Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:2912
Inhoudsindicatie
8:55 Verzet ongegrond. De inspecteur voert in verzet aan dat de brief van 3 april 2025 te onduidelijk is om als ingebrekestelling aan te merken. Naar het oordeel van de rechtbank is voldaan aan de voorwaarde dat belanghebbende zich op het standpunt stelt dat de inspecteur niet tijdig heeft beslist. In de brief van 3 april 2025 staat dat belanghebbende aandringt op het alsnog zo spoedig doen van een uitspraak op bezwaar. Niet valt in te zien dat deze zin alleen zou zien op de voortgang van de zaak en inzage in de stukken. Bovendien verwijst belanghebbende, zoals ook is overwogen in de uitspraak van 10 oktober 2025, naar een uitspraak van de Hoge Raad over artikel 4:17, derde lid van de Awb. Uit de omstandigheid dat belanghebbende aandringt op inzage in de stukken en aangeeft gehoord te willen worden, kan niet worden afgeleid dat belanghebbende zich niet op het standpunt stelt dat niet tijdig is beslist. Dat belanghebbende van die rechten gebruik wil maken is als uitgangspunt niet van invloed op de geldende bes
Citeert (2)
- ECLI:NL:HR:2016:1124 Hoge Raad 10-06-2016
- ECLI:NL:HR:2025:1473 Hoge Raad 17-10-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (6.404 tekens)
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/3658
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 april 2026 op het verzet van
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,
tegen de uitspraak van de rechtbank van 10 oktober 2025 in het geding tussen
[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende
(gemachtigde: mr. S.B.M.A. Engelen),
en
de inspecteur van de Belastingdienst.
Inleiding
1. Deze uitspraak op het verzet van de inspecteur gaat over de uitspraak van de rechtbank van 10 oktober 2025 waarin de rechtbank het beroep wegens het niet tijdig nemen van een beslissing op het bezwaar van 20 december 2024 gegrond heeft verklaard en een dwangsom heeft vastgesteld.
2. De inspecteur heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 10 oktober 2025 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep gegrond is en een dwangsom is toegekend. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet.
4. De inspecteur voert in verzet aan dat de brief van 3 april 2025 te onduidelijk is om als ingebrekestelling aan te merken. Het lijkt belanghebbende in die brief vooral te gaan om de voortgang van de hele zaak, en daarbinnen in die fase eerst om inzage in alle stukken. Dat er daarbij wordt aangedrongen op de voortgang is dan niet meer dan logisch. Een ingebrekestelling hoeft niet letterlijk het woord ingebrekestelling of aanmaning te bevatten, maar moet wel voldoende duidelijk en eenduidig zijn. De inspecteur verwijst in dat verband naar een arrest van de Hoge Raad voor de geldende eisen. De inspecteur stelt dat de brief van 3 april 2025 niet voldoet aan de voorwaarde dat belanghebbende zich op het standpunt stelt dat de inspecteur niet tijdig heeft beslist en dus geen sprake is van een ingebrekestelling.
5. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
6. In de brief van 3 april 2025 staat dat belanghebbende aandringt op het alsnog zo spoedig mogelijk doen van een uitspraak op bezwaar. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee voldaan aan de voorwaarde dat belanghebbende zich op het standpunt stelt dat de inspecteur niet tijdig heeft beslist. Niet valt in te zien dat deze zin alleen zou zien op de voortgang van de zaak en inzage in de stukken. Bovendien verwijst belanghebbende, zoals ook is overwogen in de uitspraak van 10 oktober 2025, naar een uitspraak van de Hoge Raad over artikel 4:17, derde lid van de Awb. Uit de omstandigheid dat belanghebbende aandringt op inzage in de stukken en aangeeft gehoord te willen worden, kan niet worden afgeleid dat belanghebbende zich niet op het standpunt stelt dat niet tijdig is beslist. Dat belanghebbende van die rechten gebruik wil maken is als uitgangspunt niet van invloed op de geldende beslistermijnen.
7. De rechtbank is dan ook van oordeel dat in de verzet bestreden uitspraak terecht is geoordeeld dat belanghebbende recht heeft op een dwangsom.
Conclusie en gevolgen
8. De gronden van het verzet slagen niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 10 oktober 2025. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van mr.W. Dekkers, griffier op 10 april 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de datum bekendmaking beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is
gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Hoge Raad 10 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1124, r.o. 4.4.
Uitspraak Hoge Raad 9 december 2022, ECLl:NL:HR:2022:1835.
Vgl. Hoge Raad 17 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1473 en artikel 4:15 van de Awb.