Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2016:1124
2016-06-10
Bestuursrecht; Belastingrecht
15/04352
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Art. 4:17 Awb. Aan een schriftelijke ingebrekestelling ter activering van de dwangsom te stellen eisen.
Citeert (2)
- ECLI:NL:RVS:2014:4682 Raad van State 24-12-2014
- ECLI:NL:CRVB:2015:2682 Centrale Raad van Beroep 04-08-2015
Geciteerd door (45)
- ECLI:NL:RBMNE:2026:4177 Rechtbank Midden-Nederland 01-07-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:2912 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 10-04-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:2126 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 23-03-2026
- ECLI:NL:RBOVE:2026:713 Rechtbank Overijssel 13-02-2026
- ECLI:NL:RBROT:2025:15312 Rechtbank Rotterdam 22-12-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:6885 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 10-10-2025
- ECLI:NL:RBNNE:2025:2475 Rechtbank Noord-Nederland 17-04-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:1004 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-02-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:208 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 17-01-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:210 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 17-01-2025
- ECLI:NL:RBGEL:2024:7580 Rechtbank Gelderland 04-11-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2023:6378 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 11-09-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:4176 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 15-06-2023
- ECLI:NL:GHAMS:2023:1537 Gerechtshof Amsterdam 16-05-2023
- ECLI:NL:GHDHA:2023:2934 Gerechtshof Den Haag 07-03-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2022:7536 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 13-12-2022
- ECLI:NL:HR:2022:1835 Hoge Raad 09-12-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:5290 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 12-09-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:5289 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 12-09-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:4126 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-07-2022
- ECLI:NL:RBAMS:2022:3181 Rechtbank Amsterdam 09-06-2022
- ECLI:NL:GHAMS:2022:1510 Gerechtshof Amsterdam 24-05-2022
- ECLI:NL:GHARL:2022:4047 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17-05-2022
- ECLI:NL:RBGEL:2022:2290 Rechtbank Gelderland 06-05-2022
- ECLI:NL:RBGEL:2022:2289 Rechtbank Gelderland 06-05-2022
- ECLI:NL:RBNHO:2021:12355 Rechtbank Noord-Holland 17-12-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:9184 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 28-09-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:6737 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 13-07-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:5439 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 01-06-2021
- ECLI:NL:GHDHA:2021:546 Gerechtshof Den Haag 09-03-2021
- ECLI:NL:GHDHA:2021:388 Gerechtshof Den Haag 09-03-2021
- ECLI:NL:RBMNE:2020:3107 Rechtbank Midden-Nederland 10-07-2020
- ECLI:NL:RBNNE:2020:2314 Rechtbank Noord-Nederland 26-06-2020
- ECLI:NL:PHR:2019:702 Parket bij de Hoge Raad 29-05-2019
- ECLI:NL:CRVB:2018:3604 Centrale Raad van Beroep 15-11-2018
- ECLI:NL:GHARL:2018:769 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 23-01-2018
- ECLI:NL:RBNNE:2017:3457 Rechtbank Noord-Nederland 17-08-2017
- ECLI:NL:GHDHA:2017:1262 Gerechtshof Den Haag 02-05-2017
- ECLI:NL:GHDHA:2017:1271 Gerechtshof Den Haag 02-05-2017
- ECLI:NL:GHDHA:2017:1270 Gerechtshof Den Haag 02-05-2017
- ECLI:NL:GHDHA:2017:1269 Gerechtshof Den Haag 02-05-2017
- ECLI:NL:GHDHA:2017:1268 Gerechtshof Den Haag 02-05-2017
- ECLI:NL:GHDHA:2017:1261 Gerechtshof Den Haag 02-05-2017
- ECLI:NL:GHDHA:2017:1264 Gerechtshof Den Haag 02-05-2017
- ECLI:NL:HR:2016:2300 Hoge Raad 14-10-2016
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (6.823 tekens)
10 juni 2016
nr. 15/04352
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende), alsmede het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 11 augustus 2015, nr. 14/00096, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. AWB 12/3414) betreffende een door belanghebbende op aangifte voldaan bedrag aan overdrachtsbelasting. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. De beroepschriften in cassatie zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Belanghebbende en de Staatssecretaris hebben over en weer een verweerschrift ingediend.
2Uitgangspunten in cassatie
2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende heeft op 6 juni 2011 de eigendom verkregen van een onroerende zaak. Ter zake daarvan heeft hij op 22 juli 2011 op aangifte een bedrag aan overdrachtsbelasting voldaan.
2.1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen het op deze aangifte voldane bedrag.
2.1.3.
Vervolgens heeft tussen de gemachtigde van belanghebbende en de Inspecteur een uitgebreide schriftelijke en mondelinge gedachtewisseling plaatsgevonden.
2.2.
Bij uitspraak van 7 juni 2012 heeft de Inspecteur het bezwaar ongegrond verklaard. Hierbij heeft hij op grond van het bepaalde in artikel 4:18 Awb beslist dat belanghebbende niet in aanmerking komt voor toekenning van een dwangsom in de zin van artikel 4:17 e.v. Awb. De Rechtbank heeft beslist dat geen ingebrekestelling in de zin van die bepaling heeft plaatsgevonden.
3Beoordeling van de door belanghebbende voorgestelde middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4Beoordeling van de door de Staatssecretaris voorgestelde middelen
4.1.
Voor het Hof was onder meer in geschil of de Inspecteur wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar een dwangsom als bedoeld in artikel 4:17, lid 1, Awb, heeft verbeurd.
4.2.
Het Hof heeft overwogen dat, wanneer op 23 november 2011 en 15 december 2011 door de gemachtigde aan de Inspecteur gezonden brieven worden bezien in samenhang met latere uitlatingen van de gemachtigde, de Inspecteur redelijkerwijs moet hebben begrepen dat belanghebbende beoogde hem in gebreke te stellen. Op 13 april 2012 reageerde de gemachtigde bij brief op het verslag van de hoorzitting. Uit die reactie bleek dat niets meer in de weg stond aan het doen van uitspraak. Het Hof heeft deze reactie aangemerkt als ‘omslagpunt’ waarbij de ingebrekestelling ‘perfect’ werd. Daarvan uitgaande heeft het Hof geoordeeld dat de Inspecteur een dwangsom heeft verbeurd en heeft het deze dwangsom vastgesteld op € 1100.
4.3.
De middelen komen met rechts- en motiveringsklachten op tegen de in 4.2 bedoelde oordelen.
4.4.
Voor een ingebrekestelling als bedoeld in artikel 4:17, lid 3, Awb geldt de eis dat uit een geschrift duidelijk is dat de belanghebbende het bestuursorgaan maant om alsnog een bepaald besluit te nemen. Daarvoor is niet vereist dat in dit geschrift bepaalde termen zoals ‘aanmanen’ of ‘in gebreke stellen’ worden gebruikt. Wel is vereist dat het geschrift voldoende duidelijk maakt (i) op welke aanvraag het betrekking heeft, (ii) dat de belanghebbende zich op het standpunt stelt dat het bestuursorgaan niet tijdig op de aanvraag heeft beslist, en (iii) dat de belanghebbende erop aandringt dat een zodanige beslissing alsnog wordt genomen (zie ABRvS 24 december 2014, nr. 201402074/1/A3, ECLI:NL:RVS:2014:4682, AB 2015/47, en CRvB 4 augustus 2015, nr. 14/3490 WWB, ECLI:NL:CRVB:2015:2682, AB 2015/340).
4.5. ’
s Hofs oordeel houdt kennelijk in dat voormelde elementen van de ingebrekestelling kunnen zijn vervat in verschillende geschriften, waarbij van een ingebrekestelling sprake is – en de ingebrekestelling ‘perfect’ wordt – met het geschrift waarin het laatste ontbrekende element is opgenomen. Aldus berust ’s Hofs oordeel op een onjuiste rechtsopvatting. Wil sprake zijn van een ingebrekestelling dan dient het daartoe strekkende geschrift op zichzelf beschouwd voldoende duidelijk te zijn in die zin dat het alle constitutieve elementen, als hiervoor in 4.4 bedoeld, bevat.
4.6.
Aangezien de gedingstukken geen andere slotsom toestaan dan dat de brief van 13 april 2012 op zichzelf beschouwd niet kan worden aangemerkt als een ingebrekestelling in de zin van het hiervoor onder 4.4 overwogene, en de voordien aan de Inspecteur gezonden brieven evenmin, kan ’s Hofs oordeel geen stand houden. De middelen slagen in zoverre.
4.7.
De middelen kunnen voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5Slotsom
Uit hetgeen hiervoor in 4.6 is overwogen volgt dat het beroep in cassatie van de Staatssecretaris gegrond is en ’s Hofs uitspraak niet in stand kan blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. De stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat de Inspecteur niet een geschrift van (de gemachtigde van) belanghebbende heeft ontvangen dat voldoet aan de hiervoor onder 4.4 vermelde aan een ingebrekestelling te stellen eisen. De uitspraak van de Rechtbank dient daarom te worden bevestigd.
6Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
7Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond,
verklaart het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, en
bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, M.A. Fierstra, Th. Groeneveld en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2016.
nr. 15/04352
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende), alsmede het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 11 augustus 2015, nr. 14/00096, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. AWB 12/3414) betreffende een door belanghebbende op aangifte voldaan bedrag aan overdrachtsbelasting. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. De beroepschriften in cassatie zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Belanghebbende en de Staatssecretaris hebben over en weer een verweerschrift ingediend.
2Uitgangspunten in cassatie
2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende heeft op 6 juni 2011 de eigendom verkregen van een onroerende zaak. Ter zake daarvan heeft hij op 22 juli 2011 op aangifte een bedrag aan overdrachtsbelasting voldaan.
2.1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen het op deze aangifte voldane bedrag.
2.1.3.
Vervolgens heeft tussen de gemachtigde van belanghebbende en de Inspecteur een uitgebreide schriftelijke en mondelinge gedachtewisseling plaatsgevonden.
2.2.
Bij uitspraak van 7 juni 2012 heeft de Inspecteur het bezwaar ongegrond verklaard. Hierbij heeft hij op grond van het bepaalde in artikel 4:18 Awb beslist dat belanghebbende niet in aanmerking komt voor toekenning van een dwangsom in de zin van artikel 4:17 e.v. Awb. De Rechtbank heeft beslist dat geen ingebrekestelling in de zin van die bepaling heeft plaatsgevonden.
3Beoordeling van de door belanghebbende voorgestelde middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4Beoordeling van de door de Staatssecretaris voorgestelde middelen
4.1.
Voor het Hof was onder meer in geschil of de Inspecteur wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar een dwangsom als bedoeld in artikel 4:17, lid 1, Awb, heeft verbeurd.
4.2.
Het Hof heeft overwogen dat, wanneer op 23 november 2011 en 15 december 2011 door de gemachtigde aan de Inspecteur gezonden brieven worden bezien in samenhang met latere uitlatingen van de gemachtigde, de Inspecteur redelijkerwijs moet hebben begrepen dat belanghebbende beoogde hem in gebreke te stellen. Op 13 april 2012 reageerde de gemachtigde bij brief op het verslag van de hoorzitting. Uit die reactie bleek dat niets meer in de weg stond aan het doen van uitspraak. Het Hof heeft deze reactie aangemerkt als ‘omslagpunt’ waarbij de ingebrekestelling ‘perfect’ werd. Daarvan uitgaande heeft het Hof geoordeeld dat de Inspecteur een dwangsom heeft verbeurd en heeft het deze dwangsom vastgesteld op € 1100.
4.3.
De middelen komen met rechts- en motiveringsklachten op tegen de in 4.2 bedoelde oordelen.
4.4.
Voor een ingebrekestelling als bedoeld in artikel 4:17, lid 3, Awb geldt de eis dat uit een geschrift duidelijk is dat de belanghebbende het bestuursorgaan maant om alsnog een bepaald besluit te nemen. Daarvoor is niet vereist dat in dit geschrift bepaalde termen zoals ‘aanmanen’ of ‘in gebreke stellen’ worden gebruikt. Wel is vereist dat het geschrift voldoende duidelijk maakt (i) op welke aanvraag het betrekking heeft, (ii) dat de belanghebbende zich op het standpunt stelt dat het bestuursorgaan niet tijdig op de aanvraag heeft beslist, en (iii) dat de belanghebbende erop aandringt dat een zodanige beslissing alsnog wordt genomen (zie ABRvS 24 december 2014, nr. 201402074/1/A3, ECLI:NL:RVS:2014:4682, AB 2015/47, en CRvB 4 augustus 2015, nr. 14/3490 WWB, ECLI:NL:CRVB:2015:2682, AB 2015/340).
4.5. ’
s Hofs oordeel houdt kennelijk in dat voormelde elementen van de ingebrekestelling kunnen zijn vervat in verschillende geschriften, waarbij van een ingebrekestelling sprake is – en de ingebrekestelling ‘perfect’ wordt – met het geschrift waarin het laatste ontbrekende element is opgenomen. Aldus berust ’s Hofs oordeel op een onjuiste rechtsopvatting. Wil sprake zijn van een ingebrekestelling dan dient het daartoe strekkende geschrift op zichzelf beschouwd voldoende duidelijk te zijn in die zin dat het alle constitutieve elementen, als hiervoor in 4.4 bedoeld, bevat.
4.6.
Aangezien de gedingstukken geen andere slotsom toestaan dan dat de brief van 13 april 2012 op zichzelf beschouwd niet kan worden aangemerkt als een ingebrekestelling in de zin van het hiervoor onder 4.4 overwogene, en de voordien aan de Inspecteur gezonden brieven evenmin, kan ’s Hofs oordeel geen stand houden. De middelen slagen in zoverre.
4.7.
De middelen kunnen voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5Slotsom
Uit hetgeen hiervoor in 4.6 is overwogen volgt dat het beroep in cassatie van de Staatssecretaris gegrond is en ’s Hofs uitspraak niet in stand kan blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. De stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat de Inspecteur niet een geschrift van (de gemachtigde van) belanghebbende heeft ontvangen dat voldoet aan de hiervoor onder 4.4 vermelde aan een ingebrekestelling te stellen eisen. De uitspraak van de Rechtbank dient daarom te worden bevestigd.
6Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
7Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond,
verklaart het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, en
bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, M.A. Fierstra, Th. Groeneveld en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2016.