Centrale Raad van Beroep
ECLI:NL:CRVB:2023:1862
2023-09-25
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
21/3263 MPW-W-PV
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Afwijzing wrakingsverzoek.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2010:BM9141 Hoge Raad 21-09-2010
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (4.082 tekens)
21/3263 MPW-W-PV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge beslissing op het verzoek om wraking gedaan door
[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
Datum beslissing: 25 september 2023
Zitting hebben: E. Dijt, als voorzitter en K.P.M. Jacobs en J.J. Janssen als leden.
Griffier: E.P.J.M. Claerhoudt.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om wraking af.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1.1. Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 3 augustus 2021, 20/760, in de gedingen tussen verzoeker en de minister van Defensie.
1.2. Op 11 september 2023 zijn kennisgevingen aan partijen verzonden voor een op 27 september 2023, om 11.45 uur, te houden zitting. De behandelend rechters zijn J.J.T. van den Corput, Y. Sneevliet en L.M. Tobé (behandelend rechters).
1.3. Per e-mail van 12 september 2023 heeft verzoeker gevraagd om wraking van mr. Y. Sneevliet (behandelend rechter). De behandelend rechter heeft meegedeeld dat zij niet in het verzoek om wraking berust.
1.4. Verzoeker en behandelend rechter zijn uitgenodigd om te worden gehoord ter zitting van de Raad op 25 september 2023. Verzoeker en behandelend rechter zijn niet verschenen.
2.1. Verzoeker heeft in zijn wrakingsverzoek als grond naar voren gebracht dat hij zorgen heeft over de objectiviteit en onpartijdigheid van behandelend rechter. Hij heeft daarbij gewezen op het feit dat hij behandelend rechter vier jaar geleden in een andere zaak heeft gewraakt. Dit verzoek is niet-ontvankelijk verklaard omdat het niet tijdig was ingediend. Desondanks zijn de zorgen bij verzoeker blijven bestaan.
2.2. Bij e-mail van 20 september 2023 heeft verzoeker nadere stukken gezonden aan de Raad, waaronder zijn wrakingsverzoek van 30 december 2019 en de beslissing van de wrakingskamer van de rechtbank Midden-Nederland van 24 januari 2020. Uit deze stukken blijkt dat behandelend rechter in 2019/2020 als rechter betrokken was bij een beroepsprocedure van verzoeker bij de rechtbank Midden‑Nederland en dat verzoeker op diverse punten bezwaren had over de wijze waarop zij die zaak behandelde.
3.1. Een wrakingsgrond moet zijn gelegen in feiten of omstandigheden die betrekking hebben op (de persoon van) de rechter die de zaak behandelt. Bij een beoordeling van een beroep op het ontbreken van de onpartijdigheid van de rechter moet verder het uitgangspunt zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing vormt voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat bij een rechtzoekende daarover bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is (zie onder meer het arrest van de Hoge Raad van 21 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9141).
3.2. Dat behandelend rechter in 2019/2020 als rechter betrokken is geweest bij een beroepsprocedure van verzoeker bij de rechtbank Midden‑Nederland, dat verzoeker bezwaren had tegen de wijze waarop zij die zaak behandelde en om die reden destijds een wrakingsverzoek heeft ingediend, leidt niet tot de conclusie dat in de zaak die nu aan de orde is een dergelijke uitzonderlijke omstandigheid aan de orde is. Verzoeker heeft geen concrete feiten en omstandigheden naar voren gebracht waaruit (de schijn van) vooringenomenheid van behandelend rechter kan worden afgeleid.
4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
(getekend) E.P.J.M. Claerhoudt (getekend) E. Dijt
Voor eensluidend afschrift
de griffier van de
Centrale Raad van Beroep
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge beslissing op het verzoek om wraking gedaan door
[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
Datum beslissing: 25 september 2023
Zitting hebben: E. Dijt, als voorzitter en K.P.M. Jacobs en J.J. Janssen als leden.
Griffier: E.P.J.M. Claerhoudt.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om wraking af.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1.1. Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 3 augustus 2021, 20/760, in de gedingen tussen verzoeker en de minister van Defensie.
1.2. Op 11 september 2023 zijn kennisgevingen aan partijen verzonden voor een op 27 september 2023, om 11.45 uur, te houden zitting. De behandelend rechters zijn J.J.T. van den Corput, Y. Sneevliet en L.M. Tobé (behandelend rechters).
1.3. Per e-mail van 12 september 2023 heeft verzoeker gevraagd om wraking van mr. Y. Sneevliet (behandelend rechter). De behandelend rechter heeft meegedeeld dat zij niet in het verzoek om wraking berust.
1.4. Verzoeker en behandelend rechter zijn uitgenodigd om te worden gehoord ter zitting van de Raad op 25 september 2023. Verzoeker en behandelend rechter zijn niet verschenen.
2.1. Verzoeker heeft in zijn wrakingsverzoek als grond naar voren gebracht dat hij zorgen heeft over de objectiviteit en onpartijdigheid van behandelend rechter. Hij heeft daarbij gewezen op het feit dat hij behandelend rechter vier jaar geleden in een andere zaak heeft gewraakt. Dit verzoek is niet-ontvankelijk verklaard omdat het niet tijdig was ingediend. Desondanks zijn de zorgen bij verzoeker blijven bestaan.
2.2. Bij e-mail van 20 september 2023 heeft verzoeker nadere stukken gezonden aan de Raad, waaronder zijn wrakingsverzoek van 30 december 2019 en de beslissing van de wrakingskamer van de rechtbank Midden-Nederland van 24 januari 2020. Uit deze stukken blijkt dat behandelend rechter in 2019/2020 als rechter betrokken was bij een beroepsprocedure van verzoeker bij de rechtbank Midden‑Nederland en dat verzoeker op diverse punten bezwaren had over de wijze waarop zij die zaak behandelde.
3.1. Een wrakingsgrond moet zijn gelegen in feiten of omstandigheden die betrekking hebben op (de persoon van) de rechter die de zaak behandelt. Bij een beoordeling van een beroep op het ontbreken van de onpartijdigheid van de rechter moet verder het uitgangspunt zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing vormt voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat bij een rechtzoekende daarover bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is (zie onder meer het arrest van de Hoge Raad van 21 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9141).
3.2. Dat behandelend rechter in 2019/2020 als rechter betrokken is geweest bij een beroepsprocedure van verzoeker bij de rechtbank Midden‑Nederland, dat verzoeker bezwaren had tegen de wijze waarop zij die zaak behandelde en om die reden destijds een wrakingsverzoek heeft ingediend, leidt niet tot de conclusie dat in de zaak die nu aan de orde is een dergelijke uitzonderlijke omstandigheid aan de orde is. Verzoeker heeft geen concrete feiten en omstandigheden naar voren gebracht waaruit (de schijn van) vooringenomenheid van behandelend rechter kan worden afgeleid.
4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
(getekend) E.P.J.M. Claerhoudt (getekend) E. Dijt
Voor eensluidend afschrift
de griffier van de
Centrale Raad van Beroep