Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2017:1033
2017-05-30
Strafrecht
16/01651
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2017:1033 → ECLI:NL:PHR:2017:403 gevolgd
Inhoudsindicatie
Profijtontneming, w.v.v. uit verkoop cocaïne. Hof heeft verzuimd het in de strafzaak verbeurd verklaarde geldbedrag in mindering te brengen op de opgelegde betalingsverplichting, art. 33a.1.a Sr. HR: Op de gronden die zijn vermeld in de CAG is het middel terecht voorgesteld (vgl. ECLI:NL:HR:2016:874). CAG: Door de v.v. bij onherroepelijk geworden strafvonnis van het aan betrokkene toebehorende en door hem d.m.v. de verkoop van cocaïne verkregen geldbedrag van € 2.290,60,- is dit w.v.v. reeds aan betrokkene ontnomen. Hof had het in strafzaak verbeurdverklaarde geldbedrag in mindering moeten brengen op de aan betrokkene opgelegde betalingsverplichting. HR doet de zaak om redenen van doelmatigheid zelf af.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2016:874 Hoge Raad 17-05-2016
Geciteerd door (22)
- ECLI:NL:RBNHO:2026:7277 Rechtbank Noord-Holland 09-06-2026
- ECLI:NL:RBAMS:2024:7284 Rechtbank Amsterdam 27-11-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:1335 Parket bij de Hoge Raad 09-07-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:1335 Parket bij de Hoge Raad 09-07-2024
- ECLI:NL:PHR:2023:1232 Parket bij de Hoge Raad 19-12-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:975 Parket bij de Hoge Raad 31-10-2023
- ECLI:NL:PHR:2022:1060 Parket bij de Hoge Raad 15-11-2022
- ECLI:NL:RBNNE:2022:3675 Rechtbank Noord-Nederland 30-09-2022
- ECLI:NL:RBNNE:2022:3674 Rechtbank Noord-Nederland 30-09-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:324 Parket bij de Hoge Raad 05-04-2022
- ECLI:NL:RBAMS:2021:7285 Rechtbank Amsterdam 13-12-2021
- ECLI:NL:PHR:2020:521 Parket bij de Hoge Raad 26-05-2020
- ECLI:NL:PHR:2019:647 Parket bij de Hoge Raad 18-06-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:358 Parket bij de Hoge Raad 19-02-2019
- ECLI:NL:PHR:2018:1306 Parket bij de Hoge Raad 20-11-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:1451 Parket bij de Hoge Raad 20-11-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:1245 Parket bij de Hoge Raad 06-11-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:1245 Parket bij de Hoge Raad 06-11-2018
- ECLI:NL:RBNNE:2018:3620 Rechtbank Noord-Nederland 11-09-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:1058 Parket bij de Hoge Raad 15-05-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:1058 Parket bij de Hoge Raad 15-05-2018
- ECLI:NL:GHDHA:2018:1004 Gerechtshof Den Haag 10-04-2018
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (3.679 tekens)
30 mei 2017
Strafkamer
nr. S 16/01651 P
DAZ/AKA
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 1 juni 2015, nummer 20/000282-14, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:
[verdachte]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989.
1Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak voor zover het Hof daarbij heeft verzuimd het verbeurdverklaarde geldbedrag van € 2.290,60 in mindering te brengen op de aan de betrokkene opgelegde betalingsverplichting, tot herstel van dit verzuim en tot vernietiging van de bestreden uitspraak wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase, tot vermindering van de hoogte daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2Beoordeling van het eerste middel
2.1.
Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, het inbeslaggenomen en verbeurdverklaarde geldbedrag van € 2.290,60 niet in mindering heeft gebracht op de aan de betrokkene opgelegde betalingsverplichting.
2.2.
Op de gronden die zijn vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4 tot en met 6 is het middel terecht voorgesteld (vgl. HR 17 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:874, NJ 2016/283, rov. 2.4).
2.3.
De Hoge Raad zal om redenen van doelmatigheid zelf de zaak afdoen door de door het Hof vastgestelde betalingsverplichting te verminderen met het verbeurdverklaarde geldbedrag van € 2.290,60. Uitgaande van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € 15.465,- zal worden bepaald dat de aan de betrokkene opgelegde verplichting tot betaling aan de staat een bedrag van € 13.174,40 bedraagt.
3Beoordeling van het tweede middel
3.1.
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
3.2.
Het middel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de hiervoor onder 2.3 vermelde aan de betrokkene op te leggen betalingsverplichting.
4Slotsom
Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
5Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
vermindert het te betalen bedrag in die zin dat de hoogte daarvan € 12.515,68 bedraagt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 mei 2017.
Strafkamer
nr. S 16/01651 P
DAZ/AKA
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 1 juni 2015, nummer 20/000282-14, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:
[verdachte]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989.
1Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak voor zover het Hof daarbij heeft verzuimd het verbeurdverklaarde geldbedrag van € 2.290,60 in mindering te brengen op de aan de betrokkene opgelegde betalingsverplichting, tot herstel van dit verzuim en tot vernietiging van de bestreden uitspraak wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase, tot vermindering van de hoogte daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2Beoordeling van het eerste middel
2.1.
Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, het inbeslaggenomen en verbeurdverklaarde geldbedrag van € 2.290,60 niet in mindering heeft gebracht op de aan de betrokkene opgelegde betalingsverplichting.
2.2.
Op de gronden die zijn vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4 tot en met 6 is het middel terecht voorgesteld (vgl. HR 17 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:874, NJ 2016/283, rov. 2.4).
2.3.
De Hoge Raad zal om redenen van doelmatigheid zelf de zaak afdoen door de door het Hof vastgestelde betalingsverplichting te verminderen met het verbeurdverklaarde geldbedrag van € 2.290,60. Uitgaande van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € 15.465,- zal worden bepaald dat de aan de betrokkene opgelegde verplichting tot betaling aan de staat een bedrag van € 13.174,40 bedraagt.
3Beoordeling van het tweede middel
3.1.
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
3.2.
Het middel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de hiervoor onder 2.3 vermelde aan de betrokkene op te leggen betalingsverplichting.
4Slotsom
Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
5Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
vermindert het te betalen bedrag in die zin dat de hoogte daarvan € 12.515,68 bedraagt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 mei 2017.