Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Hoge Raad

ECLI:NL:HR:2017:225

2017-02-14 Strafrecht 14/05197
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
2017-02-14
Publicatiedatum
2017-02-15
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Cassatie
Zaaknummer
14/05197
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | RvdW 2017/278 | NJ 2017/106 | SR-Updates.nl 2017-0118 | NbSr 2017/87

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

In strijd met wettelijke verplichting opzettelijk nalaten tijdig benodigde gegevens te verstrekken door eigendom garagebox niet door te geven aan uitkeringsinstantie, terwijl verdachte wist dat deze gegevens van belang waren voor zijn recht op uitkering. Art. 227b Sr en art. 17.1 Wet Werk en bijstand. Zijn de kadastrale gegevens i.c. authentiek aangemerkte gegevens? Aan het middel ligt de opvatting ten grondslag dat de inlichtingenverplichting ex art. 17, eerste lid, WWB, niet van toepassing is op de onderhavige kadastrale gegevens aangezien deze - op grond van bij wettelijk voorschrift - als authentiek aangemerkte gegevens hebben te gelden als bedoeld in art. 17, eerste lid tweede volzin, WWB. Die opvatting is onjuist reeds omdat de minsteriele regeling, genoemd in art. 17, eerste lid laatste volzin, WWB, ten tijde van het bewezenverklaarde nog niet was vastgesteld.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (6.934 tekens)
14 februari 2017
Strafkamer
nr. S 14/05197
ABO/KD


Hoge Raad der Nederlanden



Arrest



op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 19 juni 2014, nummer 20/000651-13, in de strafzaak tegen:




[verdachte]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971.





1Geding in cassatie


Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft M.J.N. Vermeij, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest voor zover het de opgelegde straf betreft, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.





2Beoordeling van het tweede middel


2.1.
Het middel klaagt onder meer dat het bewezenverklaarde geen strafbaar feit oplevert, gezien het bepaalde in art. 17, eerste lid tweede volzin, Wet werk en bijstand (hierna: WWB).


2.2.1.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
"hij op tijdstippen in de periode van 18 oktober 2005 tot en met 21 december 2010 te Eindhoven, in strijd met zijn bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten de in artikel 17 lid 1 juncto artikel 11 lid 1 van de Wet Werk en Bijstand (WWB) opgelegde verplichting, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken aan het Centrum voor Werk en Inkomen (CWI) en/of de gemeente Eindhoven, zulks terwijl hij, verdachte, wist dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes recht op een verstrekking, immers heeft hij opzettelijk nagelaten aan het Centrum voor Werk en Inkomen (CWI) en/of de gemeente Eindhoven, te melden dat hij vermogen, in de vorm van onroerend goed (te weten een berging-stalling en/of garage-schuur met de kadastrale aanduiding [adres]) op naam heeft sinds 17 mei 2002 terwijl het feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf."




2.2.2.

Het bestreden arrest houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
"In aanmerking genomen het vorenstaande stelt het hof op grond van het dossier alsmede het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep het volgende vast:
- de verdachte heeft blijkens een uitdraai van het Kadaster d.d. 14 juli 2011 sinds 17 mei 2002 een garagebox in eigendom met de kadastrale aanduiding: [adres] met de omschrijving berging-stalling (garage-schuur) op de locatie [a-straat] te Eindhoven;
- de verdachte ontving in de periode van 18 oktober 2005 tot en met 21 december 2010 een uitkering krachtens de Wet Werk en Bijstand;
- gedurende welke periode verdachte telkens op de aan hem verstrekte inlichtingenformulieren heeft nagelaten te melden dat hij sinds 17 mei 2002 vermogen, in de vorm van een onroerende zaak, te weten een garagebox, op zijn naam had staan;
- terwijl de verdachte wist dat deze gegevens van belang waren voor de verstrekking van zijn uitkering dan wel de hoogte daarvan, zoals hij op 28 september 2011 ten overstaan van rechercheurs van de SIOD heeft verklaard (pagina 36 van het dossier)."





2.3.

Art. 17, eerste lid, WWB luidde tot en met 31 december 2007:
"De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand."



Sinds 1 januari 2008 luidt art. 17, eerste lid, WWB:
"De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het college kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is."




2.4.
Aan het middel ligt de opvatting ten grondslag dat de inlichtingenverplichting van art. 17, eerste lid eerste volzin, WWB niet van toepassing is op de onderhavige kadastrale gegevens aangezien deze op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens hebben te gelden, als bedoeld in de tweede volzin van dit artikellid. Die opvatting is onjuist, reeds omdat de ministeriële regeling, genoemd in de laatste volzin van dit artikellid, ten tijde van het bewezenverklaarde niet was vastgesteld. Derhalve was de op de verdachte rustende inlichtingenverplichting onverkort van toepassing.



2.5.
Uit het vorenoverwogene volgt dat het middel in zoverre faalt.





3Beoordeling van het eerste middel


3.1.
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.



3.2.
Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Gelet op de aan de verdachte opgelegde taakstraf van zestig uren, subsidiair dertig dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.





4Beoordeling van de middelen voor het overige


De middelen kunnen ook voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.





5Beslissing


De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren E.F. Faase en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 februari 2017.