Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2016:607
2016-04-08
Civiel recht
15/02208
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2016:607 → ECLI:NL:PHR:2015:2663 gevolgd
Inhoudsindicatie
Verzet tegen griffierecht (art. 29 Wgbz). Art. 6 EVRM. Uitgeprocedeerde asielzoekers zonder financiële middelen. Ontoelaatbare belemmering van het recht op toegang tot de rechter.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (18)
- ECLI:NL:GHARL:2025:3289 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 20-05-2025
- ECLI:NL:RBOBR:2024:1602 Rechtbank Oost-Brabant 20-03-2024
- ECLI:NL:RBNHO:2020:4096 Rechtbank Noord-Holland 10-06-2020
- ECLI:NL:PHR:2019:1138 Parket bij de Hoge Raad 30-09-2019
- ECLI:NL:RBAMS:2019:6956 Rechtbank Amsterdam 24-09-2019
- ECLI:NL:RBAMS:2019:4335 Rechtbank Amsterdam 20-06-2019
- ECLI:NL:RBAMS:2019:4243 Rechtbank Amsterdam 13-06-2019
- ECLI:NL:RBAMS:2019:888 Rechtbank Amsterdam 05-02-2019
- ECLI:NL:RBAMS:2018:7694 Rechtbank Amsterdam 23-10-2018
- ECLI:NL:RBAMS:2018:4723 Rechtbank Amsterdam 25-06-2018
- ECLI:NL:RBAMS:2018:2340 Rechtbank Amsterdam 21-03-2018
- ECLI:NL:PHR:2017:287 Parket bij de Hoge Raad 07-04-2017
- ECLI:NL:PHR:2017:287 Parket bij de Hoge Raad 07-04-2017
- ECLI:NL:RBNNE:2017:1345 Rechtbank Noord-Nederland 08-02-2017
- ECLI:NL:RBDHA:2016:16774 Rechtbank Den Haag 06-12-2016
- ECLI:NL:PHR:2016:1071 Parket bij de Hoge Raad 28-10-2016
- ECLI:NL:PHR:2016:1071 Parket bij de Hoge Raad 28-10-2016
- ECLI:NL:GHDHA:2016:2553 Gerechtshof Den Haag 31-08-2016
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (4.073 tekens)
8 april 2016
Eerste Kamer
15/02208
LZ/RB
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
mr. M.A.R. Schuckink Kool, advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden en kantoorhoudende te Den Haag,
OPPOSANT op de voet van art. 29 lid 1 Wet griffierechten burgerlijke zaken (hierna: Wgbz) tegen een beslissing van de griffier van de Hoge Raad,
mede optredend namens [betrokkene 1] en [betrokkene 2].
1Feiten en procesverloop
[betrokkene] c.s. hebben bij dagvaarding van 7 mei 2015 beroep in cassatie ingesteld tegen het door het gerechtshof Amsterdam op 31 maart 2015 uitgesproken arrest in de procedure tussen [betrokkene] c.s. en de Staat der Nederlanden. Inzet van die procedure is of [betrokkene] c.s. zich met een beroep op het hun toekomende huisrecht kunnen verzetten tegen de ontruiming van mede door hen bewoonde kantoorruimtes in een gekraakt gebouw.
De hoogte van het in cassatie verschuldigde griffierecht is door de griffier van de Hoge Raad bepaald op € 322,--.
Tegen deze beslissing zijn opposanten op de voet van art. 29 lid 1 Wgbz in verzet gekomen.
De griffier van de Hoge Raad heeft een verweerschrift ingediend, waarbij hij zich heeft gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot gegrondverklaring van het verzet.
2Beoordeling van het verzet
2.1
Het verzet berust op de stelling dat [betrokkene] c.s. niet over enig inkomen of vermogen beschikken en dat in verband hiermee de heffing van het griffierecht de toegang tot de rechter belemmert in een mate die in strijd komt met art. 6 EVRM.
2.2
[betrokkene] c.s. zijn blijkens de stukken van het geding uitgeprocedeerde asielzoekers die vanwege deze status geen inkomen mogen verwerven en geen recht op een uitkering hebben. De griffier heeft niet betwist dat zij niet over enig inkomen of vermogen beschikken. Ook de Hoge Raad gaat daarom hiervan uit.
2.3
De wetgever heeft het griffierecht voor onvermogenden voor 2015 vastgesteld op € 78,-- voor de eerste aanleg, op € 311,-- voor het hoger beroep en op € 322,-- voor het cassatieberoep (bijlage behorend bij de Wgbz). De heffing van griffierecht berust onder meer op de grond dat die heffing, kort gezegd, de eiser of verzoeker aanzet tot het maken van een afweging van de hoogte van dit griffierecht tegen zijn belang bij de zaak (vgl. onder meer Kamerstukken II 1984-1985, 18 835, nr. 3, p. 6, en Kamerstukken II, 1991-1992, 22 495, nr. 3, p. 125). Dat is, ook in het kader van art. 6 EVRM, een legitieme grond voor de heffing van griffierecht, ook bij de allerlaagste inkomens (vgl. de rechtspraak van het EHRM genoemd in noot 27 van de conclusie van de Advocaat-Generaal).
2.4
Voor beantwoording van de vraag of, niettegenstaande het vorenstaande, een verzet op de voet van art. 29 Wgbz in een bepaald geval gegrond is in verband met het door art. 6 EVRM gewaarborgde recht op toegang tot de rechter, dient een afweging plaats te vinden waarin worden betrokken de hoogte van het griffierecht en de draagkracht van de rechtzoekende. Gelet op hetgeen hiervoor in 2.2 is overwogen met betrekking tot het geheel ontbreken van financiële middelen bij [betrokkene] c.s., komt de heffing van griffierecht in dit geval neer op een ontoelaatbare belemmering van het recht op toegang tot de rechter. De Hoge Raad zal dan ook beslissen als hierna vermeld.
3Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het verzet gegrond;
stelt het door [betrokkene] c.s. verschuldigde griffierecht op nihil.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren C.A. Streefkerk, A.H.T. Heisterkamp, G. Snijders en G. de Groot, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 8 april 2016.
Eerste Kamer
15/02208
LZ/RB
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
mr. M.A.R. Schuckink Kool, advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden en kantoorhoudende te Den Haag,
OPPOSANT op de voet van art. 29 lid 1 Wet griffierechten burgerlijke zaken (hierna: Wgbz) tegen een beslissing van de griffier van de Hoge Raad,
mede optredend namens [betrokkene 1] en [betrokkene 2].
1Feiten en procesverloop
[betrokkene] c.s. hebben bij dagvaarding van 7 mei 2015 beroep in cassatie ingesteld tegen het door het gerechtshof Amsterdam op 31 maart 2015 uitgesproken arrest in de procedure tussen [betrokkene] c.s. en de Staat der Nederlanden. Inzet van die procedure is of [betrokkene] c.s. zich met een beroep op het hun toekomende huisrecht kunnen verzetten tegen de ontruiming van mede door hen bewoonde kantoorruimtes in een gekraakt gebouw.
De hoogte van het in cassatie verschuldigde griffierecht is door de griffier van de Hoge Raad bepaald op € 322,--.
Tegen deze beslissing zijn opposanten op de voet van art. 29 lid 1 Wgbz in verzet gekomen.
De griffier van de Hoge Raad heeft een verweerschrift ingediend, waarbij hij zich heeft gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot gegrondverklaring van het verzet.
2Beoordeling van het verzet
2.1
Het verzet berust op de stelling dat [betrokkene] c.s. niet over enig inkomen of vermogen beschikken en dat in verband hiermee de heffing van het griffierecht de toegang tot de rechter belemmert in een mate die in strijd komt met art. 6 EVRM.
2.2
[betrokkene] c.s. zijn blijkens de stukken van het geding uitgeprocedeerde asielzoekers die vanwege deze status geen inkomen mogen verwerven en geen recht op een uitkering hebben. De griffier heeft niet betwist dat zij niet over enig inkomen of vermogen beschikken. Ook de Hoge Raad gaat daarom hiervan uit.
2.3
De wetgever heeft het griffierecht voor onvermogenden voor 2015 vastgesteld op € 78,-- voor de eerste aanleg, op € 311,-- voor het hoger beroep en op € 322,-- voor het cassatieberoep (bijlage behorend bij de Wgbz). De heffing van griffierecht berust onder meer op de grond dat die heffing, kort gezegd, de eiser of verzoeker aanzet tot het maken van een afweging van de hoogte van dit griffierecht tegen zijn belang bij de zaak (vgl. onder meer Kamerstukken II 1984-1985, 18 835, nr. 3, p. 6, en Kamerstukken II, 1991-1992, 22 495, nr. 3, p. 125). Dat is, ook in het kader van art. 6 EVRM, een legitieme grond voor de heffing van griffierecht, ook bij de allerlaagste inkomens (vgl. de rechtspraak van het EHRM genoemd in noot 27 van de conclusie van de Advocaat-Generaal).
2.4
Voor beantwoording van de vraag of, niettegenstaande het vorenstaande, een verzet op de voet van art. 29 Wgbz in een bepaald geval gegrond is in verband met het door art. 6 EVRM gewaarborgde recht op toegang tot de rechter, dient een afweging plaats te vinden waarin worden betrokken de hoogte van het griffierecht en de draagkracht van de rechtzoekende. Gelet op hetgeen hiervoor in 2.2 is overwogen met betrekking tot het geheel ontbreken van financiële middelen bij [betrokkene] c.s., komt de heffing van griffierecht in dit geval neer op een ontoelaatbare belemmering van het recht op toegang tot de rechter. De Hoge Raad zal dan ook beslissen als hierna vermeld.
3Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het verzet gegrond;
stelt het door [betrokkene] c.s. verschuldigde griffierecht op nihil.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren C.A. Streefkerk, A.H.T. Heisterkamp, G. Snijders en G. de Groot, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 8 april 2016.