Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2010:BM9141
2010-09-21
Strafrecht
09/00171
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2010:BM9141 → ECLI:NL:PHR:2010:BM9141
Inhoudsindicatie
Beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter i.d.z.v. art. 6.1 EVRM dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzigingen opleveren voor het oordeel dat hij jegens verdachte een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verdachte dienaangaande bestaande vrees gerechtvaardigd is. Daarvan is geen sprake als een rechter getuige mededeelt te denken dat hij liegt en aldus de verdenking van meindeed bestaat. Vzv. Het middel is gericht tegen de wrakingsbeslissing: n-o o.g.v. art. 515.5 Sv.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (142)
- ECLI:NL:CRVB:2025:1908 Centrale Raad van Beroep 01-12-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:5578 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 11-09-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:5577 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 11-09-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:2661 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 29-04-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:2654 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 29-04-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:382 Parket bij de Hoge Raad 25-03-2025
- ECLI:NL:GHARL:2025:469 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 28-01-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:1684 Gerechtshof Den Haag 14-01-2025
- ECLI:NL:CRVB:2024:1031 Centrale Raad van Beroep 30-05-2024
- ECLI:NL:CRVB:2024:1029 Centrale Raad van Beroep 30-05-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:3360 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 14-05-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:759 Gerechtshof Den Haag 26-04-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:616 Gerechtshof Den Haag 12-04-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:1516 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 27-02-2024
- ECLI:NL:GHARL:2024:1517 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 27-02-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2024:228 Gerechtshof Den Haag 02-02-2024
- ECLI:NL:CRVB:2024:54 Centrale Raad van Beroep 09-01-2024
- ECLI:NL:CRVB:2024:55 Centrale Raad van Beroep 09-01-2024
- ECLI:NL:CRVB:2023:2309 Centrale Raad van Beroep 28-11-2023
- ECLI:NL:CRVB:2023:2308 Centrale Raad van Beroep 28-11-2023
- ECLI:NL:CRVB:2023:2166 Centrale Raad van Beroep 31-10-2023
- ECLI:NL:CRVB:2023:1862 Centrale Raad van Beroep 25-09-2023
- ECLI:NL:CRVB:2023:1317 Centrale Raad van Beroep 28-06-2023
- ECLI:NL:CRVB:2023:1155 Centrale Raad van Beroep 16-06-2023
- ECLI:NL:CRVB:2023:1666 Centrale Raad van Beroep 12-06-2023
- ECLI:NL:CRVB:2023:1045 Centrale Raad van Beroep 06-06-2023
- ECLI:NL:CRVB:2023:454 Centrale Raad van Beroep 13-03-2023
- ECLI:NL:CRVB:2023:413 Centrale Raad van Beroep 06-03-2023
- ECLI:NL:GHDHA:2023:561 Gerechtshof Den Haag 01-03-2023
- ECLI:NL:CRVB:2022:2573 Centrale Raad van Beroep 28-11-2022
- ECLI:NL:CRVB:2022:2861 Centrale Raad van Beroep 24-10-2022
- ECLI:NL:CRVB:2022:2095 Centrale Raad van Beroep 03-10-2022
- ECLI:NL:CRVB:2022:1975 Centrale Raad van Beroep 29-08-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2022:2588 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 13-07-2022
- ECLI:NL:CRVB:2022:1203 Centrale Raad van Beroep 01-06-2022
- ECLI:NL:RBOBR:2022:2456 Rechtbank Oost-Brabant 25-05-2022
- ECLI:NL:GHARL:2022:3226 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 25-04-2022
- ECLI:NL:CRVB:2021:2851 Centrale Raad van Beroep 19-11-2021
- ECLI:NL:CRVB:2021:2920 Centrale Raad van Beroep 15-11-2021
- ECLI:NL:GHSHE:2021:4437 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 07-10-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:8102 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 24-08-2021
- ECLI:NL:CRVB:2021:2030 Centrale Raad van Beroep 03-08-2021
- ECLI:NL:CRVB:2021:1764 Centrale Raad van Beroep 21-07-2021
- ECLI:NL:GHSHE:2021:1663 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 03-06-2021
- ECLI:NL:CRVB:2021:1286 Centrale Raad van Beroep 20-05-2021
- ECLI:NL:CRVB:2021:947 Centrale Raad van Beroep 23-04-2021
- ECLI:NL:CRVB:2021:817 Centrale Raad van Beroep 12-04-2021
- ECLI:NL:GHAMS:2021:640 Gerechtshof Amsterdam 09-03-2021
- ECLI:NL:GHARL:2021:1906 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 02-03-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:238 Parket bij de Hoge Raad 26-01-2021
- ECLI:NL:CRVB:2021:60 Centrale Raad van Beroep 13-01-2021
- ECLI:NL:GHARL:2020:10813 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 22-12-2020
- ECLI:NL:CRVB:2020:3034 Centrale Raad van Beroep 02-12-2020
- ECLI:NL:CRVB:2020:2817 Centrale Raad van Beroep 16-11-2020
- ECLI:NL:RBOBR:2020:6986 Rechtbank Oost-Brabant 12-11-2020
- ECLI:NL:RBOBR:2020:6984 Rechtbank Oost-Brabant 12-11-2020
- ECLI:NL:RBROT:2020:9079 Rechtbank Rotterdam 07-10-2020
- ECLI:NL:GHARL:2020:6424 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 18-08-2020
- ECLI:NL:GHARL:2020:6585 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 18-08-2020
- ECLI:NL:CRVB:2020:1797 Centrale Raad van Beroep 07-08-2020
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (4.141 tekens)
21 september 2010
Strafkamer
nr. 09/00171
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 28 oktober 2008, nummer 20/003278-07, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1940, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.D.A. van Boom, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
1.2. De raadsman heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2. Beoordeling van het middel
2.1. Het middel klaagt in de kern dat het wrakingsverzoek door het Hof ten onrechte althans ontoereikend gemotiveerd is afgewezen.
2.2. Aangezien ingevolge art. 515, vijfde lid, Sv tegen een beslissing op een verzoek tot wraking geen rechtsmiddel openstaat, is het cassatieberoep in zoverre niet-ontvankelijk.
2.3. Voorts behelst het middel nog de klacht dat de verdachte in hoger beroep is veroordeeld door een gerecht dat niet voldeed aan het vereiste van een "impartial tribunal" in de zin van art. 6, eerste lid, EVRM, nu ter terechtzitting in hoger beroep door de voorzitter van het Hof aan de getuige [getuige] is medegedeeld: "Wij denken dat u liegt".
2.4. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 29 april 2008 houdt, voor zover voor de beoordeling van deze klacht van belang, het volgende in:
"Na hervatting van het onderzoek deelt de voorzitter de getuige het volgende mede.
Wij denken dat u liegt. Er lijken namelijk discrepanties te bestaan tussen hetgeen u nu verklaart en hetgeen uit het dossier blijkt. Verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 28 augustus 2007 verklaard dat u bij [A] BV in dienst bent gekomen omdat hij weer wilde beginnen met de autohandel en voorts dat u als uitvoerder werkte. Verdachte heeft toen niet verklaard dat u zou hebben geklust in zijn woning. Ook uw eerdere verklaring bij de politie hield heel iets anders in.
De voorzitter deelt vervolgens mede dat de getuige verdacht wordt zich te hebben schuldig gemaakt aan het misdrijf van meineed en dat het hof dienaangaande onderzoek beveelt. Door de griffier wordt dadelijk proces-verbaal verdenking meineed opgemaakt, bevattende - voor zover van belang - de verklaring van de getuige."
2.5. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van art. 6, eerste lid, EVRM dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat hij jegens de verdachte een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verdachte dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
2.6. De enkele omstandigheid dat de voorzitter van het Hof ter terechtzitting tegen de getuige [getuige] heeft gezegd: "Wij denken dat u liegt" levert niet een zwaarwegende aanwijzing op als hiervoor bedoeld, mede in aanmerking genomen dat de voorzitter na de gewraakte opmerking, kort gezegd, heeft medegedeeld dat en waarom de getuige [getuige] ervan werd verdacht zich te hebben schuldig gemaakt aan het misdrijf van meineed. Van schending van eerdergenoemde verdragsbepaling is dus geen sprake.
2.7. Het middel faalt.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het beroep voor zover het zich richt tegen de beslissing op het wrakingsverzoek;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J.W. Ilsink en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 21 september 2010.
Strafkamer
nr. 09/00171
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 28 oktober 2008, nummer 20/003278-07, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1940, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.D.A. van Boom, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
1.2. De raadsman heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2. Beoordeling van het middel
2.1. Het middel klaagt in de kern dat het wrakingsverzoek door het Hof ten onrechte althans ontoereikend gemotiveerd is afgewezen.
2.2. Aangezien ingevolge art. 515, vijfde lid, Sv tegen een beslissing op een verzoek tot wraking geen rechtsmiddel openstaat, is het cassatieberoep in zoverre niet-ontvankelijk.
2.3. Voorts behelst het middel nog de klacht dat de verdachte in hoger beroep is veroordeeld door een gerecht dat niet voldeed aan het vereiste van een "impartial tribunal" in de zin van art. 6, eerste lid, EVRM, nu ter terechtzitting in hoger beroep door de voorzitter van het Hof aan de getuige [getuige] is medegedeeld: "Wij denken dat u liegt".
2.4. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 29 april 2008 houdt, voor zover voor de beoordeling van deze klacht van belang, het volgende in:
"Na hervatting van het onderzoek deelt de voorzitter de getuige het volgende mede.
Wij denken dat u liegt. Er lijken namelijk discrepanties te bestaan tussen hetgeen u nu verklaart en hetgeen uit het dossier blijkt. Verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 28 augustus 2007 verklaard dat u bij [A] BV in dienst bent gekomen omdat hij weer wilde beginnen met de autohandel en voorts dat u als uitvoerder werkte. Verdachte heeft toen niet verklaard dat u zou hebben geklust in zijn woning. Ook uw eerdere verklaring bij de politie hield heel iets anders in.
De voorzitter deelt vervolgens mede dat de getuige verdacht wordt zich te hebben schuldig gemaakt aan het misdrijf van meineed en dat het hof dienaangaande onderzoek beveelt. Door de griffier wordt dadelijk proces-verbaal verdenking meineed opgemaakt, bevattende - voor zover van belang - de verklaring van de getuige."
2.5. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van art. 6, eerste lid, EVRM dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat hij jegens de verdachte een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verdachte dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
2.6. De enkele omstandigheid dat de voorzitter van het Hof ter terechtzitting tegen de getuige [getuige] heeft gezegd: "Wij denken dat u liegt" levert niet een zwaarwegende aanwijzing op als hiervoor bedoeld, mede in aanmerking genomen dat de voorzitter na de gewraakte opmerking, kort gezegd, heeft medegedeeld dat en waarom de getuige [getuige] ervan werd verdacht zich te hebben schuldig gemaakt aan het misdrijf van meineed. Van schending van eerdergenoemde verdragsbepaling is dus geen sprake.
2.7. Het middel faalt.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het beroep voor zover het zich richt tegen de beslissing op het wrakingsverzoek;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J.W. Ilsink en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 21 september 2010.