Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2014:3126
2014-11-07
Civiel recht
13/04452
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2014:3126 → ECLI:NL:PHR:2014:1639 gevolgd
Inhoudsindicatie
Arubaanse zaak. Arbeidsrecht. Ontslag op staande voet, art. 7A:1615o BWA (art. 7:677 BW). Onverwijlde mededeling dringende reden; strekking. Vastgestelde feiten stroken niet met bij ontslag medegedeelde dringende reden. Rechtsgeldigheid ontslag indien slechts een deel van de dringende reden komt vast te staan (HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2806, NJ 2014/408).
Citeert (5)
- ECLI:NL:HR:1993:ZC0939 Hoge Raad 23-04-1993
- ECLI:NL:HR:1996:ZC2052 Hoge Raad 26-04-1996
- ECLI:NL:HR:2001:AA9664 Hoge Raad 26-01-2001
- ECLI:NL:HR:2009:BH0387 Hoge Raad 24-04-2009
- ECLI:NL:HR:2014:2806 Hoge Raad 26-09-2014
Geciteerd door (71)
- ECLI:NL:RBOVE:2026:3325 Rechtbank Overijssel 03-06-2026
- ECLI:NL:RBROT:2026:347 Rechtbank Rotterdam 14-01-2026
- ECLI:NL:PHR:2025:988 Parket bij de Hoge Raad 12-09-2025
- ECLI:NL:RBROT:2024:6487 Rechtbank Rotterdam 15-07-2024
- ECLI:NL:OGHACMB:2024:108 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 15-05-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:1450 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 05-03-2024
- ECLI:NL:PHR:2023:1205 Parket bij de Hoge Raad 22-12-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:1205 Parket bij de Hoge Raad 22-12-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:1205 Parket bij de Hoge Raad 22-12-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:1205 Parket bij de Hoge Raad 22-12-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:779 Parket bij de Hoge Raad 08-09-2023
- ECLI:NL:HR:2023:1008 Hoge Raad 30-06-2023
- ECLI:NL:GHAMS:2023:1421 Gerechtshof Amsterdam 16-05-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:466 Parket bij de Hoge Raad 21-04-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:466 Parket bij de Hoge Raad 21-04-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:466 Parket bij de Hoge Raad 21-04-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:466 Parket bij de Hoge Raad 21-04-2023
- ECLI:NL:RBNHO:2022:12030 Rechtbank Noord-Holland 02-12-2022
- ECLI:NL:RBROT:2022:7600 Rechtbank Rotterdam 11-08-2022
- ECLI:NL:RBAMS:2022:3484 Rechtbank Amsterdam 10-05-2022
- ECLI:NL:RBROT:2022:2802 Rechtbank Rotterdam 12-04-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:340 Parket bij de Hoge Raad 01-04-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:340 Parket bij de Hoge Raad 01-04-2022
- ECLI:NL:GHAMS:2022:386 Gerechtshof Amsterdam 15-02-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2021:15650 Rechtbank Den Haag 29-10-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:15578 Rechtbank Den Haag 27-10-2021
- ECLI:NL:OGHACMB:2021:97 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 13-04-2021
- ECLI:NL:OGHACMB:2021:97 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 13-04-2021
- ECLI:NL:RBAMS:2021:1138 Rechtbank Amsterdam 05-03-2021
- ECLI:NL:GHDHA:2021:1667 Gerechtshof Den Haag 16-02-2021
- ECLI:NL:RBMNE:2020:5167 Rechtbank Midden-Nederland 26-11-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:1080 Parket bij de Hoge Raad 13-11-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:1080 Parket bij de Hoge Raad 13-11-2020
- ECLI:NL:GHARL:2020:6502 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 19-08-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:9256 Rechtbank Den Haag 08-07-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:10206 Rechtbank Den Haag 23-06-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:10205 Rechtbank Den Haag 23-06-2020
- ECLI:NL:RBOVE:2020:1846 Rechtbank Overijssel 22-05-2020
- ECLI:NL:RBLIM:2020:3265 Rechtbank Limburg 24-04-2020
- ECLI:NL:RBLIM:2020:3265 Rechtbank Limburg 24-04-2020
- ECLI:NL:RBROT:2019:10182 Rechtbank Rotterdam 20-12-2019
- ECLI:NL:RBROT:2019:10183 Rechtbank Rotterdam 20-12-2019
- ECLI:NL:RBROT:2019:10183 Rechtbank Rotterdam 20-12-2019
- ECLI:NL:RBROT:2019:10182 Rechtbank Rotterdam 20-12-2019
- ECLI:NL:RBDHA:2019:5282 Rechtbank Den Haag 22-05-2019
- ECLI:NL:GHARL:2019:4279 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17-05-2019
- ECLI:NL:OGEAA:2019:209 Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba 02-04-2019
- ECLI:NL:OGEAA:2019:210 Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba 02-04-2019
- ECLI:NL:RBDHA:2019:1991 Rechtbank Den Haag 26-02-2019
- ECLI:NL:RBDHA:2019:1040 Rechtbank Den Haag 22-01-2019
- ECLI:NL:HR:2019:55 Hoge Raad 18-01-2019
- ECLI:NL:HR:2018:1094 Hoge Raad 06-07-2018
- ECLI:NL:RBLIM:2018:5934 Rechtbank Limburg 22-06-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:527 Parket bij de Hoge Raad 25-05-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:527 Parket bij de Hoge Raad 25-05-2018
- ECLI:NL:PHR:2018:527 Parket bij de Hoge Raad 25-05-2018
- ECLI:NL:GHSHE:2017:4431 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 10-10-2017
- ECLI:NL:GHDHA:2017:1736 Gerechtshof Den Haag 27-06-2017
- ECLI:NL:GHSHE:2017:1907 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 04-05-2017
- ECLI:NL:RBNNE:2017:1350 Rechtbank Noord-Nederland 12-04-2017
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (8.794 tekens)
7 november 2014
Eerste Kamer
13/04452
EE/LH
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[verzoeker],wonende op Aruba,
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. S. Kousedghi,
t e g e n
HYATT ARUBA N.V. handelend onder de naam Hyatt Regency Aruba Resort & Casino,gevestigd in Oranjestad, Aruba,
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [verzoeker] en Hyatt.
1Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de beschikkingen in de zaak AR EJ no. 3133 van 2010 van het gerecht in eerste aanleg van Aruba, van 28 juni 2011 en 20 maart 2012,
b. de beschikking in de zaak 56604-EJ 3133/10-H 170/12 van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 18 juni 2013.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
Hyatt heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie en tot terugwijzing naar dat Hof.
3Beoordeling van het middel
3.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) [verzoeker] is vanaf 25 november 1992 in dienst van Hyatt werkzaam geweest in een hotel op Aruba.
(ii) Op 17 oktober 2010, tegen het einde van de werktijd van [verzoeker], heeft in het hotel een incident plaatsgevonden waarbij [verzoeker] en zijn collega [betrokkene 1] waren betrokken. Bij brief van 27 oktober 2010 heeft Hyatt [verzoeker] in verband met het incident op staande voet ontslagen.
(iii) De ontslagbrief vermeldt als “actions” die “both individually and jointly” voor Hyatt grond voor het ontslag op staande voet zijn: “(…) you pushed a female colleague after which she fell and you kicked her while she was lying on the floor. According to the statement of one of your colleagues, he had to intervene to make you stop kicking the female colleague while she was on the floor. Several employees witnessed that the nose of the female employee colleague was bleeding”, en voegt hieraan toe “(...) we established that you were the one attacking the female employee by pushing her and kicking her while she was on the floor, which aggressive behavior is unacceptable”.
(iv) Bij brief van 1 november 2010 heeft [verzoeker] de nietigheid van het ontslag ingeroepen en zich bereid verklaard de bedongen werkzaamheden te hervatten.
3.2.1
[verzoeker] vordert in deze procedure onder meer nietigverklaring van het ontslag en loondoorbetaling. Volgens hem is geen sprake van een dringende reden die het ontslag op staande voet rechtvaardigt.
3.2.2
Het gerecht heeft de vorderingen toegewezen. Het hof heeft de beschikking van het gerecht vernietigd en de vorderingen afgewezen. Het hof heeft hiertoe als volgt overwogen:
“5.1. Hyatt’s hoger beroep is gegrond. Met voldoende zekerheid staat vast dat:
- in het ‘backstation’ van het Picollorestaurant waarop zicht was vanuit het gedeelte waartoe de gasten toegang hebben, een handgemeen plaatsvond tussen [verzoeker] en [betrokkene 1] met wie [verzoeker] een affectieve relatie heeft gehad en met wie hij een kind heeft,
- [betrokkene 1] hierbij een bloedneus heeft opgelopen,
- [betrokkene 1] is komen te vallen, en
- [verzoeker] op het punt stond te schoppen maar daarvan door een collega ([betrokkene 2]) is weerhouden.
5.2.
Het Hof acht hierin, alle omstandigheden van het geval – inclusief de ingrijpende gevolgen voor [verzoeker] – in onderling verband en samenhang in aanmerking genomen, een dringende reden voor ontslag op staande voet aanwezig. De Arubaanse hotels geven extra aandacht aan behoorlijk optreden van hun personeel in het algemeen (ook als geen gasten in de buurt zijn) en stellen zware sancties op onbehoorlijk gedrag, hetgeen aan dit personeel ook bekend is. In de jurisprudentie van het GEA en het Hof wordt hiermee rekening gehouden. Het toerisme is nu eenmaal cruciaal voor de economie van Aruba. Het is van algemeen belang dat de goede naam van Aruba (‘one happy island’) bij de overwegend Amerikaanse toerist niet wordt aangetast.”
3.3
Onderdeel I.10 van het middel is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 5.2 dat een dringende reden voor ontslag op staande voet aanwezig is. De in rov. 5.1 vermelde feiten stroken niet met de ontslaggrond die Hyatt in de brief van 27 oktober 2010 aan [verzoeker] heeft meegedeeld. Het bestreden oordeel miskent het beginsel dat de ontslagmededeling de ontslaggrond fixeert (art. 7A:1615o BWA, art. 7:677 lid 1 BW), aldus het onderdeel.
3.4.1
Bij de beoordeling van deze klacht wordt het volgende vooropgesteld.
3.4.2
Bij opzegging van een arbeidsovereenkomst om een dringende reden dient naar het recht van Aruba de reden onverwijld aan de wederpartij te worden meegedeeld (art. 7A:1615o lid 1 BWA). De strekking hiervan is dezelfde als die van de gelijksoortige eis vanart. 7:677 lid 1 BW, te weten dat voor de wederpartij onmiddellijk duidelijk behoort te zijn welke eigenschappen of gedragingen de ander hebben genoopt tot het beëindigen van de dienstbetrekking. De wederpartij moet zich immers na de mededeling kunnen beraden of hij de opgegeven reden(en) als juist erkent en als dringend aanvaardt. (Vgl. HR 23 april 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0939, NJ 1993/504; HR 26 april 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2052, NJ 1996/609)
3.4.3
De werkgever die een werknemer aldus heeft ontslagen, dient in geval van betwisting van de dringende reden door de werknemer, te stellen en zo nodig te bewijzen dat de door de werkgever meegedeelde ontslaggrond zich heeft voorgedaan en is aan te merken als dringende reden (vgl. HR 26 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9664; HR 24 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH0387).
3.4.4
Ingeval slechts een gedeelte van het door de werkgever als dringende reden voor het ontslag aan de werknemer meegedeelde feitencomplex komt vast te staan, is het ontslag op staande voet alleen geldig als het gedeelte van de feiten dat vaststaat op zichzelf kan worden beschouwd als een dringende reden, en voor de werknemer in het licht van de aanzegging en de overige omstandigheden van het geval onmiddellijk duidelijk was dat de werkgever hem ook zou hebben ontslagen indien deze, anders dan hij blijkens de ontslagaanzegging meende, daarvoor niet meer grond zou hebben gehad dan in rechte is komen vast te staan, althans dat daaromtrent bij de werknemer, gelet op de omstandigheden van het geval, in redelijkheid geen twijfel kan hebben bestaan (vgl. HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2806, NJ 2014/408).
3.5.1
Het hof heeft in rov. 5.2 geoordeeld dat de door hem in rov. 5.1 vermelde feiten een dringende reden voor ontslag op staande voet opleveren. Daarbij heeft het hof echter geen kenbaar verband gelegd met de ontslaggrond die door Hyatt in haar brief van 27 oktober 2010 aan [verzoeker] is medegedeeld. Aldus heeft het hof hetzij de hiervoor in 3.4.2 en 3.4.4 vermelde regels miskend, hetzij zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd.
3.5.2
Op grond van het vorenstaande slaagt de klacht. De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling.
4Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de beschikking van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van 18 juni 2013;
verwijst het geding naar dat hof ter verdere behandeling en beslissing;
veroordeelt Hyatt in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verzoeker] begroot op € 367,49 aan verschotten en op € 2.600,-- voor salaris.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren C.A. Streefkerk, A.H.T. Heisterkamp, G. de Groot en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 7 november 2014.
Eerste Kamer
13/04452
EE/LH
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[verzoeker],wonende op Aruba,
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. S. Kousedghi,
t e g e n
HYATT ARUBA N.V. handelend onder de naam Hyatt Regency Aruba Resort & Casino,gevestigd in Oranjestad, Aruba,
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [verzoeker] en Hyatt.
1Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de beschikkingen in de zaak AR EJ no. 3133 van 2010 van het gerecht in eerste aanleg van Aruba, van 28 juni 2011 en 20 maart 2012,
b. de beschikking in de zaak 56604-EJ 3133/10-H 170/12 van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 18 juni 2013.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
Hyatt heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie en tot terugwijzing naar dat Hof.
3Beoordeling van het middel
3.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) [verzoeker] is vanaf 25 november 1992 in dienst van Hyatt werkzaam geweest in een hotel op Aruba.
(ii) Op 17 oktober 2010, tegen het einde van de werktijd van [verzoeker], heeft in het hotel een incident plaatsgevonden waarbij [verzoeker] en zijn collega [betrokkene 1] waren betrokken. Bij brief van 27 oktober 2010 heeft Hyatt [verzoeker] in verband met het incident op staande voet ontslagen.
(iii) De ontslagbrief vermeldt als “actions” die “both individually and jointly” voor Hyatt grond voor het ontslag op staande voet zijn: “(…) you pushed a female colleague after which she fell and you kicked her while she was lying on the floor. According to the statement of one of your colleagues, he had to intervene to make you stop kicking the female colleague while she was on the floor. Several employees witnessed that the nose of the female employee colleague was bleeding”, en voegt hieraan toe “(...) we established that you were the one attacking the female employee by pushing her and kicking her while she was on the floor, which aggressive behavior is unacceptable”.
(iv) Bij brief van 1 november 2010 heeft [verzoeker] de nietigheid van het ontslag ingeroepen en zich bereid verklaard de bedongen werkzaamheden te hervatten.
3.2.1
[verzoeker] vordert in deze procedure onder meer nietigverklaring van het ontslag en loondoorbetaling. Volgens hem is geen sprake van een dringende reden die het ontslag op staande voet rechtvaardigt.
3.2.2
Het gerecht heeft de vorderingen toegewezen. Het hof heeft de beschikking van het gerecht vernietigd en de vorderingen afgewezen. Het hof heeft hiertoe als volgt overwogen:
“5.1. Hyatt’s hoger beroep is gegrond. Met voldoende zekerheid staat vast dat:
- in het ‘backstation’ van het Picollorestaurant waarop zicht was vanuit het gedeelte waartoe de gasten toegang hebben, een handgemeen plaatsvond tussen [verzoeker] en [betrokkene 1] met wie [verzoeker] een affectieve relatie heeft gehad en met wie hij een kind heeft,
- [betrokkene 1] hierbij een bloedneus heeft opgelopen,
- [betrokkene 1] is komen te vallen, en
- [verzoeker] op het punt stond te schoppen maar daarvan door een collega ([betrokkene 2]) is weerhouden.
5.2.
Het Hof acht hierin, alle omstandigheden van het geval – inclusief de ingrijpende gevolgen voor [verzoeker] – in onderling verband en samenhang in aanmerking genomen, een dringende reden voor ontslag op staande voet aanwezig. De Arubaanse hotels geven extra aandacht aan behoorlijk optreden van hun personeel in het algemeen (ook als geen gasten in de buurt zijn) en stellen zware sancties op onbehoorlijk gedrag, hetgeen aan dit personeel ook bekend is. In de jurisprudentie van het GEA en het Hof wordt hiermee rekening gehouden. Het toerisme is nu eenmaal cruciaal voor de economie van Aruba. Het is van algemeen belang dat de goede naam van Aruba (‘one happy island’) bij de overwegend Amerikaanse toerist niet wordt aangetast.”
3.3
Onderdeel I.10 van het middel is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 5.2 dat een dringende reden voor ontslag op staande voet aanwezig is. De in rov. 5.1 vermelde feiten stroken niet met de ontslaggrond die Hyatt in de brief van 27 oktober 2010 aan [verzoeker] heeft meegedeeld. Het bestreden oordeel miskent het beginsel dat de ontslagmededeling de ontslaggrond fixeert (art. 7A:1615o BWA, art. 7:677 lid 1 BW), aldus het onderdeel.
3.4.1
Bij de beoordeling van deze klacht wordt het volgende vooropgesteld.
3.4.2
Bij opzegging van een arbeidsovereenkomst om een dringende reden dient naar het recht van Aruba de reden onverwijld aan de wederpartij te worden meegedeeld (art. 7A:1615o lid 1 BWA). De strekking hiervan is dezelfde als die van de gelijksoortige eis vanart. 7:677 lid 1 BW, te weten dat voor de wederpartij onmiddellijk duidelijk behoort te zijn welke eigenschappen of gedragingen de ander hebben genoopt tot het beëindigen van de dienstbetrekking. De wederpartij moet zich immers na de mededeling kunnen beraden of hij de opgegeven reden(en) als juist erkent en als dringend aanvaardt. (Vgl. HR 23 april 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0939, NJ 1993/504; HR 26 april 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2052, NJ 1996/609)
3.4.3
De werkgever die een werknemer aldus heeft ontslagen, dient in geval van betwisting van de dringende reden door de werknemer, te stellen en zo nodig te bewijzen dat de door de werkgever meegedeelde ontslaggrond zich heeft voorgedaan en is aan te merken als dringende reden (vgl. HR 26 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9664; HR 24 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH0387).
3.4.4
Ingeval slechts een gedeelte van het door de werkgever als dringende reden voor het ontslag aan de werknemer meegedeelde feitencomplex komt vast te staan, is het ontslag op staande voet alleen geldig als het gedeelte van de feiten dat vaststaat op zichzelf kan worden beschouwd als een dringende reden, en voor de werknemer in het licht van de aanzegging en de overige omstandigheden van het geval onmiddellijk duidelijk was dat de werkgever hem ook zou hebben ontslagen indien deze, anders dan hij blijkens de ontslagaanzegging meende, daarvoor niet meer grond zou hebben gehad dan in rechte is komen vast te staan, althans dat daaromtrent bij de werknemer, gelet op de omstandigheden van het geval, in redelijkheid geen twijfel kan hebben bestaan (vgl. HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2806, NJ 2014/408).
3.5.1
Het hof heeft in rov. 5.2 geoordeeld dat de door hem in rov. 5.1 vermelde feiten een dringende reden voor ontslag op staande voet opleveren. Daarbij heeft het hof echter geen kenbaar verband gelegd met de ontslaggrond die door Hyatt in haar brief van 27 oktober 2010 aan [verzoeker] is medegedeeld. Aldus heeft het hof hetzij de hiervoor in 3.4.2 en 3.4.4 vermelde regels miskend, hetzij zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd.
3.5.2
Op grond van het vorenstaande slaagt de klacht. De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling.
4Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de beschikking van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van 18 juni 2013;
verwijst het geding naar dat hof ter verdere behandeling en beslissing;
veroordeelt Hyatt in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verzoeker] begroot op € 367,49 aan verschotten en op € 2.600,-- voor salaris.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren C.A. Streefkerk, A.H.T. Heisterkamp, G. de Groot en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 7 november 2014.