Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2015:264
2015-02-10
Strafrecht
13/00633
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2015:264 → ECLI:NL:GHARN:2012:BY5187
- conclusie ECLI:NL:HR:2015:264 → ECLI:NL:PHR:2014:2836 gevolgd
Inhoudsindicatie
Falende bewijsklacht dat vd door een passieve houding heeft “deelgenomen” aan een criminele organisatie. Van deelneming aan een criminele organisatie kan slechts dan sprake zijn, indien vd behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het binnen de organisatie bestaande oogmerk a.b.i. art. 140 Sr. Dat oordeel heeft het hof i.c. toereikend gemotiveerd. Ambtshalve: overschrijding redelijke termijn.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2015:253 Hoge Raad 10-02-2015
Geciteerd door (275)
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2650 Gerechtshof Den Haag 20-07-2026
- ECLI:NL:GHSHE:2026:1914 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 20-07-2026
- ECLI:NL:GHSHE:2026:1697 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 26-06-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:466 Parket bij de Hoge Raad 19-05-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:300 Parket bij de Hoge Raad 24-03-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:297 Parket bij de Hoge Raad 24-03-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:295 Parket bij de Hoge Raad 24-03-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:292 Parket bij de Hoge Raad 24-03-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:289 Parket bij de Hoge Raad 24-03-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:220 Parket bij de Hoge Raad 10-03-2026
- ECLI:NL:RBNNE:2026:193 Rechtbank Noord-Nederland 27-01-2026
- ECLI:NL:RBNNE:2026:193 Rechtbank Noord-Nederland 27-01-2026
- ECLI:NL:PHR:2025:1271 Parket bij de Hoge Raad 18-11-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:1270 Parket bij de Hoge Raad 18-11-2025
- ECLI:NL:OGEAC:2025:198 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 23-09-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:931 Parket bij de Hoge Raad 16-09-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:525 Parket bij de Hoge Raad 13-05-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:424 Parket bij de Hoge Raad 08-04-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:424 Parket bij de Hoge Raad 08-04-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:843 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 28-03-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:888 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 28-03-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:866 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 28-03-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:873 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 28-03-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:875 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 28-03-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:880 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 28-03-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:1707 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 27-03-2025
- ECLI:NL:RBNNE:2025:1156 Rechtbank Noord-Nederland 21-03-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1019 Gerechtshof Den Haag 05-03-2025
- ECLI:NL:RBOVE:2025:841 Rechtbank Overijssel 13-02-2025
- ECLI:NL:RBOVE:2025:826 Rechtbank Overijssel 13-02-2025
- ECLI:NL:RBOVE:2025:827 Rechtbank Overijssel 13-02-2025
- ECLI:NL:RBOVE:2025:838 Rechtbank Overijssel 13-02-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:365 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12-02-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:497 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12-02-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:366 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12-02-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:539 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12-02-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:496 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12-02-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:364 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12-02-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:533 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12-02-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:501 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12-02-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:586 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12-02-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:573 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12-02-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:498 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12-02-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:376 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12-02-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:574 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12-02-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:505 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12-02-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:534 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12-02-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:8 Parket bij de Hoge Raad 14-01-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:18 Parket bij de Hoge Raad 14-01-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2024:20055 Rechtbank Den Haag 27-11-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:20054 Rechtbank Den Haag 27-11-2024
- ECLI:NL:RBAMS:2024:5395 Rechtbank Amsterdam 02-09-2024
- ECLI:NL:RBAMS:2024:5377 Rechtbank Amsterdam 02-09-2024
- ECLI:NL:RBAMS:2024:5389 Rechtbank Amsterdam 02-09-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:4651 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12-07-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:4639 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12-07-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:4632 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12-07-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:4643 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12-07-2024
- ECLI:NL:RBGEL:2024:4093 Rechtbank Gelderland 04-07-2024
- ECLI:NL:RBAMS:2024:702 Rechtbank Amsterdam 27-02-2024
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (6.866 tekens)
10 februari 2015
Strafkamer
nr. S 13/00633
LBS/DAZ
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, zitting houdende te Arnhem, van 23 november 2012, nummer 24/001769-09, in de strafzaak tegen:
[verdachte]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965.
1Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. P.T.C. van Kampen, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest wat betreft de opgelegde straf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadsvrouwe heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2Beoordeling van het eerste, het tweede, het vierde en het vijfde middel
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3Beoordeling van het derde middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft - gezien art. 81, eerste lid, RO, en HR 10 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:253 - geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4Beoordeling van het zesde middel
4.1.
Het middel klaagt dat de bewezenverklaring van feit 5 onvoldoende met redenen is omkleed, omdat uit de bewijsvoering van het Hof niet kan worden afgeleid dat de verdachte door een passieve houding heeft "deelgenomen" aan een criminele organisatie.
4.2.1.
Onder 5 is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
"hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2004 tot en met 9 mei 2006 in de gemeente Zeewolde en/of de gemeente Utrecht, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, die gevormd werd door verdachte en/of het bedrijf [medeverdachte 1] en/of de natuurlijke personen [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [betrokkene 1] en/of [betrokkene 6] en/of [betrokkene 7] en/of [medeverdachte 5] en/of één of meer andere rechtspersonen en/of natuurlijke personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk valsheid in geschrifte en/of overtreding van de Wet Melding ongebruikelijke transacties en/of witwassen."
4.2.2.
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsvoering:
"Ten aanzien van feit 5
(...)
Het aandeel van verdachte in deze onderneming bestond uit:
- het accepteren van aangeboden gelden en het uitvoeren van wisseltransacties,
- het onderhouden van contacten met de wisselaars,
- het bepalen van de wisselkoers,
- het accepteren dat wisseltransacties niet juist werden geregistreerd,
- het toelaten dat ongebruikelijke transacties onjuist werden gemeld,
- het voortzetten van wisselpraktijken als wisseltransacties door het MOT waren doorgemeld aan justitie.
Het vereiste opzet kan voor verdachte worden afgeleid uit het gegeven dat hij bewust een bedrijfscultuur heeft laten ontstaan en laten voortbestaan waarin de regels omtrent het melden van ongebruikelijke transacties structureel niet werden nageleefd. Daarbij was het voor alle betrokkenen, ook voor verdachte, duidelijk dat de ter wisseling aangeboden gelden wel eens een criminele herkomst konden hebben.
Op basis van de hiervoor weergegeven punten kan worden aangenomen dat onder meer [medeverdachte 1], verdachte, [medeverdachte 3], [betrokkene 6], [betrokkene 7], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] hebben deelgenomen aan de criminele organisatie en dat het vereiste onvoorwaardelijke opzet bij hen aanwezig was. Zij hoorden immers tot het samenwerkingsverband en hadden een aandeel in gedragingen die strekten tot of rechtstreeks verband hielden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie."
4.3.
Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat van deelneming aan een organisatie als bedoeld in de art. 140 Sr slechts dan sprake kan zijn, indien de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk (vgl. HR 29 januari 1991, DD 91.168 en 169).
4.4. '
s Hofs oordeel dat de verdachte daadwerkelijk een aandeel heeft gehad in, of heeft ondersteund, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het binnen de organisatie bestaande oogmerk en derhalve in de bewezenverklaring vermelde periode aan die organisatie heeft "deelgenomen" in de hiervoor bedoelde betekenis, is toereikend gemotiveerd.
4.5.
Het middel faalt.
5Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
6Slotsom
Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 5 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
7Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
vermindert deze in die zin dat deze zeventien maanden en een week, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren beloopt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en N. Jörg, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 februari 2015.
Strafkamer
nr. S 13/00633
LBS/DAZ
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, zitting houdende te Arnhem, van 23 november 2012, nummer 24/001769-09, in de strafzaak tegen:
[verdachte]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965.
1Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. P.T.C. van Kampen, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest wat betreft de opgelegde straf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadsvrouwe heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2Beoordeling van het eerste, het tweede, het vierde en het vijfde middel
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3Beoordeling van het derde middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft - gezien art. 81, eerste lid, RO, en HR 10 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:253 - geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4Beoordeling van het zesde middel
4.1.
Het middel klaagt dat de bewezenverklaring van feit 5 onvoldoende met redenen is omkleed, omdat uit de bewijsvoering van het Hof niet kan worden afgeleid dat de verdachte door een passieve houding heeft "deelgenomen" aan een criminele organisatie.
4.2.1.
Onder 5 is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
"hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2004 tot en met 9 mei 2006 in de gemeente Zeewolde en/of de gemeente Utrecht, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, die gevormd werd door verdachte en/of het bedrijf [medeverdachte 1] en/of de natuurlijke personen [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [betrokkene 1] en/of [betrokkene 6] en/of [betrokkene 7] en/of [medeverdachte 5] en/of één of meer andere rechtspersonen en/of natuurlijke personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk valsheid in geschrifte en/of overtreding van de Wet Melding ongebruikelijke transacties en/of witwassen."
4.2.2.
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsvoering:
"Ten aanzien van feit 5
(...)
Het aandeel van verdachte in deze onderneming bestond uit:
- het accepteren van aangeboden gelden en het uitvoeren van wisseltransacties,
- het onderhouden van contacten met de wisselaars,
- het bepalen van de wisselkoers,
- het accepteren dat wisseltransacties niet juist werden geregistreerd,
- het toelaten dat ongebruikelijke transacties onjuist werden gemeld,
- het voortzetten van wisselpraktijken als wisseltransacties door het MOT waren doorgemeld aan justitie.
Het vereiste opzet kan voor verdachte worden afgeleid uit het gegeven dat hij bewust een bedrijfscultuur heeft laten ontstaan en laten voortbestaan waarin de regels omtrent het melden van ongebruikelijke transacties structureel niet werden nageleefd. Daarbij was het voor alle betrokkenen, ook voor verdachte, duidelijk dat de ter wisseling aangeboden gelden wel eens een criminele herkomst konden hebben.
Op basis van de hiervoor weergegeven punten kan worden aangenomen dat onder meer [medeverdachte 1], verdachte, [medeverdachte 3], [betrokkene 6], [betrokkene 7], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] hebben deelgenomen aan de criminele organisatie en dat het vereiste onvoorwaardelijke opzet bij hen aanwezig was. Zij hoorden immers tot het samenwerkingsverband en hadden een aandeel in gedragingen die strekten tot of rechtstreeks verband hielden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie."
4.3.
Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat van deelneming aan een organisatie als bedoeld in de art. 140 Sr slechts dan sprake kan zijn, indien de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk (vgl. HR 29 januari 1991, DD 91.168 en 169).
4.4. '
s Hofs oordeel dat de verdachte daadwerkelijk een aandeel heeft gehad in, of heeft ondersteund, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het binnen de organisatie bestaande oogmerk en derhalve in de bewezenverklaring vermelde periode aan die organisatie heeft "deelgenomen" in de hiervoor bedoelde betekenis, is toereikend gemotiveerd.
4.5.
Het middel faalt.
5Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
6Slotsom
Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 5 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
7Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
vermindert deze in die zin dat deze zeventien maanden en een week, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren beloopt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en N. Jörg, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 februari 2015.