Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2016:290
2016-02-19
Civiel recht
14/05316
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2016:290 → ECLI:NL:GHSHE:2014:1977 bekrachtiging/bevestiging
- conclusie ECLI:NL:HR:2016:290 → ECLI:NL:PHR:2015:2283 gevolgd
Inhoudsindicatie
Arbeidsrecht. Ontslag op staande voet (art. 7:677 BW). Gebruik strafrechtelijke term (diefstal) in opzeggingsbrief bij misbruik bedrijfstankpas. Uitleg opzeggingsgrond.
Citeert (9)
- ECLI:NL:HR:1993:ZC0939 Hoge Raad 23-04-1993
- ECLI:NL:HR:1996:ZC2052 Hoge Raad 26-04-1996
- ECLI:NL:HR:2014:3126 Hoge Raad 07-11-2014
- ECLI:NL:HR:2001:AA9664 Hoge Raad 26-01-2001
- ECLI:NL:HR:2009:BH0387 Hoge Raad 24-04-2009
- ECLI:NL:HR:2014:3126 Hoge Raad 07-11-2014
- ECLI:NL:HR:2009:BH0387 Hoge Raad 24-04-2009
- ECLI:NL:HR:2001:AA9664 Hoge Raad 26-01-2001
- ECLI:NL:HR:2007:AZ7616 Hoge Raad 23-03-2007
Geciteerd door (57)
- ECLI:NL:GHARL:2026:5197 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 10-08-2026
- ECLI:NL:RBOVE:2026:1445 Rechtbank Overijssel 17-03-2026
- ECLI:NL:PHR:2025:988 Parket bij de Hoge Raad 12-09-2025
- ECLI:NL:GHARL:2024:8017 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 19-12-2024
- ECLI:NL:RBGEL:2024:615 Rechtbank Gelderland 11-01-2024
- ECLI:NL:PHR:2023:1205 Parket bij de Hoge Raad 22-12-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:1205 Parket bij de Hoge Raad 22-12-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:1205 Parket bij de Hoge Raad 22-12-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:1024 Parket bij de Hoge Raad 20-10-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:3046 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 21-09-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:779 Parket bij de Hoge Raad 08-09-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2023:1880 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 08-06-2023
- ECLI:NL:GHAMS:2023:1421 Gerechtshof Amsterdam 16-05-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:466 Parket bij de Hoge Raad 21-04-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:466 Parket bij de Hoge Raad 21-04-2023
- ECLI:NL:GHSHE:2022:3624 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 20-10-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:340 Parket bij de Hoge Raad 01-04-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:340 Parket bij de Hoge Raad 01-04-2022
- ECLI:NL:OGHACMB:2021:320 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 31-08-2021
- ECLI:NL:GHDHA:2021:1637 Gerechtshof Den Haag 10-08-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:689 Parket bij de Hoge Raad 02-07-2021
- ECLI:NL:GHDHA:2021:1667 Gerechtshof Den Haag 16-02-2021
- ECLI:NL:PHR:2020:1080 Parket bij de Hoge Raad 13-11-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:1080 Parket bij de Hoge Raad 13-11-2020
- ECLI:NL:GHARL:2020:6500 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 18-08-2020
- ECLI:NL:RBNNE:2020:2048 Rechtbank Noord-Nederland 07-05-2020
- ECLI:NL:RBOBR:2019:6505 Rechtbank Oost-Brabant 22-10-2019
- ECLI:NL:RBOBR:2019:6503 Rechtbank Oost-Brabant 22-10-2019
- ECLI:NL:RBMNE:2019:2977 Rechtbank Midden-Nederland 29-05-2019
- ECLI:NL:GHDHA:2019:527 Gerechtshof Den Haag 19-02-2019
- ECLI:NL:HR:2019:55 Hoge Raad 18-01-2019
- ECLI:NL:GHDHA:2018:3406 Gerechtshof Den Haag 11-12-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:1152 Parket bij de Hoge Raad 12-10-2018
- ECLI:NL:GHSHE:2018:4206 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 09-10-2018
- ECLI:NL:GHSHE:2018:4205 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 09-10-2018
- ECLI:NL:GHSHE:2018:4207 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 09-10-2018
- ECLI:NL:GHARL:2018:2831 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 23-03-2018
- ECLI:NL:RBLIM:2018:41 Rechtbank Limburg 03-01-2018
- ECLI:NL:GHARL:2017:10562 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 01-12-2017
- ECLI:NL:GHARL:2017:10562 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 01-12-2017
- ECLI:NL:RBOBR:2017:6205 Rechtbank Oost-Brabant 21-11-2017
- ECLI:NL:PHR:2017:993 Parket bij de Hoge Raad 22-09-2017
- ECLI:NL:RBNHO:2017:5966 Rechtbank Noord-Holland 13-07-2017
- ECLI:NL:GHSHE:2017:2554 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 08-06-2017
- ECLI:NL:GHSHE:2017:1907 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 04-05-2017
- ECLI:NL:GHDHA:2017:1153 Gerechtshof Den Haag 18-04-2017
- ECLI:NL:GHARL:2017:2401 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14-03-2017
- ECLI:NL:GHARL:2016:10426 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 22-12-2016
- ECLI:NL:GHARL:2016:10426 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 22-12-2016
- ECLI:NL:GHSHE:2016:5531 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 13-12-2016
- ECLI:NL:GHARL:2016:9356 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 22-11-2016
- ECLI:NL:PHR:2016:1148 Parket bij de Hoge Raad 11-11-2016
- ECLI:NL:GHARL:2016:7301 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 13-09-2016
- ECLI:NL:OGEAA:2016:582 Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba 24-08-2016
- ECLI:NL:GHARL:2016:6518 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12-08-2016
- ECLI:NL:RBMNE:2016:4717 Rechtbank Midden-Nederland 02-08-2016
- ECLI:NL:RBNHO:2016:2079 Rechtbank Noord-Holland 21-03-2016
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (12.481 tekens)
19 februari 2016
Eerste Kamer
14/05316
LZ/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiser],wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaten: mr. S. Kousedghi en mr. B.J. van Dorp,
t e g e n
AUTOCENTRUM ZUID NEDERLAND B.V.,gevestigd te Geldrop,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. S.F. Sagel.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en Autocentrum.
1Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak 703612/10-6621 van de kantonrechter te ’s-Hertogenbosch van 7 april 2011;
b. de arresten in de zaak HD 200.090.397/01 van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 1 juli 2014 en 7 oktober 2014.
De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.
2Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof van 1 juli 2014 heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Autocentrum heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal G.R.B. van Peursem strekt tot verwerping.
De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 27 november 2015 op die conclusie gereageerd.
3Beoordeling van het middel
3.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
i) Autocentrum exploiteert een bedrijf dat zich bezighoudt met de verkoop, aankoop en reparatie van automobielen vanuit vestigingen te Geldrop en Oss. Aandeelhouders van Autocentrum zijn de gebroeders [betrokkene 1] en [betrokkene 2] (hierna in enkelvoud: [betrokkene]).
ii) [eiser], geboren op [geboortedatum] 1960, is op 1 september 2003 krachtens een arbeidsovereenkomst bij Autocentrum in dienst getreden als autoverkoper. Vanaf 1 januari 2007 was [eiser] bij Autocentrum werkzaam als vestigingsmanager van de vestiging te Oss. Hij genoot in die functie laatstelijk een salaris van € 5.226,75 bruto per maand, exclusief 8% vakantiebijslag.
iii) Tot 1 oktober 2008 reed [eiser] in een door Autocentrum ter beschikking gestelde auto en tankte hij met een tankpas van Autocentrum (hierna ook: de zakelijke tankpas), ongeacht of het ging om zakelijk of privégebruik van deze auto.
iv) [eiser] is per 1 oktober 2008 in een eigen auto gaan rijden. Hij is toen blijven tanken met de zakelijke tankpas.
v) [eiser] heeft in oktober of november 2008 voor zijn echtgenote een Renault Laguna (hierna: de Laguna) van Autocentrum gekocht.
vi) In december 2008 heeft [betrokkene] bij [eiser] de bonnen van de tankbeurten met de zakelijke tankpas over de maand november 2008 opgevraagd. [eiser] heeft de bonnen verstrekt. Op 5 januari 2009 heeft tussen [eiser] en [betrokkene] een gesprek plaatsgevonden, waarin de tankbonnen aan de orde zijn gekomen. [eiser] heeft [betrokkene] die dag ervan op de hoogte gesteld dat twee tankbeurten de Laguna betroffen.
vii) Na een gesprek tussen partijen op 6 januari 2009 heeft Autocentrum [eiser] bij brief van 7 januari 2009 onder meer het volgende geschreven:
“Middels deze brief bevestigen wij u, het door ons aan u gegeven ontslag op staande voet op dinsdagmiddag 6 januari jl. De reden hiervoor is kort samengevat als volgt: de diefstal van bedrijfseigendommen.”
viii) De gemachtigde van [eiser] heeft bij brief van 12 januari 2009 de nietigheid van het ontslag ingeroepen en aanspraak gemaakt op loondoorbetaling.
ix) Bij brief van 19 januari 2009 heeft de gemachtigde van Autocentrum de verwijten jegens [eiser] als volgt omschreven:
“Op 18 december 2008 ontving cliënte het overzicht van de benzinepomp over de maand november 2008. Uit het overzicht bleek dat twee tankbeurten niet waren betaald, op 14 november 2008 en 24 november 2008. Het ging om tweemaal 43 liter benzine. Cliënte heeft uw cliënt daarmee geconfronteerd, maar die liet aanvankelijk weten dat hij zich de bonnen van deze tankbeurten niet kon herinneren. Na een half uur wist uw cliënt zich één bon te herinneren. Van de tweede tankbeurt was op dat moment geen bon aanwezig. Om vast te kunnen stellen wat er feitelijk was gebeurd en wie daarvoor verantwoordelijk was, heeft cliënte de administratie aan een grondig onderzoek onderworpen.
Op 6 januari 2009 kwam aan het licht dat het uw cliënt was die op 14 november 2008 en 24 november 2008 met de tankpas van het bedrijf de privé-auto van zijn echtgenote heeft getankt, maar niet betaald. Uw cliënt kwam normaal gesproken nooit met de privé-auto van zijn echtgenote naar zijn werk. De privé-auto van de echtgenote is een Renault Laguna, (…). Cliënte heeft uw cliënt tijdens het gesprek op 6 januari 2009 hiermee geconfronteerd en gevraagd of hij inderdaad degene was die ook de tweede tankbeurt niet had betaald. Uw cliënt heeft dat ondubbelzinnig erkend. (…)”
3.2
Zeer kort weergegeven vordert Autocentrum in de onderhavige procedure een verklaring voor recht dat het op 6 januari 2009 aan [eiser] verleende ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven en veroordeling van [eiser] tot (terug)betaling aan Autocentrum van sedertdien ontvangen bedragen. Autocentrum heeft aan haar vorderingen ten grondslag gelegd dat zij [eiser] terecht op staande voet heeft ontslagen omdat hij in de maand november 2008 tweemaal (op 14 en 24 november) ten behoeve van de privéauto van zijn vrouw (de Laguna) heeft getankt met gebruikmaking van de zakelijke tankpas zonder de daarmee gemoeide bedragen aan Autocentrum terug te betalen en dus diefstal heeft gepleegd.
De kantonrechter heeft de vorderingen afgewezen.
3.3
Het hof heeft het vonnis van de kantonrechter vernietigd en de vorderingen van Autocentrum toegewezen. De overwegingen van het hof komen hieronder aan de orde voor zover nodig voor de afdoening in cassatie.
3.4
Aan het middel ligt de stelling ten grondslag dat het enkel hanteren van strafrechtelijke begrippen in de ontslagbrief tot gevolg heeft dat de werkgever in beginsel alle bestanddelen van de strafrechtelijke delictsomschrijving moet bewijzen. Voor het onderhavige geval betekent dit volgens [eiser] dat Autocentrum dient te bewijzen dat [eiser] enig goed dat geheel of ten dele aan een ander (Autocentrum) toebehoort, heeft weggenomen met het oogmerk het zich wederrechtelijk toe te eigenen. Het middel klaagt onder meer vanuit diverse invalshoeken dat het hof het ontslag geldig heeft geacht zonder te hebben vastgesteld dat Autocentrum heeft aangetoond dat aan alle bestanddelen van de delictsomschrijving van art. 310 Sr is voldaan.
3.5.1
Bij de beoordeling van deze klacht wordt het volgende voorop gesteld.
3.5.2
In geval van opzegging van een arbeidsovereenkomst om een dringende reden dient die reden onverwijld aan de wederpartij te worden meegedeeld (art. 7:677 lid 1 BW). De strekking hiervan is dat voor de wederpartij onmiddellijk duidelijk behoort te zijn welke eigenschappen of gedragingen de ander hebben genoopt tot het beëindigen van de dienstbetrekking. De wederpartij moet zich immers na de mededeling kunnen beraden of zij de opgegeven reden(en) als juist erkent en als dringend aanvaardt (vgl. HR 23 april 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0939, NJ 1993/504; HR 26 april 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2052, NJ 1996/609; HR 7 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3126, NJ 2014/498). De werkgever die een werknemer aldus heeft ontslagen, dient in geval van betwisting van de dringende reden door de werknemer, te stellen en zo nodig te bewijzen dat de door de werkgever meegedeelde ontslaggrond zich heeft voorgedaan en is aan te merken als dringende reden (vgl. HR 26 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9664; HR 24 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH0387; HR 7 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3126, NJ 2014/498).
3.5.3
Een ontslaggrond behoeft niet onder alle omstandigheden aan de wederpartij te worden meegedeeld. Mededeling kan achterwege blijven in het uitzonderlijke geval dat het voor de werknemer aanstonds duidelijk is welke dringende reden tot de opzegging heeft geleid, althans dat daaromtrent bij de werknemer, gelet op de omstandigheden van het geval, in redelijkheid geen enkele twijfel kan bestaan (zie de hiervoor in 3.5.2 vermelde arresten van 23 april 1993 en 26 april 1996).
3.5.4
Reeds uit de hiervoor in 3.5.2 en 3.5.3 vermelde rechtspraak, in samenhang bezien, volgt dat aan de letterlijke tekst van een ontslagbrief niet steeds doorslaggevende betekenis toekomt voor het antwoord op de vraag welke dringende reden aan de wederpartij is meegedeeld, en dat het uiteindelijk erom gaat of voor de werknemer aanstonds duidelijk is welke dringende reden tot de opzegging heeft geleid. Ook een in een ontslagbrief vermelde opzeggingsgrond dient mede te worden uitgelegd in het licht van de omstandigheden van het geval.
3.5.5
Anders dan het middel in onderdeel 3.2 tot uitgangspunt neemt, is het bovenstaande niet principieel anders indien in de ontslagbrief enkel strafrechtelijke begrippen worden gehanteerd (vgl. HR 24 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH0387). In de arresten HR 26 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9664 en HR 23 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ7616, waarop het middel een beroep doet, was de vraag naar uitleg van de aan de werknemer gedane mededeling in de procedure niet aan de orde gesteld.
3.6
Het hof heeft in rov. 4.5 overwogen dat tussen partijen niet in geschil is dat de twee tankbeurten in november 2008 met betrekking tot de Laguna aan de orde zijn gekomen in de gesprekken op 5 en 6 januari 2009, en dat [betrokkene] tijdens de bespreking op 6 januari 2009 [eiser] in verband met deze tankbeurten heeft beschuldigd van diefstal. Tegen de achtergrond van deze gesprekken moet, aldus het hof, voor [eiser] in elk geval duidelijk zijn geweest dat de in de brief van 7 januari 2009 gebezigde term ‘diefstal’ betrekking had op het wederrechtelijk gebruik – waarmee het hof kennelijk bedoelt: gebruik voor privédoeleinden zonder toestemming – van de tankpas ten behoeve van de Laguna op 14 en 24 november 2008, een en ander zoals nader toegelicht in de brief van de gemachtigde van Autocentrum van 19 januari 2009. Het middel klaagt niet over deze uitleg van de aan [eiser] gedane mededeling, waarop het hof in het vervolg van zijn arrest heeft voortgebouwd (zie rov. 4.6.1). In cassatie staat derhalve vast dat de term ‘diefstal’ in de brief van 7 januari 2009 niet in zijn strafrechtelijke betekenis dient te worden opgevat, maar in de door het hof vermelde betekenis. De uitleg die het hof aan die mededeling heeft gegeven, is ook niet onbegrijpelijk.
3.7
Uit het bovenstaande volgt dat de hiervoor in 3.4 weergegeven stelling van [eiser] voor het onderhavige geval niet opgaat. De klachten die op deze stelling berusten kunnen dan ook niet tot cassatie leiden.
3.8
De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Autocentrum begroot op € 2.629,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren C.A. Streefkerk, A.H.T. Heisterkamp, G. Snijders en G. de Groot, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 19 februari 2016.
Eerste Kamer
14/05316
LZ/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiser],wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaten: mr. S. Kousedghi en mr. B.J. van Dorp,
t e g e n
AUTOCENTRUM ZUID NEDERLAND B.V.,gevestigd te Geldrop,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. S.F. Sagel.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en Autocentrum.
1Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak 703612/10-6621 van de kantonrechter te ’s-Hertogenbosch van 7 april 2011;
b. de arresten in de zaak HD 200.090.397/01 van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 1 juli 2014 en 7 oktober 2014.
De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.
2Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof van 1 juli 2014 heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Autocentrum heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal G.R.B. van Peursem strekt tot verwerping.
De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 27 november 2015 op die conclusie gereageerd.
3Beoordeling van het middel
3.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
i) Autocentrum exploiteert een bedrijf dat zich bezighoudt met de verkoop, aankoop en reparatie van automobielen vanuit vestigingen te Geldrop en Oss. Aandeelhouders van Autocentrum zijn de gebroeders [betrokkene 1] en [betrokkene 2] (hierna in enkelvoud: [betrokkene]).
ii) [eiser], geboren op [geboortedatum] 1960, is op 1 september 2003 krachtens een arbeidsovereenkomst bij Autocentrum in dienst getreden als autoverkoper. Vanaf 1 januari 2007 was [eiser] bij Autocentrum werkzaam als vestigingsmanager van de vestiging te Oss. Hij genoot in die functie laatstelijk een salaris van € 5.226,75 bruto per maand, exclusief 8% vakantiebijslag.
iii) Tot 1 oktober 2008 reed [eiser] in een door Autocentrum ter beschikking gestelde auto en tankte hij met een tankpas van Autocentrum (hierna ook: de zakelijke tankpas), ongeacht of het ging om zakelijk of privégebruik van deze auto.
iv) [eiser] is per 1 oktober 2008 in een eigen auto gaan rijden. Hij is toen blijven tanken met de zakelijke tankpas.
v) [eiser] heeft in oktober of november 2008 voor zijn echtgenote een Renault Laguna (hierna: de Laguna) van Autocentrum gekocht.
vi) In december 2008 heeft [betrokkene] bij [eiser] de bonnen van de tankbeurten met de zakelijke tankpas over de maand november 2008 opgevraagd. [eiser] heeft de bonnen verstrekt. Op 5 januari 2009 heeft tussen [eiser] en [betrokkene] een gesprek plaatsgevonden, waarin de tankbonnen aan de orde zijn gekomen. [eiser] heeft [betrokkene] die dag ervan op de hoogte gesteld dat twee tankbeurten de Laguna betroffen.
vii) Na een gesprek tussen partijen op 6 januari 2009 heeft Autocentrum [eiser] bij brief van 7 januari 2009 onder meer het volgende geschreven:
“Middels deze brief bevestigen wij u, het door ons aan u gegeven ontslag op staande voet op dinsdagmiddag 6 januari jl. De reden hiervoor is kort samengevat als volgt: de diefstal van bedrijfseigendommen.”
viii) De gemachtigde van [eiser] heeft bij brief van 12 januari 2009 de nietigheid van het ontslag ingeroepen en aanspraak gemaakt op loondoorbetaling.
ix) Bij brief van 19 januari 2009 heeft de gemachtigde van Autocentrum de verwijten jegens [eiser] als volgt omschreven:
“Op 18 december 2008 ontving cliënte het overzicht van de benzinepomp over de maand november 2008. Uit het overzicht bleek dat twee tankbeurten niet waren betaald, op 14 november 2008 en 24 november 2008. Het ging om tweemaal 43 liter benzine. Cliënte heeft uw cliënt daarmee geconfronteerd, maar die liet aanvankelijk weten dat hij zich de bonnen van deze tankbeurten niet kon herinneren. Na een half uur wist uw cliënt zich één bon te herinneren. Van de tweede tankbeurt was op dat moment geen bon aanwezig. Om vast te kunnen stellen wat er feitelijk was gebeurd en wie daarvoor verantwoordelijk was, heeft cliënte de administratie aan een grondig onderzoek onderworpen.
Op 6 januari 2009 kwam aan het licht dat het uw cliënt was die op 14 november 2008 en 24 november 2008 met de tankpas van het bedrijf de privé-auto van zijn echtgenote heeft getankt, maar niet betaald. Uw cliënt kwam normaal gesproken nooit met de privé-auto van zijn echtgenote naar zijn werk. De privé-auto van de echtgenote is een Renault Laguna, (…). Cliënte heeft uw cliënt tijdens het gesprek op 6 januari 2009 hiermee geconfronteerd en gevraagd of hij inderdaad degene was die ook de tweede tankbeurt niet had betaald. Uw cliënt heeft dat ondubbelzinnig erkend. (…)”
3.2
Zeer kort weergegeven vordert Autocentrum in de onderhavige procedure een verklaring voor recht dat het op 6 januari 2009 aan [eiser] verleende ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven en veroordeling van [eiser] tot (terug)betaling aan Autocentrum van sedertdien ontvangen bedragen. Autocentrum heeft aan haar vorderingen ten grondslag gelegd dat zij [eiser] terecht op staande voet heeft ontslagen omdat hij in de maand november 2008 tweemaal (op 14 en 24 november) ten behoeve van de privéauto van zijn vrouw (de Laguna) heeft getankt met gebruikmaking van de zakelijke tankpas zonder de daarmee gemoeide bedragen aan Autocentrum terug te betalen en dus diefstal heeft gepleegd.
De kantonrechter heeft de vorderingen afgewezen.
3.3
Het hof heeft het vonnis van de kantonrechter vernietigd en de vorderingen van Autocentrum toegewezen. De overwegingen van het hof komen hieronder aan de orde voor zover nodig voor de afdoening in cassatie.
3.4
Aan het middel ligt de stelling ten grondslag dat het enkel hanteren van strafrechtelijke begrippen in de ontslagbrief tot gevolg heeft dat de werkgever in beginsel alle bestanddelen van de strafrechtelijke delictsomschrijving moet bewijzen. Voor het onderhavige geval betekent dit volgens [eiser] dat Autocentrum dient te bewijzen dat [eiser] enig goed dat geheel of ten dele aan een ander (Autocentrum) toebehoort, heeft weggenomen met het oogmerk het zich wederrechtelijk toe te eigenen. Het middel klaagt onder meer vanuit diverse invalshoeken dat het hof het ontslag geldig heeft geacht zonder te hebben vastgesteld dat Autocentrum heeft aangetoond dat aan alle bestanddelen van de delictsomschrijving van art. 310 Sr is voldaan.
3.5.1
Bij de beoordeling van deze klacht wordt het volgende voorop gesteld.
3.5.2
In geval van opzegging van een arbeidsovereenkomst om een dringende reden dient die reden onverwijld aan de wederpartij te worden meegedeeld (art. 7:677 lid 1 BW). De strekking hiervan is dat voor de wederpartij onmiddellijk duidelijk behoort te zijn welke eigenschappen of gedragingen de ander hebben genoopt tot het beëindigen van de dienstbetrekking. De wederpartij moet zich immers na de mededeling kunnen beraden of zij de opgegeven reden(en) als juist erkent en als dringend aanvaardt (vgl. HR 23 april 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0939, NJ 1993/504; HR 26 april 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2052, NJ 1996/609; HR 7 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3126, NJ 2014/498). De werkgever die een werknemer aldus heeft ontslagen, dient in geval van betwisting van de dringende reden door de werknemer, te stellen en zo nodig te bewijzen dat de door de werkgever meegedeelde ontslaggrond zich heeft voorgedaan en is aan te merken als dringende reden (vgl. HR 26 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9664; HR 24 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH0387; HR 7 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3126, NJ 2014/498).
3.5.3
Een ontslaggrond behoeft niet onder alle omstandigheden aan de wederpartij te worden meegedeeld. Mededeling kan achterwege blijven in het uitzonderlijke geval dat het voor de werknemer aanstonds duidelijk is welke dringende reden tot de opzegging heeft geleid, althans dat daaromtrent bij de werknemer, gelet op de omstandigheden van het geval, in redelijkheid geen enkele twijfel kan bestaan (zie de hiervoor in 3.5.2 vermelde arresten van 23 april 1993 en 26 april 1996).
3.5.4
Reeds uit de hiervoor in 3.5.2 en 3.5.3 vermelde rechtspraak, in samenhang bezien, volgt dat aan de letterlijke tekst van een ontslagbrief niet steeds doorslaggevende betekenis toekomt voor het antwoord op de vraag welke dringende reden aan de wederpartij is meegedeeld, en dat het uiteindelijk erom gaat of voor de werknemer aanstonds duidelijk is welke dringende reden tot de opzegging heeft geleid. Ook een in een ontslagbrief vermelde opzeggingsgrond dient mede te worden uitgelegd in het licht van de omstandigheden van het geval.
3.5.5
Anders dan het middel in onderdeel 3.2 tot uitgangspunt neemt, is het bovenstaande niet principieel anders indien in de ontslagbrief enkel strafrechtelijke begrippen worden gehanteerd (vgl. HR 24 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH0387). In de arresten HR 26 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9664 en HR 23 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ7616, waarop het middel een beroep doet, was de vraag naar uitleg van de aan de werknemer gedane mededeling in de procedure niet aan de orde gesteld.
3.6
Het hof heeft in rov. 4.5 overwogen dat tussen partijen niet in geschil is dat de twee tankbeurten in november 2008 met betrekking tot de Laguna aan de orde zijn gekomen in de gesprekken op 5 en 6 januari 2009, en dat [betrokkene] tijdens de bespreking op 6 januari 2009 [eiser] in verband met deze tankbeurten heeft beschuldigd van diefstal. Tegen de achtergrond van deze gesprekken moet, aldus het hof, voor [eiser] in elk geval duidelijk zijn geweest dat de in de brief van 7 januari 2009 gebezigde term ‘diefstal’ betrekking had op het wederrechtelijk gebruik – waarmee het hof kennelijk bedoelt: gebruik voor privédoeleinden zonder toestemming – van de tankpas ten behoeve van de Laguna op 14 en 24 november 2008, een en ander zoals nader toegelicht in de brief van de gemachtigde van Autocentrum van 19 januari 2009. Het middel klaagt niet over deze uitleg van de aan [eiser] gedane mededeling, waarop het hof in het vervolg van zijn arrest heeft voortgebouwd (zie rov. 4.6.1). In cassatie staat derhalve vast dat de term ‘diefstal’ in de brief van 7 januari 2009 niet in zijn strafrechtelijke betekenis dient te worden opgevat, maar in de door het hof vermelde betekenis. De uitleg die het hof aan die mededeling heeft gegeven, is ook niet onbegrijpelijk.
3.7
Uit het bovenstaande volgt dat de hiervoor in 3.4 weergegeven stelling van [eiser] voor het onderhavige geval niet opgaat. De klachten die op deze stelling berusten kunnen dan ook niet tot cassatie leiden.
3.8
De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Autocentrum begroot op € 2.629,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren C.A. Streefkerk, A.H.T. Heisterkamp, G. Snijders en G. de Groot, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 19 februari 2016.