Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2010:BL8682
2010-04-06
Strafrecht
08/01489
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2010:BL8682 → ECLI:NL:PHR:2010:BL8682
Inhoudsindicatie
Aanwezig hebben van cocaïne. Kan uit verklaring verdachte, inhoudende dat hij “snowseals” met cocaïne had gekocht, en het positieve resultaat van een indicatieve test worden afgeleid dat de bij verdachte aangetroffen substantie cocaïne betrof? HR: art. 81.1 RO. CAG: Geen rechtsregel schrijft voor dat bij het testen van verdovende middelen onder alle omstandigheden een NFI-rapportage nodig is. Wanneer iemand in het vermoedelijke bezit van cocaïne wordt aangetroffen, kan aanwezigheid van die stof ook zonder chemisch deskundigenrapport worden bewezenverklaard.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (9)
- ECLI:NL:PHR:2026:268 Parket bij de Hoge Raad 17-03-2026
- ECLI:NL:PHR:2025:769 Parket bij de Hoge Raad 08-07-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:768 Parket bij de Hoge Raad 08-07-2025
- ECLI:NL:RBLIM:2025:6672 Rechtbank Limburg 25-06-2025
- ECLI:NL:RBMNE:2024:5783 Rechtbank Midden-Nederland 09-10-2024
- ECLI:NL:PHR:2022:1065 Parket bij de Hoge Raad 27-09-2022
- ECLI:NL:PHR:2020:333 Parket bij de Hoge Raad 07-04-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:334 Parket bij de Hoge Raad 07-04-2020
- ECLI:NL:RBAMS:2018:1998 Rechtbank Amsterdam 05-04-2018
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (1.905 tekens)
6 april 2010
Strafkamer
nr. 08/01489
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 28 maart 2008, nummer 20/001816-07, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. F.A.G.M. Landerloo, advocaat te Sittard, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Gelet op de aan de verdachte opgelegde taakstraf in de vorm van een werkstraf van tachtig uren, subsidiair veertig dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een maand, en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en M.A. Loth, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 6 april 2010.
Strafkamer
nr. 08/01489
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 28 maart 2008, nummer 20/001816-07, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. F.A.G.M. Landerloo, advocaat te Sittard, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Gelet op de aan de verdachte opgelegde taakstraf in de vorm van een werkstraf van tachtig uren, subsidiair veertig dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een maand, en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en M.A. Loth, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 6 april 2010.