Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2013:1014
2013-10-18
Strafrecht
11/02589
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2013:1014 → ECLI:NL:PHR:2013:728 gevolgd
Inhoudsindicatie
Herstelarrest. Foutieve vermelding van het verminderde ontnemingsbedrag als gevolg van de overschrijding van de redelijke termijn in cassatie a.b.i. art. 6.1 EVRM. De Hoge Raad verbetert deze misslag in het op 10 september 2013 in de zaak 11/02589P uitgesproken arrest.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (2)
- ECLI:NL:PHR:2026:837 Parket bij de Hoge Raad 01-09-2026
- ECLI:NL:PHR:2016:492 Parket bij de Hoge Raad 26-04-2016
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (5.149 tekens)
18 oktober 2013
Strafkamer
nr. 11/02589 P
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 27 mei 2011, nummer 23/001468-09, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:
[betrokkene]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974.
1De procesgang in cassatie
1.1.
De Hoge Raad heeft in deze zaak bij het arrest van 10 september 2013 de bestreden uitspraak vernietigd, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, en het te betalen bedrag verminderd in die zin dat de hoogte daarvan € 3.012.973,- bedraagt, met verwerping van het beroep voor het overige.
1.2.
In dat arrest is vermeld dat aan de betrokkene een betalingsverplichting is opgelegd van € 3.017.973,80 en is overwogen dat als gevolg van de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM die betalingsverplichting moet worden verminderd. De vermelding van het bedrag van € 3.017.973,80 is een misslag. Aan de betrokkene was door de Rechtbank bij het in zoverre door het Hof bevestigde vonnis van 9 maart 2009 (parketnummer 13/520006) een betalingsverplichting opgelegd van € 1.961.515,80. Daarom dient de laatste volzin in rov. 3 van het arrest van de Hoge Raad van 10 september 2013 als volgt te worden gelezen: "Dit moet leiden tot vermindering van de aan de betrokkene opgelegde betalingsverplichting van € 1.961.515,80".
1.3.
Deze wijziging heeft tot gevolg dat in het arrest van de Hoge Raad van 10 september 2013 de tweede zin van de Beslissing als volgt dient te worden gelezen:
"vermindert het te betalen bedrag in die zin dat de hoogte daarvan € 1.956.515,- bedraagt".
2Beslissing
De Hoge Raad:
bepaalt dat het in deze zaak op 10 september 2013 uitgesproken arrest moet worden gelezen met inachtneming van de hiervoor vermelde verbeteringen.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer H.A.G. Splinter-van Kan als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, en uitgesproken op 18 oktober 2013.
10 september 2013
Strafkamer
nr. 11/02589 P
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 27 mei 2011, nummer 23/001468-09, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:
[betrokkene]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974.
1Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. A.M. Moszkowicz, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest wat betreft de hoogte van het opgelegde ontnemingsbedrag, tot vermindering van de hoogte daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2Beoordeling van de middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de betrokkene opgelegde betalingsverplichting van € 3.017.973,80.
4Slotsom
Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 3 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
5Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
vermindert het te betalen bedrag in die zin dat de hoogte daarvan € 3.012.973,– bedraagt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer H.A.G. Splinter-van Kan als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, en uitgesproken op 10 september 2013.
Strafkamer
nr. 11/02589 P
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 27 mei 2011, nummer 23/001468-09, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:
[betrokkene]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974.
1De procesgang in cassatie
1.1.
De Hoge Raad heeft in deze zaak bij het arrest van 10 september 2013 de bestreden uitspraak vernietigd, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, en het te betalen bedrag verminderd in die zin dat de hoogte daarvan € 3.012.973,- bedraagt, met verwerping van het beroep voor het overige.
1.2.
In dat arrest is vermeld dat aan de betrokkene een betalingsverplichting is opgelegd van € 3.017.973,80 en is overwogen dat als gevolg van de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM die betalingsverplichting moet worden verminderd. De vermelding van het bedrag van € 3.017.973,80 is een misslag. Aan de betrokkene was door de Rechtbank bij het in zoverre door het Hof bevestigde vonnis van 9 maart 2009 (parketnummer 13/520006) een betalingsverplichting opgelegd van € 1.961.515,80. Daarom dient de laatste volzin in rov. 3 van het arrest van de Hoge Raad van 10 september 2013 als volgt te worden gelezen: "Dit moet leiden tot vermindering van de aan de betrokkene opgelegde betalingsverplichting van € 1.961.515,80".
1.3.
Deze wijziging heeft tot gevolg dat in het arrest van de Hoge Raad van 10 september 2013 de tweede zin van de Beslissing als volgt dient te worden gelezen:
"vermindert het te betalen bedrag in die zin dat de hoogte daarvan € 1.956.515,- bedraagt".
2Beslissing
De Hoge Raad:
bepaalt dat het in deze zaak op 10 september 2013 uitgesproken arrest moet worden gelezen met inachtneming van de hiervoor vermelde verbeteringen.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer H.A.G. Splinter-van Kan als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, en uitgesproken op 18 oktober 2013.
10 september 2013
Strafkamer
nr. 11/02589 P
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 27 mei 2011, nummer 23/001468-09, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:
[betrokkene]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974.
1Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. A.M. Moszkowicz, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest wat betreft de hoogte van het opgelegde ontnemingsbedrag, tot vermindering van de hoogte daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2Beoordeling van de middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de betrokkene opgelegde betalingsverplichting van € 3.017.973,80.
4Slotsom
Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 3 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
5Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
vermindert het te betalen bedrag in die zin dat de hoogte daarvan € 3.012.973,– bedraagt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer H.A.G. Splinter-van Kan als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, en uitgesproken op 10 september 2013.