Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2014:418
2014-02-28
Bestuursrecht; Belastingrecht
13/01830
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2014:418 → ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ4768 bekrachtiging/bevestiging
Inhoudsindicatie
Bestuursprocesrecht. Invordering. Art. 36, lid 2, IW 1990. Bewijs(last) betreffende de ontvangst door de Ontvanger van een brief, strekkende tot kennisgeving van liquiditeitsproblemen. Voortzetting BNB 2012/145.
Citeert (2)
- ECLI:NL:HR:2012:BV3927 Hoge Raad 17-02-2012
- ECLI:NL:HR:2006:AZ4416 Hoge Raad 15-12-2006
Geciteerd door (34)
- ECLI:NL:RBGEL:2026:4981 Rechtbank Gelderland 24-06-2026
- ECLI:NL:HR:2026:570 Hoge Raad 10-04-2026
- ECLI:NL:HR:2026:570 Hoge Raad 10-04-2026
- ECLI:NL:HR:2026:570 Hoge Raad 10-04-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2024:1690 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14-03-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2023:3802 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 31-10-2023
- ECLI:NL:GHDHA:2023:2106 Gerechtshof Den Haag 20-09-2023
- ECLI:NL:RBROT:2023:6090 Rechtbank Rotterdam 12-07-2023
- ECLI:NL:RBNHO:2022:12140 Rechtbank Noord-Holland 20-12-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2022:4443 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 07-12-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2022:5477 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 22-09-2022
- ECLI:NL:RBROT:2022:5959 Rechtbank Rotterdam 21-07-2022
- ECLI:NL:RBROT:2022:5959 Rechtbank Rotterdam 21-07-2022
- ECLI:NL:RBNNE:2022:1354 Rechtbank Noord-Nederland 25-04-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2022:192 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 26-01-2022
- ECLI:NL:RBZWB:2021:5093 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 07-10-2021
- ECLI:NL:GHDHA:2020:1686 Gerechtshof Den Haag 15-09-2020
- ECLI:NL:GHARL:2020:7152 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 08-09-2020
- ECLI:NL:GHSHE:2020:2215 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 16-07-2020
- ECLI:NL:GHARL:2020:2880 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 07-04-2020
- ECLI:NL:GHARL:2019:6884 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 27-08-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:703 Parket bij de Hoge Raad 26-06-2019
- ECLI:NL:GHARL:2019:1939 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 05-03-2019
- ECLI:NL:GHSHE:2018:745 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 22-02-2018
- ECLI:NL:RBZWB:2017:7741 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 09-11-2017
- ECLI:NL:PHR:2017:1016 Parket bij de Hoge Raad 25-09-2017
- ECLI:NL:GHSHE:2017:703 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 23-02-2017
- ECLI:NL:GHSHE:2016:4052 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 08-09-2016
- ECLI:NL:GHARL:2016:6922 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 30-08-2016
- ECLI:NL:PHR:2015:997 Parket bij de Hoge Raad 23-06-2015
- ECLI:NL:GHSHE:2015:1175 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 02-04-2015
- ECLI:NL:GHAMS:2015:1316 Gerechtshof Amsterdam 12-03-2015
- ECLI:NL:PHR:2015:174 Parket bij de Hoge Raad 02-03-2015
- ECLI:NL:PHR:2015:164 Parket bij de Hoge Raad 02-03-2015
Volledige tekst
Volledige tekst (6.311 tekens)
28 februari 2014
nr. 13/01830
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 14 maart 2013, nr. 12/00169, betreffende een beschikking tot aansprakelijkstelling ingevolge de Invorderingswet 1990.
1Het geding in feitelijke instanties
Belanghebbende is bij beschikking van de Ontvanger van 21 december 2007 op de voet van artikel 36 van de Invorderingswet 1990 aansprakelijk gesteld voor door [A] B.V. verschuldigde loonbelasting/premie volksverzekeringen. Na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar heeft de Ontvanger het bedrag van de aansprakelijkstelling verminderd.
De Rechtbank te 's-Gravenhage (nr. AWB 08/6023 IW) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage.
Dit hof (nr. BK-09/00586) heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.
2Het eerste geding in cassatie
De uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage is op het beroep van belanghebbende bij arrest van de Hoge Raad van 17 februari 2012, nr. 10/02179, ECLI:NL:HR:2012:BV3927, BNB 2012/145, vernietigd, met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
3Het tweede geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
4Beoordeling van de middelen
4.1.
Voor het Hof was onder meer in geschil of belanghebbende bij brief van 28 augustus 2006 (hierna: de brief) een zogenoemde melding van betalingsonmacht heeft gedaan als bedoeld in artikel 36, lid 2, van de Invorderingswet 1990.
4.2.1.
Het Hof heeft, in cassatie onbestreden, geoordeeld dat de brief is verzonden.
4.2.2.
Vervolgens heeft het Hof geoordeeld dat de Ontvanger de ontvangst van de brief op geloofwaardige wijze heeft ontkend. Dit oordeel berust op de door het Hof voor waar gehouden verklaringen van de Ontvanger dat een reactie op de brief is uitgebleven, dat de brief ook niet is aangetroffen in de dossiers loonbelasting en omzetbelasting en dat uit die dossiers nog niets is vernietigd. Het Hof heeft hieraan de conclusie verbonden dat niet door middel van de brief een melding van betalingsonmacht is gedaan.
4.3.1.
Bij de behandeling van middel I, dat zich richt tegen het hiervoor in 4.2.2 weergegeven oordeel van het Hof, wordt het volgende vooropgesteld.
Indien, zoals in het onderhavige geval, een bestuursorgaan stelt een niet aangetekend verzonden stuk niet te hebben ontvangen, is het in beginsel aan de belanghebbende om aannemelijk te maken dat het stuk op het adres van de geadresseerde is ontvangen. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt evenwel het vermoeden van ontvangst van het stuk op dat adres. Dit brengt mee dat de belanghebbende in eerste instantie kan volstaan met het bewijs van verzending naar het juiste adres. Het ligt vervolgens op de weg van het bestuursorgaan voormeld vermoeden te ontzenuwen. Daartoe is het voldoende is dat op grond van hetgeen de Ontvanger aanvoert ontvangst van het stuk op het bedoelde adres redelijkerwijs moet worden betwijfeld. Slaagt het bestuursorgaan daarin, dan zal de ontvangst van het stuk slechts aannemelijk geoordeeld kunnen worden indien de belanghebbende daarvan nader bewijs levert. Indien niet aannemelijk wordt dat het stuk op het adres van het bestuursorgaan is ontvangen, ligt het op de weg van de belanghebbende - in voorkomend geval - aannemelijk te maken dat zulks het gevolg is van aan het bestuursorgaan toe te rekenen omstandigheden (vgl. HR 15 december 2006, nr. 41882, ECLI:NL:HR:2006:AZ4416, BNB 2007/112).
4.3.2.
In ’s Hofs oordeel dat de Ontvanger de ontvangst van de brief op geloofwaardige wijze heeft ontkend, ligt begrepen dat die ontvangst op grond van hetgeen de Ontvanger heeft aangevoerd redelijkerwijs moet worden betwijfeld. Gelet op het hiervoor in 4.3.1 overwogene geeft dat oordeel geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Het Hof hoefde zich van zijn oordeel niet te laten weerhouden door belanghebbendes stelling dat volgens statistische gegevens van het Ministerie van Financiën 99,8 percent van alle aangeboden post ook daadwerkelijk wordt bezorgd.
4.3.3.
Uit de stukken van het geding blijkt niet dat belanghebbende voor het Hof nader bewijs heeft geleverd of aangeboden van de ontvangst van de brief en evenmin dat zij voor het Hof heeft gesteld dat het niet ontvangen van de brief door de Ontvanger het gevolg is van aan hem toe te rekenen omstandigheden.
4.3.4.
Op grond van het hiervoor in 4.3.1 tot en met 4.3.3 overwogene kan middel I niet tot cassatie leiden. Dit brengt mee dat middel II, dat voortbouwt op middel I, evenmin tot cassatie kan leiden.
5Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
6Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren R.J. Koopman en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2014.
nr. 13/01830
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 14 maart 2013, nr. 12/00169, betreffende een beschikking tot aansprakelijkstelling ingevolge de Invorderingswet 1990.
1Het geding in feitelijke instanties
Belanghebbende is bij beschikking van de Ontvanger van 21 december 2007 op de voet van artikel 36 van de Invorderingswet 1990 aansprakelijk gesteld voor door [A] B.V. verschuldigde loonbelasting/premie volksverzekeringen. Na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar heeft de Ontvanger het bedrag van de aansprakelijkstelling verminderd.
De Rechtbank te 's-Gravenhage (nr. AWB 08/6023 IW) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage.
Dit hof (nr. BK-09/00586) heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.
2Het eerste geding in cassatie
De uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage is op het beroep van belanghebbende bij arrest van de Hoge Raad van 17 februari 2012, nr. 10/02179, ECLI:NL:HR:2012:BV3927, BNB 2012/145, vernietigd, met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
3Het tweede geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
4Beoordeling van de middelen
4.1.
Voor het Hof was onder meer in geschil of belanghebbende bij brief van 28 augustus 2006 (hierna: de brief) een zogenoemde melding van betalingsonmacht heeft gedaan als bedoeld in artikel 36, lid 2, van de Invorderingswet 1990.
4.2.1.
Het Hof heeft, in cassatie onbestreden, geoordeeld dat de brief is verzonden.
4.2.2.
Vervolgens heeft het Hof geoordeeld dat de Ontvanger de ontvangst van de brief op geloofwaardige wijze heeft ontkend. Dit oordeel berust op de door het Hof voor waar gehouden verklaringen van de Ontvanger dat een reactie op de brief is uitgebleven, dat de brief ook niet is aangetroffen in de dossiers loonbelasting en omzetbelasting en dat uit die dossiers nog niets is vernietigd. Het Hof heeft hieraan de conclusie verbonden dat niet door middel van de brief een melding van betalingsonmacht is gedaan.
4.3.1.
Bij de behandeling van middel I, dat zich richt tegen het hiervoor in 4.2.2 weergegeven oordeel van het Hof, wordt het volgende vooropgesteld.
Indien, zoals in het onderhavige geval, een bestuursorgaan stelt een niet aangetekend verzonden stuk niet te hebben ontvangen, is het in beginsel aan de belanghebbende om aannemelijk te maken dat het stuk op het adres van de geadresseerde is ontvangen. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt evenwel het vermoeden van ontvangst van het stuk op dat adres. Dit brengt mee dat de belanghebbende in eerste instantie kan volstaan met het bewijs van verzending naar het juiste adres. Het ligt vervolgens op de weg van het bestuursorgaan voormeld vermoeden te ontzenuwen. Daartoe is het voldoende is dat op grond van hetgeen de Ontvanger aanvoert ontvangst van het stuk op het bedoelde adres redelijkerwijs moet worden betwijfeld. Slaagt het bestuursorgaan daarin, dan zal de ontvangst van het stuk slechts aannemelijk geoordeeld kunnen worden indien de belanghebbende daarvan nader bewijs levert. Indien niet aannemelijk wordt dat het stuk op het adres van het bestuursorgaan is ontvangen, ligt het op de weg van de belanghebbende - in voorkomend geval - aannemelijk te maken dat zulks het gevolg is van aan het bestuursorgaan toe te rekenen omstandigheden (vgl. HR 15 december 2006, nr. 41882, ECLI:NL:HR:2006:AZ4416, BNB 2007/112).
4.3.2.
In ’s Hofs oordeel dat de Ontvanger de ontvangst van de brief op geloofwaardige wijze heeft ontkend, ligt begrepen dat die ontvangst op grond van hetgeen de Ontvanger heeft aangevoerd redelijkerwijs moet worden betwijfeld. Gelet op het hiervoor in 4.3.1 overwogene geeft dat oordeel geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Het Hof hoefde zich van zijn oordeel niet te laten weerhouden door belanghebbendes stelling dat volgens statistische gegevens van het Ministerie van Financiën 99,8 percent van alle aangeboden post ook daadwerkelijk wordt bezorgd.
4.3.3.
Uit de stukken van het geding blijkt niet dat belanghebbende voor het Hof nader bewijs heeft geleverd of aangeboden van de ontvangst van de brief en evenmin dat zij voor het Hof heeft gesteld dat het niet ontvangen van de brief door de Ontvanger het gevolg is van aan hem toe te rekenen omstandigheden.
4.3.4.
Op grond van het hiervoor in 4.3.1 tot en met 4.3.3 overwogene kan middel I niet tot cassatie leiden. Dit brengt mee dat middel II, dat voortbouwt op middel I, evenmin tot cassatie kan leiden.
5Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
6Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren R.J. Koopman en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2014.