Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2010:BM0754
2010-09-21
Strafrecht
07/11770
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2010:BM0754 → ECLI:NL:PHR:2010:BM0754
Inhoudsindicatie
Uitspreken in het openbaar. Uit het p.v. van de tz. blijkt niet dat het arrest overeenkomstig art. 362.1 jo. art. 415 Sv in het openbaar is uitgesproken, zodat het ervoor moet worden gehouden dat dit niet is geschied. HR spreekt het arrest alsnog ter openbare tz. uit, vgl. HR LJN BJ7799.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (5)
- ECLI:NL:PHR:2023:1004 Parket bij de Hoge Raad 10-11-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:934 Parket bij de Hoge Raad 10-11-2023
- ECLI:NL:PHR:2020:837 Parket bij de Hoge Raad 06-10-2020
- ECLI:NL:PHR:2015:673 Parket bij de Hoge Raad 21-04-2015
- ECLI:NL:PHR:2014:694 Parket bij de Hoge Raad 20-05-2014
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (3.140 tekens)
21 september 2010
Strafkamer
nr. 07/11770
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 11 september 2007, nummer 23/005549-05, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983, ten tijde van de betekening van de aanzegging zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.
1. Geding in cassatie
1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. B.P. de Boer en mr. G.P. Hamer, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest wat betreft de hoogte van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
1.2. Mr. De Boer, voornoemd, heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2. Beoordeling van het eerste middel
2.1. Het middel behelst de klacht dat het arrest niet in het openbaar is uitgesproken.
2.2. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 11 september 2007 blijkt niet dat het arrest overeenkomstig art. 362, eerste lid, in verbinding met art. 415 Sv in het openbaar is uitgesproken, zodat het ervoor moet worden gehouden dat dit niet is geschied.
2.3. De Hoge Raad zal doen wat het Hof had behoren te doen en zelf het arrest ter openbare terechtzitting uitspreken (vgl. HR 15 december 2009, LJN BJ7799).
3. Beoordeling van de overige middelen
De overige middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van drie jaren.
5. Slotsom
Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 4 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
vermindert deze in die zin dat deze twee jaren en acht maanden beloopt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer B.C. de Savornin Lohman als voorzitter, en de raadsheren W.M.E. Thomassen en M.A. Loth, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 21 september 2010.
Strafkamer
nr. 07/11770
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 11 september 2007, nummer 23/005549-05, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983, ten tijde van de betekening van de aanzegging zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.
1. Geding in cassatie
1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. B.P. de Boer en mr. G.P. Hamer, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest wat betreft de hoogte van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
1.2. Mr. De Boer, voornoemd, heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2. Beoordeling van het eerste middel
2.1. Het middel behelst de klacht dat het arrest niet in het openbaar is uitgesproken.
2.2. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 11 september 2007 blijkt niet dat het arrest overeenkomstig art. 362, eerste lid, in verbinding met art. 415 Sv in het openbaar is uitgesproken, zodat het ervoor moet worden gehouden dat dit niet is geschied.
2.3. De Hoge Raad zal doen wat het Hof had behoren te doen en zelf het arrest ter openbare terechtzitting uitspreken (vgl. HR 15 december 2009, LJN BJ7799).
3. Beoordeling van de overige middelen
De overige middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van drie jaren.
5. Slotsom
Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 4 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
vermindert deze in die zin dat deze twee jaren en acht maanden beloopt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer B.C. de Savornin Lohman als voorzitter, en de raadsheren W.M.E. Thomassen en M.A. Loth, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 21 september 2010.