Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Noord-Holland

ECLI:NL:RBNHO:2026:7277

2026-06-09 Strafrecht 15/043264-23 (ontneming)
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Uitspraakdatum
2026-06-09
Publicatiedatum
2026-06-18
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
15/043264-23 (ontneming)
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit drugshandel. Het in de strafzaak verbeurdverklaarde geld wordt in mindering gebracht op de betalingsverplichting.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (17.418 tekens)
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Haarlemmermeer
Meervoudige strafkamer


Parketnummer: 15/043264-23 (ontneming) (P)
Uitspraakdatum : 9 juni 2026




Vonnis als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht




Deze beslissing heeft betrekking op de vordering van de officier van justitie van 10 maart 2026 ten aanzien van de feiten in de zaak onder bovenstaand parketnummer, strekkende tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht (Sr) in de zaak tegen:





[veroordeelde]
,
geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres].
(hierna: de veroordeelde)





1De vordering


De officier van justitie heeft bij vordering van 10 maart 2026 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag als bedoeld in artikel 36e, lid 5 Sr zal vaststellen en dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, welk voordeel door de officier van justitie voorlopig werd geschat op € 53.343,00.



De officier van justitie baseert de vordering op de strafbare feiten waarvoor de veroordeelde is opgeroepen om op 13 april 2026, 14 april 2026, 15 april 2026 en 16 april 2026 te verschijnen voor de meervoudige strafkamer in deze rechtbank en op andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan en aannemelijk is dat deze feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.





2Het verloop van de procedure


De officier van justitie heeft bovengenoemde vordering aanhangig gemaakt met de oproeping van de veroordeelde om te verschijnen op de terechtzittingen van deze rechtbank op 13 april 2026, 14 april 2026, 15 april 2026 en 16 april 2026.



Het onderzoek in de ontnemingszaak en de daarmee samenhangende strafzaak heeft gelijktijdig plaatsgevonden op de hiervoor genoemde zittingsdata. Daarbij zijn gehoord de veroordeelde, zijn advocaat mr. H. Raza, advocaat te Rotterdam (hierna: de verdediging) en de officieren van justitie mr. C.J. Booij en A. van den Driest (hierna elk afzonderlijk, dan wel gezamenlijk aangeduid als: de officier van justitie).
Vervolgens is op de zitting van 26 mei 2026 het onderzoek gesloten en is de uitspraak bepaald op 9 juni 2026.





3Het standpunt van de officier van justitie


De officier van justitie heeft ter terechtzitting de vordering voorgedragen en naar beneden bijgesteld tot een bedrag van € 6.069,50.



De officier van justitie gaat er daarbij van uit dat de bijschrijvingen op de bankrekening van de veroordeelde die in de ontnemingsrapportage zijn opgenomen op de zogenoemde lijst A en lijst B verdiensten uit de drugshandel betreffen. Deze verdiensten bedragen opgeteld (€ 7.739,00 + € 4.400,00 =) € 12.139,00.
De officier van justitie volgt de veroordeelde in zijn verklaring dat voor elk ontvangen bedrag de helft aan kosten is gemaakt, zodat een wederrechtelijk verkregen voordeel resteert van (€ 12.139,00 : 2 =) € 6.069,50.
Voor het overige acht de officier van justitie onvoldoende duidelijk dat de in de ontnemingsrapportage genoemde bedragen wederrechtelijk zijn verkregen .



Het bij de veroordeelde aangetroffen contante geld ten bedrage van € 2.476,70 laat de officier van justitie buiten beschouwing, omdat de verbeurdverklaring van dit bedrag is gevorderd.





4Het standpunt van de veroordeelde


De verdediging is het in zoverre eens met de officier van justitie, dat de bijschrijvingen vermeld op lijst A, ten bedrage van in totaal € 7.739,00, zeer waarschijnlijk wederrechtelijk verkregen geldbedragen zijn. Dat geldt echter niet voor de bedragen op lijst B. Dat het om ronde bedragen gaat betekent niet dat de bedragen om die reden aan de drugshandel kunnen worden gerelateerd. Van het bedrag van € 7.739,00 moet de helft worden afgetrokken wegens (inkoop-)kosten. Op het resterende bedrag van € 3.869,50 moet het bedrag van € 2.476,70 dat verbeurd verklaard zal worden, in mindering worden gebracht. Het wederrechtelijk verkregen voordeel zou aldus op € 1.392,80 moeten worden vastgesteld.




5. De gronden voor de schatting van het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel





5.1.


Grondslag van de vordering

Gezien de stukken waarop de vordering berust, alsmede de ter zitting door de officier van justitie gegeven toelichting, stelt de rechtbank vast dat het een vordering betreft die is gebaseerd op artikel 36e, tweede lid Sr. De vordering is gebaseerd op een onderzoek waarbij als onderzoeksperiode is gehanteerd 1 januari 2018 tot en met 10 maart 2023.



Bij vonnis van heden van deze rechtbank is de veroordeelde veroordeeld voor onder meer het medeplegen van dealen in cocaïne in de periode van 1 januari 2023 tot en met 9 maart 2023 en het eenvoudig witwassen van een geldbedrag van € 2.400,00.



Op grond van artikel 36e, tweede lid, Sr kan aan de veroordeelde de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, verkregen door middel van of uit de baten van door hem gepleegde strafbaar feiten en door andere strafbare feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan.



De rechtbank is van oordeel dat de veroordeelde voordeel heeft verkregen door of uit de baten van de bewezenverklaarde strafbare feiten en daarnaast door andere strafbare feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan, als bedoeld in artikel 36e, tweede lid Sr.




5.2.


De ontnemingsrapportage

Op 15 augustus 2023 heeft verbalisant [naam verbalisant], financieel rechercheur, een rapport opgesteld betreffende het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel. Dit rapport wordt in dit vonnis aangehaald als de ontnemingsrapportage.



Bij de ontnemingsrapportage zijn diverse bijlagen gevoegd, ontleend aan het dossier met betrekking tot de onderliggende strafzaak tegen de veroordeelde. De rechtbank heeft bovendien de beschikking gehad over het volledige dossier van de strafzaak.




5.3.


De beoordeling

De rechtbank is op grond van het dossier en het veroordelend vonnis in de hoofdzaak van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit de baten van de hiervoor genoemde in de hoofdzaak bewezenverklaarde feiten, alsmede van andere strafbare feiten. Dit voordeel moet hem worden ontnomen.



De rechtbank grondt dit oordeel op de feiten en omstandigheden die in de ontnemingsrapportage en de daarbij behorende bijlagen zijn opgenomen en op het verhandelde ter terechtzitting.




Bunq bankrekening

De opsteller van de ontnemingsrapportage heeft onderzoek gedaan naar de gegevens van de bankrekening van de veroordeelde bij de Bunq bank over de periode van 18 november 2021 tot en met 22 februari 2023. Hieruit bleek dat op deze rekening bijschrijvingen plaatsvonden, zonder omschrijving, door personen die bij de politie bekend waren als druggebruikers en die in tapgesprekken naar voren kwamen als kopers van harddrugs, waarbij de veroordeelde de verkoper was. Opvallend is dat het steeds om ronde bedragen gaat, hetgeen past bij de aankoopbedragen van drugs. De verbalisant heeft deze bijschrijvingen verzameld op een lijst die wordt aangeduid als lijst A. Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat deze bijschrijvingen de opbrengst vormen van het dealen in drugs door de veroordeelde. Het totaalbedrag van de bijschrijvingen op lijst A is € 7.739,00.



Daarnaast werden op de Bunq bankrekening bijschrijvingen gezien, die het vermoeden oproepen dat het ook hier gaat om aankopen van verdovende middelen. Het betreft steeds ronde bedragen (veelal € 50,- of een veelvoud daarvan), afkomstig van een groot aantal verschillende personen, waarvan een enkele persoon bij de politie bekend is met het gebruik van drugs. Deze bijschrijvingen zijn bijeengebracht op de zogenoemde lijst B.
De veroordeelde heeft ter zitting verklaard dat hij alleen hele grammen cocaïne verkocht, voor € 50,- per gram. Een deel van de betalingen voor drugs in de onderzochte periode ging door middel van zogenaamde tikkies. Veruit het meeste ging echter contant.
De rechtbank gaat er op grond van het vorenstaande van uit dat ook de bedragen op lijst B door de veroordeelde zijn verkregen uit de handel in drugs.



De periode waarover de gegevens van de Bunq-bankrekening zijn onderzocht is langer dan de in de hoofdzaak bewezenverklaarde periode gedurende welke de veroordeelde in cocaïne heeft gehandeld. Voor zover de bijschrijvingen van lijst A, dan wel lijst B vallen binnen de ten laste gelegde periode, kunnen de bedragen worden aangemerkt als wederrechtelijk voordeel dat is verkregen uit het bewezenverklaarde feit; voor zover de bijschrijvingen daarbuiten vallen, is de rechtbank van oordeel dat dit wederrechtelijk voordeel is dat is verkregen door andere feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan.




ING bankrekening

Naast de rekening bij de Bunq bank, had de veroordeelde ook een rekening bij de ING bank. Op deze rekening vonden contante stortingen plaats en werden bedragen ontvangen via betaalverzoeken (tikkies). De herkomst van de contante stortingen is volgens de ontnemingsrapportage niet bekend geworden. De via tikkies ontvangen bedragen betroffen zowel afgeronde bedragen als niet-afgeronde bedragen. Sommige tikkies waren betaald door personen die in het strafdossier voorkomen als koper van drugs bij de veroordeelde, of die bij de politie bekend zijn als gebruiker van (hard)drugs. Andere tikkies waren betaald door personen over wie in het dossier verder niets bekend is geworden. De ontnemingsrapportage vermeldt niet of onderzoek is gedaan naar de reden van de betalingen via tikkies, bijvoorbeeld door naar de omschrijvingen van de tikkies te kijken. De rechtbank is dan ook, met de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat de ontnemingsrapportage met betrekking tot de ontvangen bedragen op de ING-bankrekening onvoldoende duidelijk en gespecificeerd is. De rechtbank kan niet vaststellen dat deze bedragen wederrechtelijk verkregen voordeel betreffen.




Contant geld

Tot slot is bij de doorzoeking van de woning van de veroordeelde op 10 maart 2023 een geldbedrag aangetroffen en in beslag genomen van € 2.476,70. De veroordeelde heeft bekend dat dit geld afkomstig was van eigen misdrijf, te weten de handel in cocaïne. Dit geld betreft dus wederrechtelijk voordeel dat de veroordeelde heeft verkregen uit het bewezenverklaarde feit.




Berekening van het bruto wederrechtelijk verkregen voordeel

De rechtbank komt aldus tot de volgende berekening van het bruto wederrechtelijk verkregen voordeel:




Bijschrijvingen lijst A € 7.739,00
Bijschrijvingen lijst B € 4.400,00
Contant geld € 2.476,70

Totaal € 14.615,70





Aftrekbare kosten

De veroordeelde heeft ter terechtzitting verklaard dat de inkoopkosten voor de cocaïne de helft van de verkoopwaarde bedroegen. Met de officier van justitie en de verdediging volgt de rechtbank de veroordeelde op dit punt. Dat betekent dat een bedrag van € 7.307,83 (€ 14.645,70 : 2) in mindering wordt gebracht op het bruto wederrechtelijk verkregen voordeel.


Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Het door de veroordeelde genoten wederrechtelijk verkregen voordeel wordt door de rechtbank aldus geschat op:



€ 14.615,70 (bruto opbrengst) -/- € 7.307,85 (kosten) = € 7.307,85




6. Vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de op te leggen betalingsverplichting




De rechtbank stelt op grond van het voorgaande het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vast op € 7.307,85.



De rechtbank is op grond van het bovenstaande voorts van oordeel dat de maatregel ter ontneming van het wederrechtelijk voordeel moet worden opgelegd.



Bij de vaststelling van het door de veroordeelde te betalen bedrag heeft de rechtbank het volgende mee laten wegen.



Bij vonnis van heden in de hoofdzaak heeft de rechtbank beslist dat het onder de verdachte in beslag genomen contante geldbedrag van € 2.476,70 wordt verbeurd verklaard, omdat uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat dit geld, dat aan de veroordeelde toebehoort, door middel van het in de zaak met oorspronkelijk parketnummer 15/043264-23 onder 1 bewezenverklaarde feit is verkregen.



Bij de samenloop van een verbeurdverklaring en een ontnemingsmaatregel geldt het volgende. Door verbeurdverklaring van voorwerpen die kunnen worden aangemerkt als opbrengst van een strafbaar feit, kan worden bereikt dat aan een veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt ontnomen. Wordt in een dergelijk geval ook de maatregel van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel opgelegd, dan dient, in verband met het reparatoire karakter van die maatregel, de waarde van het onder de betrokkene in beslag genomen en in zijn strafzaak verbeurdverklaarde voorwerp in mindering te worden gebracht op de aan de betrokkene op te leggen betalingsverplichting. Het gaat in die gevallen om verbeurdverklaringen die zijn gestoeld op artikel 33a lid 1, onder a Sr: voorwerpen die aan de betrokkene toebehoren of die hij geheel of ten dele ten eigen bate kan aanwenden en die geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het strafbare feit zijn verkregen. (vergelijk HR 17 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:874 en HR 30 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:1033)



De rechtbank zal daarom het door de veroordeelde te betalen bedrag vaststellen op (€ 7.307,85 -/- € 2.476,70 =) € 4.831,15.



De rechtbank is van oordeel dat vooralsnog niet aannemelijk is geworden dat de veroordeelde nu en in de toekomst over onvoldoende financiële draagkracht zal beschikken om aan een hem op te leggen betalingsverplichting te voldoen.






7Toepasselijke wettelijke bepaling


De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.





8Beslissing


De rechtbank:



Stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk voordeel wordt geschat, vast op € 7.307,85 (zevenduizend driehonderdenzeven euro en vijfentachtig cent).



Legt aan de veroordeelde Aydin van Dongen de verplichting op tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter grootte van € 4.831,15 (vierduizend achthonderdeenendertig euro en vijftien cent) ter ontneming van door hem wederrechtelijk verkregen voordeel.



Wijst de vordering voor het overige af.



Bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 48 (achtenveertig) dagen.




Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:
mr. M.E. Francke, voorzitter,
mr. M.S. Neervoort en mr. E.L. Hoogstraate, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier A. Helder,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 9 juni 2026.



De hierna door de rechtbank in de voetnoten als processen-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.


De ontnemingsrapportage p. 5 en het proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1100-2023029065-67, bijlage bij de ontnemingsrapportage.


Idem


De verklaring van de veroordeelde ter terechtzitting.


Procesdossier A Procesdossier map 1, proces-verbaal bevindingen p. 166 en proces-verbaal van bevindingen p. 337.


De verklaring van de veroordeelde ter terechtzitting van 13 april 2026.