel namens de VOF als namens hen beiden in privé in rechte op te treden.
2.1.2.
De vader van belanghebbende heeft op 11 november 1996 een bouwterrein gekocht op het transportcentrum [L] te [T]. Verkoper heeft de factuur op 31 januari 1997 uitgereikt aan de VOF. Het bouwterrein is op 7 februari 1997 aan de VOF geleverd.
2.1.3.
De VOF heeft het hiervoor in 2.1.2 bedoelde terrein, blijkens twee akten van levering van 12 april 2001, verkocht.
2.1.4.
Ter zake van de hiervoor in 2.1.3 bedoelde verkoop heeft belanghebbende niets opgenomen in zijn aangifte voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) voor 2001.
2.2.1.
Tussen partijen was – voor zover hier van belang – in geschil of de Inspecteur bij het opleggen van de onderhavige navorderingsaanslag beschikte over een feit dat hem niet eerder bekend was of kon zijn.
2.2.2.
Het Hof heeft de hiervoor in 2.2.1 omschreven vraag, onder verwijzing naar onder meer het arrest van de Hoge Raad van 12 april 1989, nr. 25719, BNB 1989/232, bevestigend beantwoord.
2.3.1.
Middel II bestrijdt het hiervoor in 2.2.2 weergegeven oordeel van het Hof. Het middel voert daartoe aan dat de Inspecteur de aangifte had moeten vergelijken met de gegevens die in het dossier van belanghebbende aanwezig waren dan wel aanwezig hadden moeten zijn. Het middel voert voorts aan dat de hiervoor in 2.1.3 bedoelde akten waren gedeponeerd bij de afdeling Registratie en Successie van de eenheid van de Inspecteur (hierna: de afdeling R&S), zodat deze, sinds de reorganisatie van de Belastingdienst per 1 januari 2003, tot het dossier van de Inspecteur behoorden of hadden moeten behoren.
2.3.2.
Bij de beoordeling van het middel wordt vooropgesteld dat de inspecteur bij het regelen van een aanslag in de IB/PVV van een belastingplichtige in het algemeen kan volstaan met het raadplegen van het dossier bevattende de aangiften en andere gegevens voor de IB/PVV van die belastingplichtige, dat met name voor de inspecteur niet de verplichting bestaat tot het raadplegen van al dan niet op zijn eenheid aanwezige dossiers die zijn aangelegd voor andere belastingplichtigen of andere belastingen, ook al zouden daarin mogelijkerwijs gegevens kunnen worden aangetroffen die voor het regelen van de bedoelde aanslag in de IB/PVV van belang zijn, en dat de inspecteur slechts dan tot een onderzoek buiten het bedoelde dossier is gehouden, indien de daarin aanwezige gegevens daartoe redelijkerwijs aanleiding geven (zie HR 21 april 1971, nr. 16535, BNB 1971/158). Voorts gaat het te ver in het algemeen de eis te stellen dat bij de regeling van de aanslag in de IB/PVV voor een bepaald jaar steeds, ook als daartoe geen bijzondere aanleiding bestaat, reeds op de eenheid aanwezige akten betreffende levering van onroerende zaken in het dossier voor de IB/PVV van de desbetreffende belastingplichtige aanwezig moeten zijn (vgl. HR 29 april 1987, nr. 24542, BNB 1987/236).
‘s Hofs uitspraak en de stukken van het geding bevatten geen aanwijzingen dat sprake is van een bijzondere aanleiding als zojuist bedoeld om de bij de afdeling R&S geregistreerde akten in het dossier te voegen, zodat hetgeen hiervoor is overwogen meebrengt dat ’s Hofs oordeel juist is. De onderzoeksplicht van de Inspecteur bij het opleggen van een aanslag IB/PVV gaat dan – zoals het Hof terecht heeft overwogen – niet zover dat hij ook akten, die in 2001 in het kader van de heffing van overdrachtsbelasting zijn geregistreerd bij de afdeling R&S en die niet in het dossier IB/PVV van belanghebbende zijn opgenomen, dient te raadplegen. De reorganisatie van de Belastingdienst per 1 januari 2003 heeft daarin geen verandering gebracht.
Middel II faalt derhalve.
2.4.
Middel I kan evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
4Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2015.