Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2013:BZ4478
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2013:BZ4478 → ECLI:NL:PHR:2013:BZ4478
Inhoudsindicatie
Verzuim aftrek voorarrest. Art. 27 Sr. Zoals de HR heeft overwogen in zijn arresten van 11 september 2012 (LJN BX0146, LJN BX0132, LJN BX0129 en LIJN BX7004) behoort het verzuim toepassing te geven aan de art. 27 Sr bedoelde aftrek tot de verzuimen die voor de invoering van art. 80a RO grond vormden voor vernietiging van de bestreden uitspraak, doch nadien met toepassing van art. 80a RO - of in voorkomende gevallen met toepassing van art. 81.1 RO - niet langer tot cassatie nopen. Dat berust erop dat bij vernietiging van de bestreden uitspraak niet voldoende in rechte te respecteren belang bestaat. Het verzuim toepassing te geven aan de wettelijk voorgeschreven aftrek a.b.i. art. 27 Sr vormt immers een onmiddellijk kenbare fout die zich voor eenvoudig herstel leent door de rechter(s) die op de zaak heeft/hebben gezeten overeenkomstig hetgeen de HR heeft beslist in zijn arresten van 6 juli 2010 (LJN BJ7243) en 12 juni 2012 (LJN BW1478). Deze wijze van herstel verdient de voorkeur, omdat daardoor ondubbelzinnig duidelijkheid komt te bestaan omtrent de voor tenuitvoerlegging vatbare strafoplegging. Maar ook indien zodanige herstelbeslissing achterwege blijft, bestaat bij vernietiging van de bestreden uitspraak waarin verzuimd is de aftrek van art. 27 Sr te bevelen onvoldoende in rechte te respecteren belang. Er is in zo een geval immers sprake van een voor een ieder evidente vergissing op grond waarvan die uitspraak verbeterd moet worden gelezen, en wel aldus dat bedoelde aftrek is bevolen. Een redelijk handelend OM dat met de tenuitvoerlegging van de strafoplegging is belast kan zich dan ook niet op het standpunt stellen dat de straf zonder die aftrek moet worden tenuitvoergelegd. In het geval het gaat om een taakstraf a.b.i. art. 27.1 Sr dient de aftrek te geschieden naar de gebruikelijke maatstaf van twee uren per dag. Indien, zoals in het onderhavige geval, de verdachte naast de taakstraf, is veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf, dient de tijd die door de veroordeelde is doorgebracht in de in art. 27.1 Sr bedoelde vrijheidsbenemende situaties in mindering te worden gebracht op de taakstraf.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (39)
- ECLI:NL:PHR:2026:837 Parket bij de Hoge Raad 01-09-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:837 Parket bij de Hoge Raad 01-09-2026
- ECLI:NL:PHR:2025:1232 Parket bij de Hoge Raad 11-11-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:1232 Parket bij de Hoge Raad 11-11-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:1232 Parket bij de Hoge Raad 11-11-2025
- ECLI:NL:PHR:2024:108 Parket bij de Hoge Raad 30-01-2024
- ECLI:NL:PHR:2023:791 Parket bij de Hoge Raad 12-09-2023
- ECLI:NL:PHR:2021:693 Parket bij de Hoge Raad 06-07-2021
- ECLI:NL:PHR:2020:729 Parket bij de Hoge Raad 25-08-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:6330 Rechtbank Den Haag 08-07-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:569 Parket bij de Hoge Raad 14-04-2020
- ECLI:NL:HR:2019:1081 Hoge Raad 09-07-2019
- ECLI:NL:HR:2019:1081 Hoge Raad 09-07-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:982 Parket bij de Hoge Raad 09-07-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:459 Parket bij de Hoge Raad 14-05-2019
- ECLI:NL:PHR:2019:354 Parket bij de Hoge Raad 19-02-2019
- ECLI:NL:PHR:2018:712 Parket bij de Hoge Raad 03-07-2018
- ECLI:NL:HR:2018:374 Hoge Raad 20-03-2018
- ECLI:NL:HR:2017:1165 Hoge Raad 27-06-2017
- ECLI:NL:PHR:2017:953 Parket bij de Hoge Raad 27-06-2017
- ECLI:NL:PHR:2017:545 Parket bij de Hoge Raad 23-05-2017
- ECLI:NL:PHR:2017:545 Parket bij de Hoge Raad 23-05-2017
- ECLI:NL:PHR:2017:297 Parket bij de Hoge Raad 07-03-2017
- ECLI:NL:PHR:2017:297 Parket bij de Hoge Raad 07-03-2017
- ECLI:NL:PHR:2016:1327 Parket bij de Hoge Raad 16-12-2016
- ECLI:NL:PHR:2016:1039 Parket bij de Hoge Raad 27-09-2016
- ECLI:NL:HR:2016:1005 Hoge Raad 07-06-2016
- ECLI:NL:PHR:2016:508 Parket bij de Hoge Raad 19-04-2016
- ECLI:NL:PHR:2015:2367 Parket bij de Hoge Raad 29-09-2015
- ECLI:NL:PHR:2015:2041 Parket bij de Hoge Raad 08-09-2015
- ECLI:NL:PHR:2015:1386 Parket bij de Hoge Raad 26-05-2015
- ECLI:NL:PHR:2015:1386 Parket bij de Hoge Raad 26-05-2015
- ECLI:NL:PHR:2015:1307 Parket bij de Hoge Raad 26-05-2015
- ECLI:NL:RBDHA:2015:6066 Rechtbank Den Haag 12-03-2015
- ECLI:NL:PHR:2014:281 Parket bij de Hoge Raad 18-02-2014
- ECLI:NL:PHR:2014:97 Parket bij de Hoge Raad 07-01-2014
- ECLI:NL:PHR:2013:2268 Parket bij de Hoge Raad 12-11-2013
- ECLI:NL:PHR:2013:2268 Parket bij de Hoge Raad 12-11-2013
- ECLI:NL:HR:2013:822 Hoge Raad 01-10-2013
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (5.465 tekens)
Strafkamer
nr. S 11/02625
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 18 mei 2011, nummer 23/002750-10, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. B.P. de Boer, advocaat te Haarlem, middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de opgelegde straf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het eerste middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Beoordeling van het tweede middel
3.1. Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan art. 27, eerste lid, Sr.
3.2. De stukken van het geding waarvan de Hoge Raad kennis neemt houden in dat de verdachte op 19 mei 2008 in verzekering is gesteld, dat de Officier van Justitie op 21 mei 2008 heeft gevorderd dat de verdachte in bewaring wordt gesteld en dat de Rechter-Commissaris die vordering op die datum heeft afgewezen. Het Hof, dat de verdachte heeft veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van een maand en een werkstraf, heeft evenwel verzuimd toepassing te geven aan art. 27, eerste lid, Sr. Daarover klaagt het middel op zichzelf terecht.
3.3. Zoals de Hoge Raad heeft overwogen in zijn arresten van 11 september 2012 (LJN BX0146, LJN BX0132, LJN BX0129 en LJN BX7004) behoort het verzuim toepassing te geven aan de in art. 27 Sr bedoelde aftrek tot de verzuimen die voor de invoering van art. 80a RO grond vormden voor vernietiging van de bestreden uitspraak, doch nadien met toepassing van art. 80a RO - of in voorkomende gevallen met toepassing van art. 81, eerste lid, RO - niet langer tot cassatie nopen. Dat berust erop dat bij vernietiging van de bestreden uitspraak niet voldoende in rechte te respecteren belang bestaat. Het verzuim toepassing te geven aan de wettelijk voorgeschreven aftrek als bedoeld in art. 27 Sr vormt immers een onmiddellijk kenbare fout die zich voor eenvoudig herstel leent door de rechter(s) die op de zaak heeft/hebben gezeten overeenkomstig hetgeen de Hoge Raad heeft beslist in zijn arresten van 6 juli 2010 (LJN BJ7243, NJ 2012/248) en 12 juni 2012 (LJN BW1478, NJ 2012/490). Deze wijze van herstel verdient de voorkeur, omdat daardoor ondubbelzinnig duidelijkheid komt te bestaan omtrent de voor tenuitvoerlegging vatbare strafoplegging.
Maar ook indien zodanige herstelbeslissing achterwege blijft, bestaat bij vernietiging van de bestreden uitspraak waarin verzuimd is de aftrek van art. 27 Sr te bevelen onvoldoende in rechte te respecteren belang. Er is in zo een geval immers sprake van een voor eenieder evidente vergissing op grond waarvan die uitspraak verbeterd moet worden gelezen, en wel aldus dat de bedoelde aftrek is bevolen. Een redelijk handelend openbaar ministerie dat met de tenuitvoerlegging van de strafoplegging is belast kan zich dan ook niet op het standpunt stellen dat de straf zonder die aftrek moet worden ten uitvoer gelegd. In het geval het gaat om een taakstraf als bedoeld in art. 27, eerste lid, Sr dient de aftrek te geschieden naar de gebruikelijke maatstaf van twee uren per dag. Indien, zoals in het onderhavige geval, de verdachte naast de taakstraf, is veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf, dient de tijd die door de veroordeelde is doorgebracht in de in art. 27, eerste lid, Sr bedoelde vrijheidsbenemende situaties in mindering te worden gebracht op de taakstraf.
3.4. Het vorenstaande brengt mee dat het middel niet tot cassatie kan leiden.
4. Beoordeling van het derde middel
4.1. Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
4.2. Het middel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde werkstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis.
5. Slotsom
Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend naar aanleiding van het derde middel wat betreft het aantal uren te verrichten werkstraf en de duur van de vervangende hechtenis;
vermindert het aantal uren werkstraf en de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat deze 114 uren, subsidiair 57 dagen hechtenis, bedraagt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 19 maart 2013.